Ultieme virtualiteit - Sybren Polet, 1924-2015

Vorige maand overleed de ‘grand old man’ van de Nederlandse avontuurlijke literatuur Sybren Polet op 91-jarige leeftijd. Laurens van Ham schreef een profiel over Polets compromisloze experimenteerzucht en zijn kolossale, nog altijd actuele oeuvre waarin de toekomst van mens en techniek centraal staat.

Hoe ziet een hedendaagse Apocalyps eruit? Ten tijde van de Koude Oorlog zou de aarde verwoest worden door aliens of een atoomoorlog; de afgelopen twintig jaar zagen we op het filmscherm de wereld aan klimaatrampen ten onder gaan. Afgelopen mei voorspelde filosoof Nick Bostrom, specialist op het gebied van kunstmatige intelligentie, dat de mensheid vernietigd zou kunnen worden door ‘een soort stofwolk, bestaand uit microscopisch kleine robots, die uitwaaiert over de wereld en overal waar hij aankomt het leven laat ophouden te bestaan’.

Het is niets nieuws voor wie Sybren Polets vorig jaar verschenen dichtbundel Het aaah oooh van de verbonaut las. Daarin gaat het al over de ‘nabije dreiging van een (bio)homoïde,/ opgebouwd/ uit myriaden zelfreproducerende nanorobots.// Hun dwalende gedachten die nu boven je zweven,/ een laaghangende wolk/ waargenomen door je wijdopen voorhoofdsoog’. Deze bundel, verschenen bij Polets negentigste verjaardag, toont op elke bladzijde dat hij wetenschappelijke ontwikkelingen tot het einde van zijn leven op de voet bleef volgen. Tegelijkertijd is zijn poëzie veel meer dan een poëtische weerslag van technologische inzichten. Polet fantaseert lustig verder op wetenschappelijke voorspellingen en geeft de abstracte fantasieën over een robotwolk kleur door ze te verbinden met menselijke eigenschappen (‘dwalende gedachten’).

In Polets kolossale oeuvre van meer dan zestig titels – waaronder ook verhalen, sprookjes, essays en theater – draait het steeds om dezelfde kwestie. Mensen worden volgens hem beperkt door hun verleden en sociale context, maar met hun verbeeldingskracht kunnen ze aan die beperkingen ontsnappen. De kunst en de techniek zijn voor hem de twee voornaamste uitingsvormen van de verbeeldingskracht. In een experimentele roman kunnen de grenzen van het voorstelbare worden opgezocht; bio- en robottechnologie stellen de mens langzaam in staat zichzelf te creëren of als soort overbodig te maken. Hoe Polet zelf over deze ontwikkelingen dacht, is moeilijk op te maken: zijn toon is opgeruimd, maar onder de oppervlakte wordt de dystopie zichtbaar.

Neem De hoge hoed der historie (1999), misschien wel zijn beste roman. Polet presenteert daarin dertien heel verschillende episodes, die zich afspelen van het oude IJsland tot Victoriaans Engeland en de verre toekomst. Behalve scheppend is de verbeelding in dit boek ook vernietigend: in een variatie op het levensverhaal van de Romeinse schrijver Petronius brengt ‘Pertronius’ keizer Nero met zijn ongeremde fantasie op het idee Rome in de as te leggen. De hoge hoed laat zien dat elke tijd een eindtijd is: mensen zijn altijd geneigd de grenzen van wat denkbaar is te overschrijden en daarmee hun leefwereld te vernietigen.

Medium hh 46932379

Wie Polets zestig jaar omspannende oeuvre overziet, ontdekt hoezeer pieken en dalen in zijn populariteit met maatschappelijke veranderingen samenhangen. Niet toevallig verwierf hij juist naamsbekendheid toen in de jaren zestig in revolutionaire kringen de verbeelding aan de macht kwam. In 1963 streed hij mee voor een subsidiestelsel in het Schrijversprotest; twee jaar later zou dit tot de oprichting van het Nederlands Fonds voor de Letteren leiden. Experimentele proza-auteurs, vaak van een uitgesproken politieke signatuur (Jacq Vogelaar, Jacques Hamelink, Lidy van Marissing) leken in het klimaat van Provo en mei ’68 kortstondig succesvol te worden. Polets vroege werk past in deze trend: zowel Breekwater (1961) als Mannekino (1968), zijn twee grootste publiekssuccessen, gaat over generatieconflicten. In Breekwater werd ook de romanfiguur Lokien Perdok geïntroduceerd. Deze Elckerlijc-achtige figuur, die in allerlei naamsvariaties in alle periodes en plaatsen opduikt als hoofdpersoon of dubbelganger, zou in alle elf romans een rol blijven spelen.

Bio- en robottechnologie stellen de mens langzaam in staat zichzelf te creëren of als soort overbodig te maken

In de jaren zeventig raakte de experimentele literatuur snel in de marge. Polet beschrijft in het tweede deel van zijn biografie nauwkeurig hoe hij in de jaren zeventig en tachtig door depressies werd geteisterd en genegeerd werd door de pers. In 1978 verschenen Ander proza, een bloemlezing van experimenteel Nederlandstalig proza, en de ambitieuze en onconventionele roman Xpertise of De experts en het rode lampje. De publieke ontvangst viel tegen, terwijl in literaire kringen fel en niet altijd lovend werd gereageerd op het boek.

Zijn essaybundels en verhalenbundels uit de jaren tachtig ontvingen weinig aandacht, maar vanaf midden jaren negentig kwam de comeback. Ironisch genoeg lijkt dat met de geleidelijke marginalisering van de literatuur te maken te hebben gehad: de verbeten principiële literaire polemieken (onder meer tegen het experimentalisme) verstomden nu romans en kranten definitief door de visuele media waren ingehaald. In dit klimaat kon Polet weliswaar niet mainstream worden, maar groeide hij met nieuwe Lokien-boeken en een stroom dichtbundels wel uit tot de grand old man van de Nederlandse avontuurlijke literatuur. De hele Lokien-reeks werd vanaf 2005 zelfs herdrukt, de recensies waren lovend.

Dat kwam misschien ook doordat het thema waarover Polet al decennia gedichten schreef – de toekomst van mens en techniek – na de eeuwwisseling veel besproken werd. Zo ontpopte Polet zich in een grandioze reeks dichtbundels na 2003 als een auteur met een scherp oog voor mediale en technische ontwikkelingen – heel opmerkelijk, aangezien hij zelf geen internet gebruikte. Zijn aanpak bleef compromisloos experimenteel: de late bundels wemelen van de woordspelingen en knipogen naar technologische taal: ‘heroïne of verboïne’, ‘organeling’, ‘Xisteren’.

In zijn late werk reflecteerde Polet onophoudelijk op het steeds virtueler worden van de wereld. In Bedenktijd (2007), de slotnovelle van de Lokien-cyclus, laat hij de ik-figuur nadenken over de toekomstmens, op weg naar de ‘ultieme virtualiteit’. Met zijn dood lijkt Sybren Polet in die virtualiteit opgenomen, maar zijn oeuvre blijft rondspoken, eeuwig actueel.


Laurens Ham is universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht. In 2014 verzorgde hij de redactie en het nawoord van Sybren Polets essaybundel De noodzaak van het overbodige


Beeld: (1) Sybren Polet in 1981 (Eddy de Jongh/HH)