Umberto Eco waarschuwt voor de gevaren van Facebook

Rome – Italië’s beroemdste professor/bestsellerschrijver Umberto Eco (82) maakt zich grote zorgen over de effecten van internet op het menselijk brein.

Twee jaar geleden waarschuwde de schrijver van De naam van de roos (dertig miljoen exemplaren wereldwijd) al voor een ‘terugkeer naar de Middeleeuwen’ als gevolg van ‘de confettiregen aan willekeurige informatie die over ons wordt uitgestort via het web’.

Het thema blijft hem obsederen. Een jaar geleden zat Eco in zijn woonplaats Milaan met iemand op een terrasje te mijmeren over de noodzaak om de gevaren van het ‘analfabetische gesurf op het net’ nu eens systematisch in kaart te brengen. En dat was de geboorte van het Festival della Comunicazione, dat afgelopen weekend in het schilderachtige plaatsje Camogli aan de kust van Genua werd gehouden. Gastheer Umberto Eco deed de aftrap en hij bleek er de afgelopen twee jaar niet optimistischer op geworden.

Ouderwets achter een tafeltje met een karaf water en een glaasje uitte Eco zijn zorgen over de hedendaagse manier van communiceren en informatie vergaren en ‘de grote gevaren voor de democratie’ die dat oplevert. Meewarig beschreef hij de ‘Facebook-gangers’: ‘Het eerste voorbeeld uit de geschiedenis van de mensheid waarbij vrijwillig al het materiaal voor de spionnen van de geest wordt aangedragen. Sterker: enthousiast wordt aangedragen, want alleen zo voelen ze zich levend, alleen zo voelen ze zich deel van de wereld, de sukkels die hun hele hebben en houwen vrijwillig afstaan aan onbekenden met wie ze zich in contact wanen.’

Een nog veel groter gevaar van het internettijdperk is het verlies aan geheugen en eigen denkkracht, zegt hoogleraar semiotiek Eco. ‘Ik ben in 2008 met pensioen gegaan, maar ik hoor nog wel eens wat uit de universitaire wereld. Studenten zijn – de enkele uitzondering uiteraard daargelaten – niet meer in staat om een college dat ze hebben bijgewoond na afloop uit het blote hoofd samen te vatten. Ze klampen zich vast aan aantekeningen, die, als je ze inziet, schrikbarend zijn. Alles kan na afloop worden nagezocht, denken ze. Maar ze begrijpen niet meer wat er wordt gezegd en hun aantekeningen lijken op die van een kind van tien. De culturele en historische bagage om wat in de collegezaal verteld wordt te vatten, ontbreekt ten enenmale. Geen school kan dit probleem oplossen. De beschikbare informatie klotst door volkomen lege hoofden, het ene oor in, het andere uit. We zijn ons geheugen verloren, en daarmee onszelf.’