Toneel: Brecht en Weil

Und jetzt:«De driestuiversopera»!

Het «stuk met muziek» heeft de naam een onding en een lappendeken te zijn, ondanks de briljante liedjes. Toen het Noord Nederlands Toneel «De driestuiversopera» op het repertoire zette, stonden de schouwburgen wel meteen te dringen. Voor Brecht & Weill, vertolkt door cabaretiers.

Het is 22 september, drie weken voor de première. In De Machinefabriek, het Groningse onderkomen van het Noord Nederlands Toneel, is de laatste dag aangebroken van «de week van de waarheid». Na een maand «droog» repeteren in een studio in de Amsterdamse Havens-West, worden spel, zang, dans en muziek samen gevoegd in het kale toneelbeeld en met de exuberante kostuums. Er kan worden bekeken en beluisterd of alles klopt, of het «muntje valt».

Carice van Houten (de bedelaarsdochter Polly) drentelt in haar merkwaardige outfit van aan elkaar geknoopte witte beha’s naar de uiterste punt van de op de vloer afgetekende «loopplank» richting publiek. Met ijle stem en af en toe bikkelharde, keelsnoerende uit halen zingt ze Zeerover Jenny: «Maar op een avond hoort men kreten in de haven/ en men zegt: dat gaat dwars door merg en been/ En dan sta ik stil te lachen bij mijn glazen/ En men denkt: wat lacht die meid gemeen.»

Bij de wereldpremière, op 31 augustus 1928 in Berlijn, viel het muntje op dat moment nog niet. Dat gebeurde op die gedenkwaardige avond drie scriptpagina’s later, bij het Kanonenlied: «Soldaten praten/ met handgranaten/ de taal van de barbaar/ en bij een bleke maan/ zie je de vijand staan/ negers, chinezen, roden/ de moslims of de joden/ dus hak ze voor de zekerheid tot biefstuk tartaar.» Een paar dagen later waren de liedjes van het duo Bertolt Brecht/Kurt Weill Gassenhauer geworden, op elke straathoek gefloten deuntjes. Binnen vijf jaar werd Die Dreigroschenoper over het hele Europese continent zo'n tienduizend keer gespeeld.

In Amsterdam ging het stuk op 12 november 1929 met een topcast in de regie van August Defresne in première bij het Oost-Nederlandsch Tooneel. Locatie: het Centraal Theater, de huidige discotheek iT. Toen vijf jaar later nagenoeg dezelfde troep die uitvoering in de hoofdstedelijke Stadsschouwburg nog eens herhaalde, was De Groene Amsterdammer een stuk minder enthousiast dan na die eerste keer. Criticus Henrik Scholte schreef: «Wij vertoonen thans De driestuiversopera opnieuw en de decadenten en de saloncommunisten onder ons vinden het weer prachtig: wat een heerlijk gevoel om onder literaire geleide in de achterbuurten van den geest uit wandelen te kunnen gaan, wat een genot in de syncopen van de songs weer de hik van den zatten alcoholiker terug te vinden.»

Toen regisseur/schrijver Koos Terpstra een jaar geleden aantrad als artistiek leider van het Noord Nederlands Toneel zat Die Dreigroschenoper in de erfenis van zijn voorganger Evert de Jager. Hij besloot te wachten en deed eerst Becketts Wachten op Godot, met de cabaretiers Peter Heerschop en Viggo Waas (NUHR), Hans Riemens (De Types) en Justus van Oel. Dat avontuur (twee weken repeteren, twee weken spelen) beviel bijzonder goed. Koos Terpstra in een interview: «Acteurs neigen meer naar tekstanalyse, cabaretiers dóen die tekst gewoon en dan merk je hoe geestig Beckett eigenlijk is. Het is pure intuïtie in plaats van psychologisch invullen en dan wordt het stuk vanzelf helder.»

Terpstra «wachtte» tot hij een troep spelers bij elkaar had die Brechts Driestuivers opera op die manier te lijf zouden kunnen gaan, los uit de pols en met de rafels er nog aan. En hij kreeg zijn spelers: Viggo Waas (Mackie Messer), Peter Heerschop (verteller, bedelaar, bendelid), Joep van Deudekom (bendelid en politieman), Han Römer (de bedelaarskoning Jonathan Jeremiah Peach um), Titus Tiel Groenestege (zijn vrouw), Genio de Groot (politiecommissaris «Tiger» Brown), Carice van Houten (Peachums dochter en Mackies vrouw Polly) en Margôt Ros (Jenny, de hoer en Lucy, de dochter van de commissaris, allebei maîtresses van Mackie).

Daarnaast werd een orkest van acht muzikanten geformeerd (onder leiding van Joop van Dijk) naast een groep van acht dansers. Terpstra zelf vertaalde de dialogen van Brecht, Han Römer zorgde voor een geheel nieuwe vertaling/bewerking van de liedteksten. Sanne Danz ontwierp een wit coulissendecor, Tessa Lute maakte kostuums die als kledingstukken eigenlijk totaal onmogelijk zijn. Om dit bij elkaar geraapte zooitje tot een hechte ploeg te masseren, werd regisseur Matthijs Rümke aangezocht, die van vele markten thuis is: artistiek leider bij de jeugdtheaterformatie Artemis, maker van theatrale miniatuurtjes als Rolbrug, acteur geweest bij Maatschappij Discordia, regisseur van de opening van de Amsterdam ArenA, en in het theaterlandschap van de Noordelijke provincies geen onbekende.

Het is 29 september. De dag van de laatste «doorloop» in De Machinefabriek, vlak voor de hele troep een week lang in een theater in Drachten gaat werken aan de «eindmontage». Han Römer draagt zijn masker met zes brillen en zijn veel te ruime jas, Titus Tiel Groenestege probeert te wennen aan zijn hoge schoenen en de hoepeljurk van tafelzeil (met daarop dezelfde appeltjes als waaruit zijn volumineuze papier-maché borsten zijn opgetrokken). Robert Vonkeman schakelt zich een versuffing aan de zendmicrofoon — geluidstechnisch is dit een hondsmoeilijke productie, onder meer door het vage niemandsland tussen op-komen en af-zijn.

Dat is een van de gimmicks van de voorstelling. Nogal wat personages komen op alsof ze vanachter de coulissen het speelvlak op worden geduwd, half onwillig om hun kunstje te komen doen. Joep van Deudekom probeert het orkest een paar keer in de juiste begintune te krijgen via populaire deuntjes («zie ginds komt de stoomboot, maar dan zonder stoomboot»), Peter Heerschop improviseert teksten op de lichtkrant, introduceert steeds een nieuw begin («und jetzt Die Dreigroschenoper») en speelt ook een centrale rol in de reeks finales die het stuk rijk is. De cabaretiers boetseren een extra laag in de voorstelling die hoort bij hun aanwezigheid, vechtend om aandacht, genadeloos commentaar leverend op zichzelf maar vooral op de anderen.

Joep van Deudekom wil eigenlijk de grote manipulator zijn, een rol die in feite Mackie Messer in het stuk voor zich opeist, en neemt vervolgens vanuit alle personages die hij wel speelt wraak op Viggo Maas, die Mackie speelt, tot in de prachtige bijna-ophang-finale aan toe. Regisseur Matthijs Rümke: «Het stuk gaat over de egocentrische mens en eigen belang. We gooien acht acteurs in een verhaal waarin ze zelf ook egocentrisch als mens staan. Er zit een knipoog in: ze moeten dit verhaal zien te spelen in een helwit toneelbeeld dat mensen heel eenzaam maakt, in kostuums die bijna met een dikke kwast zijn opgeschilderd. Tegelijkertijd vechten de acteurs met elkaar om hun zinnetjes en momentjes in het stuk. De sporen van het maakwerk zullen te zien blijven. Onze cabaretiers staan soms in een scène met het gevoel ‹dat kunnen wij leuker› — dat gevecht moet je op het toneel zichtbaar maken.» Rümke weet echter dat wanneer je elkaar op de scène wilt verrassen en als je een ding als De driestuivers opera (die van zichzelf al een parodie is op de opera) wilt parodiëren of op de hak nemen, je dat ding dan wel eerst heel goed moet beheersen. De vertelling moet dus hoe dan ook gespeeld worden. Pas als die staat als een huis mogen de rafels er af worden getrokken, en dat mag dan ook meteen erg grof. Op deze uitputtende middag duurt dát gevecht ruim drieëneenhalf uur. Er zit nog een hoop ruis in.

De samenwerking tussen de shooting star en angry young man onder de Duitse dichters Bertolt Brecht en de componist Kurt Weill startte in 1927 (Brecht was toen 29, Weill 27), toen ze een aantal liedteksten uit Brechts bundel Hauspostille omwerkten tot het Songspiel Mahagonny, dat tijdens het kamermuziekfestival in Baden-Baden een groot succes werd (later zou daaruit hun anti-opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny ontstaan).

In hetzelfde jaar ontdekte Brechts vriendin en medewerkster Elisabeth Hauptmann de Beggars Opera van John Gay uit 1728, een stuk dat in Londen opnieuw was opgevoerd en daar al twee jaar een enorm succes was op het commerciële West End. Hauptmann vertaalde het stuk. Samen verwierpen ze de oorspronkelijke muziek (van ene Pepusch) en besloten op basis van het materiaal een geheel nieuw zangspel te ontwerpen, met als werktitel Gespuis.

De acteur en zakenman Ernst Josef Aufricht vroeg Brecht in maart 1928 om een nieuw stuk waarmee hij zijn theater aan de Berlijnse Schiffbauerdamm kon openen. Na een half jaar intensief werken werd in de zomer van 1928, tijdens een vakantie aan de Franse Rivièra, de laatste hand gelegd aan wat Die Dreigroschenoper zou worden. Op 10 augustus zouden de repetities beginnen. Aangezien Brecht toen al bekend stond als een volstrekt onmogelijke en tirannieke regisseur werd voor de regie een vertrouweling van de dichter aangetrokken, Erich Engel, die al een aantal Brecht-stukken met succes op de planken had gebracht. Elisabeth Hauptmann herinnerde zich, in een in 1972 over haar gemaakte documentaire, nog vrij precies hoe er aan de tekst werd gewerkt: «De actrice Helene Weigel, met wie Brecht net was getrouwd, had op een rommelmarkt een tafelpiano gekocht, wat handig was als Weill er even niet bij kon zijn — ik kon vrij aardig pianospelen. Brecht zelf improviseerde op zijn favoriete muziekinstrumenten, gitaar en banjo. De liedteksten maakten we ’s morgens, Brecht had steeds ontwerpen bij zich, zong regels geïmproviseerd voor, gaf het ritme aan. Verder had hij een soort eigen notenschrift ontwikkeld — hij kon absoluut geen blad muziek lezen — waardoor hij heel snel ook kon laten zien wat hij ongeveer bedoelde. In de middag ging Weill met het materiaal naar huis en werkten wij verder aan de dialogen. Er zijn veel meer songs geschreven dan uiteindelijk in Die Dreigroschenoper terecht zijn gekomen. Zo sneuvelden op zichzelf prachtige, maar voor de handeling onbruikbare liederen als Wenn’s einer Hur gefällt en Ballade von der Traurigkeit der Laster. Tijdens het repeteren is er nog veel meer geschrapt.»

Het verhaal is snel verteld. Centraal staat Mackie Messer, leider van een misdadigersbende in Londen. Hij trouwt met Polly, dit tot groot ongenoegen van haar vader Peachum en diens vrouw, die er een bedelaarswinkel op nahouden waar bedelaars kunnen leren hoe ze medelijden moeten opwekken bij voorbijgangers. Om Mackie Messer te straffen, laat het echtpaar Peachum hem arresteren in de hoerenkast van Jenny, waarna hij tot de galg wordt veroordeeld.

Vooral over de voorziene vorm van deze anti-opera verkneukelden de makers zich op voorhand. Voor de uitvoering van de songs bijvoorbeeld zou een speciale oplossing worden bedacht, los van de dramatische handeling: een neerdalende olielamp boven de zangers, op een verder totaal donker toneel — een oplossing waarover Brecht overigens enorme ruzies kreeg met regisseur Engel, die de liederen in de handeling wilde verwerken. Ruzies vormden sowieso de rode draad door de korte repetitieperiode (drie weken). Elisabeth Hauptmann: «Men kan zich nu niet meer voorstellen hoe nieuw alles indertijd was. We hadden echte acteerkanjers en mooie zangers in de troep, zoals Harald Paulsen (Mackie) en Rosa Valetti (mevrouw Peachum), die al veel gezongen hadden en cabaretervaring hadden. Maar ja, een lied zingen en daarvoor úit de rol stappen, dat was ongehoord. De spelers zeiden steeds: dat dóe je toch niet!»

Carola Neher, die Polly zou spelen, vertrok na vier dagen repetities naar Davos, waar haar man, de dichter Klabund, op sterven lag. Toen ze terugkwam was er al zoveel veranderd dat ze niet meer wilde spelen, wát Brecht en regisseur Engel ook probeerden. Vier dagen voor de première werd haar rol uiteindelijk overgenomen door de jonge, onbekende Roma Bahn. Rosa Valetti (mevrouw Peachum) schold aanhoudend op «dat rotstuk». Ze weigerde Die Ballade von der sexuellen Hörigkeit te zingen («Ik doe niet mee aan pornografie» — het lied is op de première ook niet gezongen) en tekende in het geheim alvast een contract met een beroemd Berlijns cabaretgezelschap, ingaande de eerste september 1928, de dag na de première van Die Dreigroschenoper. Ze was ervan overtuigd dat de geplande voorstellingenserie precies die ene avond zou duren.

Beroemd is ook de anekdote over de Mackie-vertolker Harald Paulsen, een ijdele operetteacteur die een effectvolle eerste opkomst wilde en daartoe een sjiek kostuum kocht. Theaterdirecteur Aufricht schrok zich een ongeluk («die man ziet eruit als mijn publiek op de eerste rij, maar hij is een misdadiger, dat kan helemaal niet») en Bertolt Brecht kreeg een van zijn beruchte woede aanvallen. Dit soort acteurs kon hij helemaal niet uitstaan. Uiteindelijk maakte hij van de nood een deugd. Tegen regisseur Engel zei hij: «Laten we die man maar zo charmant laten. Weill en ik maken iets waardoor hij een schertsmoordenaar wordt, we laten zijn schandalige daden in een introducerend lied bezingen, dan is de uitwerking van dat maffe kostuum des te griezeliger.» Zo ontstond de evergreen over Mackie Messer: Und der Haifisch, der hat Zähne/ Und der tragt er im Gesicht.

De generale repetitie op 30 augustus 1928 duurde tot vijf uur in de ochtend. Iedereen was de middag daarna, tijdens een snelle doorloop, volledig gesloopt, wat het aantal ruzies echter niet verminderde. De rijdende bode van de koning, die moest zorgen voor een onverwacht «happy end», moest en zou te paard opkomen. Het neppaard was die middag pas klaar, en het werkte niet goed. Theaterdirecteur Aufricht keurde het af: «Ik wil geen kindertoneel.» Brecht: «Het paard komt er, of het stuk wordt niet gespeeld», en hij trok het dier met een stralende lach persoonlijk het toneel op. De theaterdirecteur won alsnog: de bode kwam uiteindelijk te voet op.

Vlak voor de première begon componist Kurt Weill, een mens met een engelengeduld, opeens te schelden. Zijn vrouw Lotte Lenya was men in het programmablad vergeten te vermelden. Lenya zelf kalmeerde haar man. Zij voelde aan haar water dat ze met haar rol van Jenny goud in handen had en toch wel zou opvallen — wat klopte: haar vertolking van de hoerenmadam in met name haar duet met Mackie, Die Zuhälterballade («de ballade van de pooier») werd de hemel in geprezen. De première van Die Dreigroschenoper, waar vanaf de eerste minuut ongeveer alles misging wat mis kon gaan (achter het toneel scholden de acteurs om beurten op het onding: «Na, so eind Durchfall!») werd het grootste succes in het Berlijnse theater van de jaren twintig. Elisabeth Hauptmann: «Het premièrepubliek reageerde over de hele linie tamelijk zuur. Toen de volgende dag de juichende kritieken verschenen, waren we allemaal zeer verbaasd, verbijsterd eigenlijk.»

Het stuk liep bijna een jaar in Berlijn. Carola Neher was een van de eersten die «achter» kwam om te feliciteren, en om langs haar neus weg te informeren hoe lang het contract van haar vervangster liep. Bij de reprise, in mei 1929, speelde zij Polly Peachum. Herbert Ihering schreef in de Berliner Börsen-Courier: «Im Mittelpunkt die Polly Peachum von Carola Neher. Aus einer manchmal drolligen, manchmal matten Zufallsschauspielerin war eine witzige, genaue, prägnante Darstellerin geworden. Sie spielt mit einer zauberhaften Mischung von Ironie und Besorgnis.»

Het is 7 oktober, precies één week voor de première. De tweede try-out met publiek in theater De Lawei in Drachten. De eerste was succesvol maar volgens regisseur Matthijs Rümke braaf, veel te keurig. Vanavond gaan de spelers op met de basisopdracht om elkaar te verrassen, waar mogelijk zelfs te tarten en te treiteren.

De volle zaal heeft veel plezier, de opdracht werkt slechts zeer gedeeltelijk. De eerste drie kwartier lijken eindeloos te duren. Er vallen veel pauzes die nergens op slaan, er wordt niet «aangesloten». Peter Heerschop improviseert met de lichtkrant («Cyprus-Nederland: 0-4») maar dat soort grappen slaan soms eerder dood dan dat ze het spel verlevendigen, ruis te midden van luchtverplaatsingen. Vlak nadat Joep van Deudekom (in de rol van politieman Smith) Viggo Waas (Mackie) in de «gevangenis» heeft gemarteld en afgeperst, verlaten twee dames nogal opzichtig de zaal. De cabaretiers laten het zwijgend gebeuren. Daarna eerst Viggo: «Volgens mij zijn we nu echt te ver gegaan.» Joep: «Het was niet echt hoor, dat martelen.» Peter (nadat de zaaldeur met een klap sluit): «Zo, nu zijn we weer onder elkaar.» De sfeer na afloop onder de spelers is dof, moe, gelaten. Overheersende mening: op deze manier gaat het dus niet, we moeten wel het verhaal blijven vertellen. Het wordt nog een week zeer hard werken.

Op zondagavond 15 oktober, de avond na de officiële première, blijkt dat dit harde werken zich bij wijze van spreken cash op de speelvloer laat uitbetalen. In de Groningse Stads schouwburg (overigens qua intimiteit bijna een kopie van het theater aan de Berlijnse Schiff bauerdamm, waar de wereldpremière plaatsvond) zijn de spelers deze avond ook doodop (voornamelijk van het uitbundige premièrefeestje). Sommigen openen hun optreden zelfs uitgesproken schor. Maar de schwung en de vaart zitten er helemaal in. Carice van Houten gaat dwars door merg en been (zoals Zeerover Jenny belooft); Margôt Ros is weergaloos in haar hilarische, geheel buiten Brecht om geïmproviseerde tassenvrouwtje, en tot tranen toe ontroerend als Jenny; Viggo Waas is strak en hard als Mackie; Joep van Deudekom en Peter Heerschop sjezen met grappen en sidelines dwars door alle theaterverwachtingen heen; Han Römer en Titus Tiel Groenestege (het echtpaar Peachum) lijken zich als een vis in dit troebele water te bewegen; Genio de Groot trekt «Tiger» Brown op tot een prachtig pauzenummer.

De acht dansers overstijgen verre het niveau van het showballet. Ze vertellen een eigen verhaal en leggen een stevig fundament onder de flauwekulscènes uit de derde akte (waarin Brecht probeerde zijn kromme plotlijnen alsnog recht te breien). En dat orkest van Joop van Dijk, dat is zijn gewicht tien keer in goud waard, zo ongepolijst en rauw als ze die noten en ritmes en maatwisselingen en verspringingen van Kurt Weill als toonschilders op het maagdelijk witte speelvlak kwakken en smijten. Zonder meer een grote kwaliteit van deze vertoning is de grimmige, onheilspellende atmosfeer ervan; ieder greintje sympathie met wie dan ook wordt onmiddellijk afgebroken, elke hang naar ontroering krijgt een ferme trap na.

Het is Brechts «Dickicht der Städte», de jungle van de crisismetropolen die we hier ongenadig ingepeperd krijgen. En let op mijn woorden, in de moordende reeks van vijftig voorstellingen die deze ploeg, door regisseur Matthijs Rümke tot een theatertroep met een warme hartenklop gesmeed, nog voor de boeg heeft, gaat die voorstelling rauwer en harder worden, niet gepolijst of «op mooi». Brecht zou er grimmig om hebben gelachen, Weill zou erop zijn gaan swingen en Koos Terpstra kan tevreden zijn: zijn verlangen naar anarchistisch, energiek en betekenisvol «Theatervergnügen» wordt door deze voorstelling meer dan bevredigd.

De driestuiversopera is tot oudejaarsdag overal in het land te zien. Speellijsten en inlichtingen: Noord Nederlands Toneel, 050-3113388 (telefoon), 050-3113141 (fax), info
nnt.nl (email).