De mysterieuze vlam van koning Loana

Umberto Eco’s geheugentheater

Persoonlijke herinneringen: geen Umberto Eco schreef een hele roman over het geheugen en herinne rin gen, dozen vol schriften en beeldverhalen, maar niet één persoonlijke herinnering. Integendeel

Umberto Eco

De mysterieuze vlam van koningin Loana

Vertaald door Rob Gerritsen en

Henny Vlot

Prometheus, 425 blz., € 25,-

Vergeleken met de vier grote romans van Umberto Eco is dit plaatjesboek op het eerste gezicht iets compleet anders. Bij een schrijver die zelf zo goed weet wat hij doet, is dat een gewaagde opmerking. Ik zie al meteen pijlen die verwijzen naar opstellen over hogere en lagere cultuur, naar kitsch, de taal van stripverhalen, Lofrede op «Monte-Cristo». Nog drie tussenzinnen en ik hoor me zelf zeggen: eigenlijk verbazingwekkend dat Eco deze roman over zijn jeugd lectuur niet eerder geschreven heeft. Misschien is het wel autobiografisch! Maar zelfs al zou elk detail afkomstig zijn uit Eco’s biografie doet dat aan het verhaal niets toe of af. Ik vroeg mij op eenderde zelfs af, toen de verteller zich als een mol een weg groef door stapels kranten, bladen, boeken en schriften uit zijn jeugd, wat ik als lezer met al die particularia aanmoest. Het is ook wel erg mooi dat de man die zijn geheugen kwijt is in het landhuis van zijn jeugd alle schoolschriften en kranten van vroeger terugvindt, alles in één huis: daar wrikt iets. Maar ook hier geldt dat als zou blijken dat Eco het allemaal achteraf verzameld heeft en er in zijn eigen jeugd slechts een fractie van heeft gezien, dit voor de roman weinig zou uitmaken. Wat is het dan voor roman? Het gaat over een geheugen van papier, zoals de titel van het tweede deel treffend aangeeft: voor een belangrijk deel is het boek een demonstratie hoe je binnen de kortste keren een heel verleden kunt aanpassen, als een pak. Het sociale leven is een fictie, merkt de hoofdpersoon op wanneer hij merkt hoe hij zich met enkele oefeningen een complete nieuwe biografie eigen maakt. Voor zijn omgeving is hij op wat winkelhaken na de oude Adam. Angstaanjagend.

Zoals voor een goede roman eerder regel dan uitzondering is, bestaat deze uit verscheidene boeken, minstens drie: elk ervan is interessant, bijzonder is waarschijnlijk het vierde. Een man van tegen de zestig stelt bij het ontwaken in het ziekenhuis vast dat hij zijn geheugen kwijt is, meer zijn herinneringen dan zijn geheugen want op mechanisch vlak functioneert dat nog goed. Aan herinneringen resten hem alleen weetjes en citaten. Voor persoonlijke gevoelens ontbreken hem de passende woorden. Hij leeft uit de encyclopedie, en daar kun je een eind mee komen, zelfs of juist wanneer je beroep handelaar in oude boeken is. Als Eco het hierbij gelaten had, was het een interessant boek ge weest. Alleen al hoe de man bij zijn oefeningen bekende gebaren weer als nieuw ervaart: de eerste keer dat hij weer met zijn vrouw vrijt is alsof hij thee drinkt uit een kostbaar servies; tandenpoetsen is een grotere sensatie. De mist trekt een beetje op – hij blijkt op de computer een verzameling citaten over mist te hebben aangelegd, handig voor een leidmotief. Handig is ook dat zijn vrouw psychologe is zodat de diagnose in traditionele termen kan worden toegelicht: Boldoni, Yambo voor vrienden, heeft nog een semantisch of publiek geheugen, dat hij met anderen deelt, en is zijn episodisch of autobiografisch geheugen kwijt. Het is alsof hij van een andere planeet komt, alsof hij de jas van een ander aantrekt; Eco heeft er nog een paar varianten voor. In feite doet de hoofdpersoon wat iedere conventionele roman schrijver doet: een personage invullen en aankleden. Zo bezien is het pastiche van het zoeken naar identiteit: Giambattista Boldoni meet zich een identi teit aan, misschien wel die van Eco.

In zekere zin is dat wat er in het tweede boek gebeurt: hij leest alles wat hij ooit tot aan zijn elfde gelezen heeft, alles wat hij in het landhuis aantreft waar hij geboren is en de periode tot aan het eind van de Wereldoorlog heeft doorgebracht. Hij is erheen gestuurd door zijn vrouw en brengt er acht dagen op zolder door. Zelfs dat «acht dagen op zolder» blijkt een gelezen titel te zijn. Met z’n vele vertrekken, de zolder, de pas op het laatst ontdekte, dichtgemetselde huiskapel – jazeker! – waar zijn schoolboeken en -schriften opgeborgen blijken, is het een soort geheugentheater. Eco maakt die vergelijking met de retorische mnemotechniek uit de Renaissance zelf niet, wat zijn ontsluiering niet minder ge raffineerd maakt. Hij haalt geen herinneringen op, maar hij vervaardigt herinneringen, stelt ze samen, recon strueert ze. Op deze manier zou hij tien jaar nodig hebben voor zijn herhalingsoefening Jeugd. Hij leest als de jongen van tien, ten naaste bij, want hij doet het zo systematisch en snel dat het een historische studie wordt, zeker als hij zijn lectuur van gezinsbladen, kinderboeken en beeldverhalen parallel laat lopen met de kranten die zijn grootvader bewaard en aangestreept heeft; en bij wijze van radio platen uit die tijd draait. De verteller deelt het gevoel van de lezer in die zin dat ook hij zelf opmerkt dat al dit geheugenmateriaal, dit hele museum van particularia, hem persoonlijk niet of nauwelijks raakt – op een enkele scheut na, die hij, nog niet wetend wat hij ermee bedoelt, als «mysterieuze vlam» betitelt. Hij wordt nog het sterkst beroerd door de liedjes op de grammofoon; en af en toe is er een lichamelijke herinnering, schuilend in een aanraking of gebaar, waardoor iets wordt opgeroepen, iets van een andere orde, maar wat precies?

Verteller en lezer weten een tijdlang evenveel. Zodra je ook als lezer doorkrijgt dat hier niet een bron van particuliere herinneringen wordt aangeboord, wordt het ook een andere lectuur: die van een generatie. Beeld en tekst uit die tijd splitsen zich in enerzijds fascistische heroïek en patriottisme en anderzijds huiselijke idylle of exotische fantasie. Op een moment dat Amerikaanse en Engelse comics en verhalen geïtalianiseerd werden, vaak slordig en onhandig, was die schizofrenie in een en hetzelfde verhaal zichtbaar: het patriottisme is van een obscene knusheid en de kitscherige avonturenverhalen suggereren iets van ware rebellie. De verteller doet nog een ontdekking: hij reconstrueert in één moeite door de herinneringen van zijn grootvader, die als handelaar in oud drukwerk ook zelf een grote verzameling had aangelegd: «Dus niet alleen ik, maar ook de volwassenen om mij heen waren opgevoed met het idee dat vaderlandsliefde inhield dat je bereid was je bloed te offeren, dat je bij een slagveld doordrenkt met bloed geen afschuw voelde maar bezieling.»

Als je zou willen is er een essay van tientallen pagina’s uit te lichten over de gewenning van de kinderziel aan het grofste geweld en de meest idiote wereldbeschouwing, dankzij het vermogen van kinderen in verschillende werelden te leven. In één moeite door laat Eco zien dat het onderscheid tussen slechte en goede kinderlectuur een fabeltje is – hij gaat zelfs zo ver dat hij zijn latere voorliefde voor Picasso terugvoert op plaatjes van Dick Tracy. Het boek is ook één grote lofzang op volksromantiek en vermeend triviale literatuur, maar dat is een verhaal apart (het vierde boek misschien).

De hoofdpersoon kan in de schriften nalezen hoe een bevlogen patriot hij was geweest, wat een slechte dichter, een jongen die op zijn tijd ernstige behoefte had aan religie en daarvoor vervolgens stof vond in de decadente literatuur; maar ook hoe hij gevoelig werd voor tegengeluiden in de musso liniaanse koekoek-eenzang. Maar van belangrijkere veranderingen die zich aan hem voltrokken moeten hebben geen spoor. Ik zal niet zeggen dat de tweehonderd pagina’s van dit tweede boek het toppunt van spanning zijn. Het is maar wat je, met het oog op de titel en al die plaatjes van spannende boeken, voor verwachtingen hebt. Al doende – al lezende, en dat is wat Yambo Boldoni doet: de naam Yambo, Kuif, heeft hij aan zijn jeugdlectuur overgehouden – wordt het tweede deel wel het belangrijkste van de roman. De socioloog Maurice Halbwachs, die in de jaren twintig/dertig een studie over het collectief geheugen schreef, die door zijn dood in Buchenwald is afgebroken, heeft indertijd de stelling ontwikkeld dat alle herinneringen feitelijk in groepsvorm ontstaan, doordat ervaringen gedeeld, besproken, verteld worden – en dat er praktisch geen exclusief individuele herinneringen bestaan. Ook wat iemand meemaakt wanneer er geen mens in de buurt is, ziet hij met de ogen van volwassenen of de afwezigen.

Het zou mij niet verbazen als Halbwachs op de achtergrond van Eco’s geheugenonderzoek meespeelt; in elk geval zou de roman kunnen illustreren dat het begrip collectief geheugen meer dan een metafoor is die eigenschappen van het individuele naar een groepsgeheugen overhevelt. De hele verzameling kleuren, geuren, beelden, verhalen en verzinsels, voor een groot deel in elkaar geflanste, tweedehands, ingekleurde en bijgeretoucheerde tijds beelden, vormt tezamen het wereldbeeld van een generatie, of althans van een deel ervan (de sociale groep), waartoe de jongen die geëvacueerd zat op het Italiaanse platteland deel uitmaakte. Collectieve herinnering betekent meestal een uilenbal van onverwerkte in elkaar gedraaide beelden, restideeën en geruchten, en vormt waarschijnlijk vooral in schijn een herinneringsbeeld: dat van het Fascisme, van de Duitse bezetting, de Partizanen, de Geallieerden – maar «men» doet het er wel mee, met dat samenhangende beeld van disparate, nooit meer goed te traceren elementen, soms een leven lang.

In Eco’s tweede boek worden al die ingrediënten uitgestald. Op zoek naar eigen herinneringen doet Yambo het proces nog eens helemaal over: versneld en daardoor in slow motion is te zien hoe dat amalgaam van beeld, gerucht, gevoelens en wat al niet in elkaar grijpt. Yambo Boldoni weet over zichzelf in dat stadium niet meer dan in het begin – dat is de truc van de roman, waarvoor Eco af en toe stevig moet smokkelen om het geloofwaardig te houden. Eén tegenspraak is niet meteen zichtbaar, juist doordat er zo veel te zien is: omslagen, prenten uit familiebladen, plaatjes uit strips en beeldverhalen, teksten van liedjes met beeld, et cetera. Het eigenaardige is dat zelfs de geleende herinneringen bij Boldoni nauwelijks als beeld werken. Als er in het gemoed van de onderzoeker iets op gang komt, dan is dat net als vroeger eerder door woorden, tekst en namen dan door beeld. De «koningin» van de titel moet het van haar naam hebben, want ze treedt op in een erbarmelijk slecht verteld verhaal, stelt hij nu tot zijn schaamte vast; en ook als verschijning blijkt ze op papier een schim van de erotisch zinderende vlam die in de jongen is gaan gloeien: door haar naam, door de titel van het verhaal en de verbeelding van de puber. Het idee «mysterieuze vlam» heeft alleen in de verte iets te maken met de beelden van de beeldverhalen die in de roman opzichtig aanwezig zijn.

En dan het derde boek: opnieuw worden de hersens van Boldoni geattaqueerd, en hij komt weer bij, áls hij al bijkomt, want hij verkeert in coma: de mist om hem heen is totaal, maar zijn geheugen heeft hij terug en voor dood liggend denkt hij als bezetene. Voorlopig heeft hij een teveel aan herinneringen, zweeft hij in een grenzeloos nu en zijn de herinneringen als een lintworm zonder kop. En juist dit derde boek vind ik persoonlijk het minst interessant, hoewel er van alles wordt verteld: hoe Yambo een heldenrol vervulde bij een reddingsactie van kozakken uit handen van de Duitsers en daarbij hardhandig in aanraking kwam met de dood. En er was (is) de liefde: voor een onbereikbare schone op school – maar, en dat is de clou, ook dat verhaal moet hij goeddeels van een ander, een oude schoolvriend horen. Zelfs het persoonlijke verhaal heeft hij uit de tweede hand, nu en waarschijnlijk indertijd ook al – een enscenering van Cyrano de Bergerac. Als hij op het eind in een visioen haar gezicht zal gaan zien, verandert het geheugen terstond in papier doordat de aanloop erheen bestaat uit enkele pagina’s miserabele adolescentenlyriek. Eco weet wat hij doet – te goed misschien: hij had het op dat punt niet over zijn Aleph moeten hebben, jammer.

Een hele roman over het geheugen en herinneringen, dozen vol schriften en beeldverhalen, maar niet één persoonlijke herinnering, integendeel. Als het waar is wat de flap belooft – «De mysterieuze vlam van koningin Loana is een fascinerende reis door het landschap van Umberto Eco’s jeugdherinneringen» – dan dient de lezer vooral op de aanhalingstekens van deze kenschets te letten.