Umberto saba onherstelbaar kinderlijk

Umberto Saba, Serene wanhoop. Keuze, vertaling en nawoord van Ike Cialona. Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 64 blz., f32,50
Volgens Oscar Wilde was groen de kleur van de poezie, wat met Ierland, zijn land van herkomst te maken gehad zal hebben. Voor de in Triest wonende Claudio Magris is het blauw, door de blik van de dichter Umberto Saba, die de Adriatische zee volgens hem als geen ander in zijn gedichten heeft geabsorbeerd. Blauw is ook het wonderschone omslag van de bundel Serene wanhoop: gedichten van Umberto Saba die door Ike Cialona werden vertaald.

Misschien is het wel de kleur van de onschuld - zijn niet alle ogen bij de geboorte blauw? Die van Umberto Saba bleven het en de blik waarmee hij de lezer vanaf het omslag aankijkt, is van een zeldzame onbevangenheid. Daar staat hij, groot, kaal en enigszins corpulent, met zijn handen verlegen op zijn rug gevouwen. Het is een foto waar je vaak naar moet kijken als je zijn gedichten leest.
Je bent het niet met hem eens als hij in ‘Bij een portret van mij als kind’ schrijft: 'wat doet het leven ons toch veranderen’. Het matrozenpakje mag dan een kostuum met buikmaat zijn geworden, de ogen van de middelbare man zijn nog steeds 'lief en goed’ en zijn houding is nog steeds 'argeloos onsierlijk’. Je moet weer naar die ogen kijken door de laatste strofe van het gedicht 'Er was’, dat over zijn moeder gaat, hun huis, hun keuken en: 'Er was het jongetje dat nauw geduld werd./ Zijn hoop rees met de vonken uit het haardvuur./ Een enkele is tussen alle sintels / - kijk - blijven branden.’
Zijn moeder was een strenge, ontevreden vrouw, zijn vader een schuinsmarcheerder die al voor zijn geboorte bij haar was weggegaan. Van hem had hij, zo ontdekte Saba toen hij hem op latere leeftijd voor het eerst ontmoette, die blauwe ogen en die 'onherstelbare kinderlijkheid’. In een opzicht was Saba evenwel buitengwoon volwassen: hij nam niemand kwalijk wat er was misgegaan in zijn jeugd. De pijn waar hij aan leed, had met leven te maken. En met een neiging tot dromen die hij zelf als ongezond ervoer.
Saba heeft zijn leven lang aan depressies geleden en ging in 1929, hij was toen 46, in psychoanalyse. Triest was pas sinds de Eerste Wereldoorlog Italiaans, Wenen was nog steeds dichtbij, voor de ideeen van Freud bestond grote belangstelling. Cialona citeert in haar nawoord een brief waaruit blijkt dat Saba zichzelf zijn dichterschap nauwelijks toestond. De hele dag 'met open ogen dromen’ en daarnaast een normaal leven leiden ging hem slecht af. Te vaak was hij alleen lichamelijk aanwezig bij vrouw en kind of in het antiquariaat waar hij werkte.
Hoe vaak zal Saba zich met de schriften waarin hij zijn gedichten opschreef schuldbewust in de achterkamer van zijn winkel hebben teruggetrokken om bezwerende zinnen als 'Zwijgen moet jij, stem uit mijn eigen stem geboren’ en 'laat mij op mijn leven lijken’ te schrijven? Regels vol serene wanhoop: 'En ’t is denken/ aan sterven dat, ten slotte, helpt te leven’. Maar ook gedichten die dooraderd zijn met 'gouden blijdschap’.
Ike Cialona ontdekte enkele jaren geleden diezelfde schriften in dezelfde winkel, zorgvuldig door Saba’s opvolger bewaard in een la. In het antiquariaat is sinds Saba’s dood in 1957 niets veranderd en menig literaire pelgrim heeft met dezelfde manuscripten in handen gestaan. Cialona heeft de door haar gekozen gedichten in facsimile naast de vertalingen laten afdrukken.
Alles aan deze liefdevol gemaakte bundel is mooi. Kortom, een boekje voor breekbare ogenblikken, zoals Kees Fens het in The Gentle Art of Reading zegt. Geen boek om vast te houden maar om in de handen te laten rusten, 'het zwak omvattend, wetend dat de droom kwetsbaar is’.