Richard Hamiltons beeldende equivalenten

Ulysses ontmoet de Beatles, Pop meets Art

De Britse kunstenaar Richard Hamilton is nu al zo’n vijftig jaar bezig met «beeldende equivalenten» om te komen tot een soort ‹Ulysses› voor dyslectici, klassiek geïllustreerd in een ultrakorte samenvatting als «Odysseus anno nu».

Negenennegentig jaar geleden. Tien uur in de ochtend, Dublin, 16 juni 1904. Leopold Bloom, de Odysseus van Dublin, zoals naar het leven geschapen door de Ierse expat James Joyce (1882-1941), wil een bad gaan nemen in een in Oosterse stijl opgetrokken badhuis met minaretten en rode bakstenen. Hij ruikt nog enigszins naar de niertjes die hij heeft laten aanbakken voor zijn ontbijt. Straks heeft hij een begrafenis dus hij moet er wel een beetje florissant uitzien. Hij ligt in bad en ziet zichzelf in bad liggen, niet in de knoppen van de kraan, vertekend, maar als het rare maar ware getekend, van bovenaf, als zijn eigen beschermengel, als de lezer van een boek kortom.

Joyce beschrijft deze visie, die bijna een visioen van een bijna-doodervaring is, waarbij het lichaam voor één vluchtig moment de geest verlaat en zich afvraagt of het nog wel de moeite waard is daarin terug te keren, als climax van het overigens zeer gelijkmatig verglijdende, bijna gedrogeerde hoofdstuk — de ‹Lotofagen› geheten en nummer vijf genummerd uit een geheel van achttien — zo: «Hij voorzag zijn bleke lichaam er uitgestrekt in liggen, bloot, in een schoot van warmte (…) en zag zijn donkere warrige schaamhaardos drijven, drijvende dos van de stroom rond de slappe vader van duizenden, een doezelige drijvende bloem.»

Van boven wordt onze held ook bekeken door Richard Hamilton, de vader, de schoonvader en de grootvader van de Britse pop-art, die nu al zo’n vijftig jaar bezig is om Ulysses te illustreren met «beeldende equivalenten», zoals hij zijn tekeningen zelf noemt. Nu zou je zeggen dat elke illustratie een beeldend equivalent moet zijn en dat elk beeldend equivalent een illustratie is bij een tekst die zonder die tekst niet zou bestaan, omdat er anders niks te illusteren valt. Maar Richard Hamilton wil meer: hij wil niet een afzonderlijke scène verbeelden, maar per hoofdstuk één «eindprent» maken die het hele hoofdstuk samenbalt en waarmee het hele hoofdstuk samenvalt. Een Ulysses voor dyslectici, klassiek geïllustreerd in een ultrakorte samenvatting, zoals Ulysses zich in drie woorden laat samenvatten als «Odysseus anno nu» (nu in de zin van het eindeloze nunc stans van Ierland op 16 juni 1904).

Voor de tekening van Bloom in bad ging Hamilton niet over één nacht ijs. Eerst had hij hem van opzij getekend, liggend in bad, omringd door studies van voeten en pikken, die ontluiken als lotusbloemen, maar omdat Bloom zich voorstelt hoe hij in bad ligt, heeft Hamilton Blooms standpunt uit zijn monologue intérieur gekozen, «verkort, als gezien door een innerlijk oog». Bovendien maakte Joyce-biograaf Richard Ellmann hem erop attent dat Bloom, hoewel joods, helemaal niet besneden was, zoals Hamilton in eerste instantie wel had getekend. Ellmann verwees hem naar Nausicaä, het hoofdstuk waarin Bloom zich zit af te trekken op het strand bij de aanblik van een jonge deerne. Als het zaad opdroogt, blijft de eikel aan de stof van de onderbroek plakken, en horen en zien, kortom, lezen we Bloom denken: «Die nattigheid is heel vervelend. Zit vast. Omdat de voorhuid nog niet terug is. Beter om los te maken.

Auw!»

Richard Hamilton kenden wij van kindsbeen af als de geniale vormgever van The Beatles, hun gelijknamige witte dubbelelpee uit 1968 die niet voor niets de «Witte Dubbelelpee» is gaan heten: wit met de naam van de band lukraak gebosseleerd, de eerste drie miljoen exemplaren met een ogenschijnlijk uniek serienummer en met in de hoes vier foto’s van de Beatles als individu en een even geniaal vormgegeven poster met kiekjes en lyrics.

Na het bloemrijke, kleurige, overdadig gedetailleerde over de toppe Sgt. Pepper konden de Beatles niet achterblijven bij zichzelf en nodigden ze een van de beroemdste kunstenaars uit de kennissenkring van hun kennissenkring uit. Hamilton stelde op de Appleburelen voor om iets heel anders te doen dan Sgt. Pepper: een kale kuise hoes moest het worden. Great! Gear! Fab! Yeah! zeiden de Beatles collectief. Maar, zei Hamilton erbij, als dat te netjes wordt, moeten we er een bruine kring van een koffiekop op achterlaten.

Zoals de drijvende Bloom de loomheid van het hoofdstuk tekent, wordt Hamilton gekenmerkt door toewijding, oog voor detail en humor. Want waarom zou kunst niet leuk kunnen zijn? was zijn slogo. Helaas werd het idee van een koffievlek of een met een stukje appel gemaakte vlek unisono afgeschoten zijnde al «too flippant» — te geflipt man, dat begrijpen de mensen niet, weet je wel. De hele dubbel elpee doet overigens wel wat denken aan Ulysses: alle kanten van het leven, alle stijlen van de kunst, in dit geval de popmuziek, zijn vertegenwoordigd als in een poppenhuis met evenzoveel kamers als er nummers op de plaat staan. Het zal dan ook wel geen toeval zijn dat de plaat oorspronkelijk A Doll’s House zou heten, naar het toneelstuk van Ibsen, die weer de favoriete auteur was van de jonge James Joyce. (De oude Joyce hield alleen maar van zichzelf, en gelijk had-ie.)

Hamiltons fascinatie met Ulysses (allebei jaargang 1922) begon in de post-Tweede-Wereldoorlog-barakken en is weer een typisch voorbeeld van de mooie dingen die voortkomen uit verveling. Wij noemen: de piramiden, de beelden van Paaseiland, de Divina Commedia, de rock-’n-roll en de pop-art. De kunst die van de straat komt, de kunst die je op straat kan vinden. Als je er oog voor hebt. Mensen moeten minder doen en zich meer vervelen!

De man die als eerste de beeldende schoonheid van gebruiksvoorwerpen, consumptiegoederen en massaproducten opmerkte, was de grote leermeester en ook nog enige tijd werkgever van Hamilton, Marcel Duchamp: de aanblik van een fietswiel op een kruk in de ochtend, een urinoir met de handtekening van een stripfiguur!

De Beatles deden hetzelfde door teksten rechtstreeks van een circusposter te halen, uit de krant of van de gebruiksaanwijzing van een doos Quality Street-bonbons. En James Joyce deed het door «de gewone man» tot held te bombarderen en de tragiek en de dramatiek van de straat te plukken in de meest alledaagse voorvallen, die dankzij zijn opmerkingsgave stikten van de betekenis en de schoonheid en daardoor een mythische zeggingskracht kregen, die in niks onderdeed voor de Odyssee van Homeros of het flessenrek van Duchamp of A Day in the Life van de Beatles.

Bloom neemt een bad. Twee barjuffrouwen laten zich wellustig bewonderen en tappen een sensueel geladen pint. Man en vrouw, Bloom en Molly, liggen in bed te slapen onder de plaid van moeders en onder een onbewolkte sterrenhemel. Dit is precies de epifaan befonkelde, alledaagse problematiek van de moderne consument die Hamilton inspireerde tot zijn startschot van de pop-art: een collage getiteld Wat is het nou dat moderne huishoudens zo anders maakt, zo aantrekkelijk? — met daarop een Hooverstofzuiger, een tv en een bodybuilder met een lolly in zijn hand. Geen parodie of ironie maar het aanboren van een nieuwe grondstof voor een nieuwe blik op de wereld.

Zo’n ware en goede en mooie gedachte moet wel aanleiding geven tot misverstanden, wat we vooral terugzien bij de academische navolgers die in de geest van Marcel werken: de musea liggen vol met gevulde vuilniszakken, doorgezaagde weesmeisjes, opgezette haaien en vies beddengoed. Maar de kunst… ligt nog steeds op straat. En dat is weer helemaal joyceaans. Zoals Joyce bijvoorbeeld de ontwikkeling van de Engelse literatuur in het hoofdstuk ‹Ossen van de Zon› gebruikt als een objet trouvé, zo illustreert Hamilton dat hoofdstuk door objets trouvés uit de geschiedenis van de kunst erin te verwerken. In één beeld, uitgaande van een kubistische vlakverdeling, geeft hij een Paaseiland-beeld een plaats, een Egyptische figuur, een portret à la Rembrandt, een futuristisch geheven drinkglas, een kubistisch stilleven en Stephen Dedalus, de andere hoofdpersoon van Ulysses, in het midden in de rol van een jonge Napoleon, geportretteerd door Gros.

Ulysses stond door zijn veelvormigheid aan de wieg van de vrijheid die Hamilton vond en pop-art noemde, en die voor hem een einde maakte aan de romantische notie dat een kunstenaar een persoonlijke stijl nodig had of een stijlontwikkeling moest doormaken. De uiteindelijke eindprenten lijken stilistisch gezien heel erg op de schetsen van veertig jaar geleden die ook in Boymans te zien zijn.

Ons kwam diezelfde vrijheid goed te pas bij het vertalen van Ob-la-di Ob-la-da van de eerder genoemde witte dubbelelpee van de Beatles. In onze vertaling werd het de eindprent bij Ulysses, zodat het vinyle cirkeltje weer mooi is rondgezaagd:

Odysseus’ Odyssee

Poldy schenkt de thee in die hij heeft gezet

Bakt de niertjes in z’n hersenpan

Loopt naar boven, Molly murmelt in hun bed

Hij vraagt ’r of hij nog iets voor haar halen kan

Odysseus’ Odyssee, leef hier nu, ja

Lala want je leeft nu hier

Odysseus’ Odyssee, leef hier nu, ja

Lala want je leeft nu hier

Poldy is verkoper van reclametaal

Molly geeft concerten in het land (in het land)

Poldy heeft voor Molly net de post gehaald

En Molly ziet hem gluren naar haar kouseband

Als je loopt door de stad wordt de stad je eigen huis

In de loop van de dag kijk je met het hoofd

Van Poldy en Molly Bloom

Zestien juni slijt ie ook reclametaal

Molly denkt aan vroeger met haar hand (arm! been!)

Poldy eet een kaassandwich als middagmaal

Een uur tevoren was ie pispaal op de krant

Zestien juni voost ze met ’n gladde aal

Poldy doet het met z’n eigen hand

Molly zegt graag ja, zij houdt van klare taal

En in de avond draagt haar man d’r kouseband

Odysseus’ Odyssee, leef hier nu, ja

Lala want je leeft nu hier

Odysseus’ Odyssee, leef hier nu, ja

Lala want je leeft nu hier

En zoek je echt iets leuks? Lees Ulysses van James Joyce.