Ultieme lol

tekening Dick Tuinder

Medium opening ilja3

Ilja Leonard Pfeijffer
Het ware leven, een roman
De Arbeiderspers, 320 blz., € 19,95

Ooit kijkt iedere schrijver het monster in de bek. Iedere schrijver die een beetje nadenkt over wat hij wil en wat hem te doen staat, kennis neemt van de traditie waarin hij zich al dan niet wil voegen, anderen erop naslaat, zich laat beïnvloeden, provoceren of juist helemaal opnieuw geboren wil worden, komt er op een dag achter dat het schrijven van een roman een gek iets is: beperkt, gekunsteld en intrinsiek ontoereikend. Hoezo werkelijkheid, wat nou fictie, zogauw je een letter op papier zet is er een schijnorde die ergens tussen krampachtigheid en bedrog in hangt, wat je éigenlijk wil zeggen valt niet te vangen en wat er overblijft is een slap compromis omdat lezers ook nog moeten willen begrijpen waarover je het hebt. Dus dan toch maar personages, en vooruit, een verhaallijn en desnoods een spanningsboog, het is te erg om waar te zijn, maar ja, je zult het er toch mee moeten doen, met die 26 letters en de platte dimensie van de geschreven tekst. Alvorens zich dan toch maar te onderwerpen aan het fascistoïde regime van de lineaire vertelling en er het beste van te maken, moet iedere schrijver het keurslijf aan den lijve voelen en verre van zich proberen te werpen. Iedere schrijver heeft wat dat betreft zijn eigen raadsels van het rund in de bureaula liggen, van bredere verspreiding weerhouden door een nuchtere redacteur die aanvankelijk omzichtig maar alras ongeduldiger de schrijver duidelijk maakte: nee, niet leuk, niet interessant, stop met rondjes draaien om de eigen navel van het schrijverschap, schei uit met jeremiëren, ga nu maar aan het werk. Het is natuurlijk gissen naar wat zich heeft afgespeeld op de redactieburelen van De Arbeiderspers, en of redacteur Peter Nijssen wist dat ook híj uiteindelijk in Het ware leven, een roman opgevoerd zou worden als personage, maar mocht dat wel zo zijn, dan dacht hij misschien: het is een van de honderdduizend personages en geen lezer zal zich na zo’n honderd pagina’s nog afvragen wie wie is, voorzover er al een lezer is die pagina 101 van dit boek heeft weten te bereiken. Of hij dacht: ach, na zijn vorige succes kunnen we wel wat lijden. Of misschien was hij gestreeld, en heeft zijn auteur verder maar lekker laten dollen.

Aan alles doen wat niet mag herken je over het algemeen de beginner: kijk mij eens grappig de conventies aan mijn laars lappen. Dat is in dit geval gek, want Ilja Leonard Pfeijffer heeft meer geschreven. Als prozaschrijver debuteerde hij in 2002 met Rupert. Een bekentenis, een lyrische evocatie van een groepsverkrachting en de wraakfantasie van een gedumpte minnaar inéén. In de beste passages liet Pfeijffer de lezer afdalen in de warme vochtige kelder waarin je je vies en plakkerig voelt en tot alles bereid. In de slechtste passages verwerd zijn protagonist tot een machteloos brallend mannetje, doodsbenauwd voor winkelwijven met zeugenkutten. De vorm van Rupert was inventief – een verdedigingsrede ten overstaan van een denkbeeldige jury – en sloot mooi aan bij het vette, barokke taalgebruik van de schrijver.

Ook in Het grote baggerboek (2004), waarmee Pfeijffer een groot publiek bereikte, gingen taal en compositie een originele, sterke verbintenis aan. Pfeijffer ontwikkelde een heel eigen baggertaal die op zijn best erg grappig en vunzig was, en op zijn slechtst doorsloeg naar leukdoenerij. Maar wat écht jammer was aan dit boek, was dat er een kinderachtig clou-erig verhaaltje in werd gestopt in plaats van dat het baggertaalfeest ten volle werd gevierd. Daardoor groeide Het grote baggerboek ondanks de leuke stukken niet uit tot een waarlijk mooie of gekke roman.

Ook vreemd: zowel Rupert als Het grote baggerboek laat zien dat Pfeijffer weet dat er meer is tussen het fascisme van de lineaire vertelling en de voorspelbaarheid van de Toscaanse damesroman. Dat het keurslijf van de roman een grote creativiteit kan ontketenen, ook al leidde die dan in zijn geval niet tot volledig geslaagde boeken. Toch laat hij zijn alwetende verteller in Het ware leven ruim driehonderd slaapverwekkende bladzijden lang neuzelen en zeiken over dat er zoveel manieren zijn om een hoofdstuk te beginnen, en dat hij geen literaire prijs wil maar woonlasten en werktijden (mag ik even braken?) en zogenaamd leuk in gesprek gaan met weerspannige personages, en neerkijken op lezers die verlangen naar een verhaal, en och jee weet je wat, we halen Oprah’s boekenclub er ook maar ’s bij.

Als deze roman ook maar een beetje serieus genomen moet worden, dan is vanaf bladzijde 1 een diep gefrustreerde schrijver aan het woord. Gefrustreerd over het feit dat hij geen mooie, fotogenieke vrouw is die een roman schrijft over iets wat ze zelf heeft meegemaakt. Wás Pfeijffer nu maar echt in de huid van die vrouw gekropen. Had hij nu maar écht – tussen alle gezeik door – een boek in een boek geschreven, De heuvels van Amalfi door Eugenie van Zanten op wonderbaarlijke wijze verbonden met de legeravonturen van de negentiende-eeuwse Russische luitenant Ferdinand Boeb in plaats van alleen maar de hele tijd te zeggen dat hij daarmee bezig is. Verspilde hij er maar niet zoveel bladzijden aan om de zogenaamde provocateur uit te willen hangen. Pas als je de kunst beheerst, mag je erop schijten.

Maar misschien is het serieus willen nemen wel het probleem. Is het de lol dat Pfeijffer zichzelf in deze roman uitvergroot tot tragische antiheld, die leeft volgens zijn zelfverzonnen scenario als zelfgenoegzame buitenstaander die in de waan verkeert dat hij alles beter verzint dan de personages die hem omringen als figuranten in elkaars onbeduidende verhaal. Is het de lol dat hij een expliciet beroep doet op het uithoudingsvermogen van de recensent, die overigens ook weer als een van die figuranten wordt opgevoerd. En is het de ultieme lol dat hij zo’n recensent nu heeft waar hij haar hebben wil, want zij ziet die lol niet. Nou, gefeliciteerd daarmee dan.