Ultieme ervaring

De herwaardering voor de natuur komt mij in deze tijd niet onverwacht. Terwijl ik in de zon tussen de abutilon (‘bescheiden balkonvriend’) en de veitchii (‘drielobbig, zelfhechtend’) plaatsneem, heb ik zowaar het gevoel dat alles in orde is. Dat doet de natuur met ons; ook al is ze kunstmatig aangelegd of doorgefokt of uit haar voegen gepokond, ze stelt gerust omdat ze eis en uitvoering tegelijk is: zolang ik besta, kan ik bestaan.

Lang beschouwde ik de natuur als een betrekkelijk saaie constante, die je maar beter met rust kon laten om je op boeiender zaken te concentreren. Het is confronterend te bedenken welke kapitalistische wijsneuzigheid mijn houding tegenover de natuur als kind bepaalde; ik was graag in het bos maar had daarbij vaak een agenda, ik wilde iets maken of vinden, een stok of hut of harsdruiper, ik wilde bewijs in handen dat het nuttig was geweest om er te zijn.

Ook nu vind ik de natuur soms confronterend. Ze is het mooist en meest overdonderend als je haar niet opzoekt om iets te komen halen. Als je haar niet beschouwt als een plek die je iets te bieden zou kunnen hebben. Ook heeft ze niet veel boodschap aan wat je eventueel zou kunnen komen brengen. Een ultieme natuurervaring, zo denk ik steeds, is er wanneer zowel de natuur als jijzelf niets hoeft te ‘ervaren’. (Een ultieme natuurervaring is er waarschijnlijk een waarin de mens überhaupt afwezig is.) Het grootste misverstand over de natuur, vooral nu we binnen moeten blijven, is misschien wel dat we er altijd terechtkunnen, dat ze ons te allen tijde rust en troost en relativering biedt. Dat ze er is voor ons.

Het mag geen verrassing zijn dat ik als kind het televisieprogramma De achtertuin van Jan Wolkers saai vond. Stond die man daar met zijn hijgerige stem gebogen over een pissebed, ‘kijk dat pootje’, zei hij vol ontzag. Of hij boog eerbiedig een leger berenklauwen aan de kant om een rijtje vlinders aan te wijzen. ‘Ze zitten zo stil, kijk toch, ze vergaderen.’

Het lichaam, schreef fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty, is ons algemene medium ‘pour avoir un monde’, om een wereld te hebben. Anders gezegd: de wereld bestaat voor ons, omdat wij haar lichamelijk kunnen ervaren. Ik snap het ontzag en de eerbied van Wolkers inmiddels natuurlijk goed, en voel het zelf ook, tussen mijn uit hun knoppen knallende balkonplanten. En toch: ik zoek nog steeds naar manieren om dat ontzag en die eerbied niet toch stiekem over mijzelf te laten gaan.

Wie slaat de bloesem uit dit dode hout?
Wie weeft een nylon zweetdoek door de takken?
IJskoud het lekkerst schijnt niet te bestaan,
Een vroege salamander moet verrekken.
Er is in de oktoberstorm meer leven
Dan in de kille vlagen van april.
Is dit de geboorte van nieuw leven?
De discusschijf van de placenta wordt gemangeld
Tot ijzig mos onder de uitslag van de rijp.
De winterslaap wordt wreed verstoord door groeikracht,
De huiver doet het tere groen verstijven.
Men tilt een blad op en daar staat geschreven
In taal die slechts de wormen is gegeven,
Dood, dood en nog eens dood, en even leven.

Valse lente III
Jan Wolkers
Uit: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, 2008