Unisono verstaanbaar

Sanneke van Hassel, Nest. € 16,90

Na zo'n twintig pagina’s Nest dringt de vraag zich al hinderlijker op: wat lezen we nu eigenlijk? Een volwassen roman of een boek voor young adults, zoals dat de laatste jaren opgang doet, en dan ook nog eens eentje van de bravere soort?
Nest is het romandebuut van Sanneke van Hassel, die eerder furore maakte met haar beide verhalenbundels. Ook wierp zij zich op als pleitbezorgster van het in haar ogen ondergewaardeerde literaire genre ‘het korte verhaal’. Nu dan toch een roman, zij het een roman in stukken, zou je kunnen zeggen. Het verhaal wordt verteld vanuit zo'n tien verschillende gezichtspunten, die telkens gemiddeld twee bladzijden worden volgehouden. In theorie zou dit een verrijkend, uitwaaierend effect op de vertelling kunnen hebben. In de praktijk lijkt het alsof we tegen een stijloefening aan zitten te kijken.
Ik zit te piekeren waaraan dat nu vooral ligt: het verhaal op zich, de constructie van de perspectiefwisseling, of de taal. Waarschijnlijk werken de tekortkomingen op al deze drie fronten versterkend op elkaar. Eerst dan maar het verhaal. De zestienjarige Julia is zwanger en wil niet zeggen van wie. Ze komt uit een welgesteld milieu, het soort milieu waar zo'n zwangerschap vooral een schande is die verborgen gehouden moet worden voor de buitenwacht. En dus wordt Julia tegen haar zin in afgevoerd naar familie in Zwitserland, alwaar ze geacht wordt het kind onmiddellijk na geboorte af te staan.
Tot zo ver de dramatische kern, een drama met niet zozeer tijdloze als wel vooroorlogse allure. Ook de schets van het kakkineuze milieu, compleet met tuinierende buurvrouw en oudere huisarts die tevens familievertrouweling is, heeft iets vreemd losgezongens van het hier en nu. Ik weet niet of Van Hassel dit milieu van binnenuit kent, maar ze wekt niet de indruk. Alle personages zijn wandelende clichés, weggelopen uit een vergeeld prentenboek. Vader drinkt en gaat vreemd, moeder kloekt en is neurotisch, de hond van de huisarts heet Elvira, en de Zwitserse tante (mevrouw P.J.M. barones van der Does de Willevoorde, voor intimi 'Pietie’) strooit met Franse termen. Uit een mail van haar aan Julia’s moeder, Belia: 'Ik moet de laatste tijd vaak aan Mammie denken. Zelfs in moeilijke tijden bleef zij opgewekt, ondanks alle uitstapjes van Pappie. Laat haar gedrag een voorbeeld voor je zijn. Soyez courageux!’ Van Hassels roman roept heimwee op naar de televisieserie Oud geld, met een hoofdrol voor blonde lobbes Estelle - immer glanzend geborsteld, beklopt en bepoteld - waarin eenzelfde soort milieu een stuk levensechter en ook nog eens met humor werd neergezet.
De constructie van de perspectiefwisseling onderstreept het schetsmatige van de personages. Van zo'n tien types dus krijgen we de blik op de werkelijkheid voorgeschoteld. Behalve Julia’s vader en moeder zijn dat haar zus, de reeds genoemde huisarts, de buurvrouw en buurman, de tante, de bevruchter en nog een paar mensen iets meer in de periferie. Dramatisch gezien leveren al die perspectiefwisselingen niets op, want alle personages zien hetzelfde. Hakt vader met hulp van een stel Polen een boom om in zijn tuin, dan ziet werkelijk íedereen hem dit doen. Geen mens die de andere kant op kijkt, omdat hij wel wat beters te doen heeft of net op de wc zit. Als een glas omvalt op tafel krijgen we die gebeurtenis vanuit minstens drie paar ogen voorgeschoteld, en dan ook nog eens pal na elkaar. De enige die geen stem heeft is het lijdend object, de zwangere Julia, wat een cliché op zich is, de hoofdfiguur die wordt uitgespaard, net als het feit dat zij die stem pas op het eind zal krijgen.
Note to self: nu iets positiefs zeggen. Nest is immers geen halsmisdaad. Ik besef ook dat juist omdat Van Hassel haar sporen heeft verdiend de lat voor een roman van haar hand misschien hoger wordt gelegd. Ik weet niet helemaal zeker hoe dit werkt. Want ook als debuutroman had ik dit waarschijnlijk een suf en mager geheel gevonden. De uitgebeende taal van Van Hassel, die op z'n best in haar beide verhalenbundels suggestieve kracht had, heeft in de uitgesponnen context van de roman vooral veel weg van het befaamde Jip & Janneke-proza. Simpele, doodgewone zinnen, die al te vaak niet eens zinnen zijn, maar exclamaties. 'De stam in moten.’ 'De koude tegels in de hal.’ 'Veenbessen voor in de kalkoen.’ Proza dat de schrijfster zich denkt te kunnen veroorloven vanwege de directe rede waarin ze haar roman zich laat ontrollen, zonder tussenkomst van een verteller. Die eentonige staccato-stijl irriteert al snel, omdat ze al haar personages zo laat denken/spreken, als tastende kippen, vol kleine menselijke zorgjes. Unisono verstaanbaarheid tot gevolg. De enige niet eenduidig functionele figuur is de trompettist, met wiens perspectief de roman begint. Hij zou de dissonant in het geheel moeten zijn, denk ik. Licht en tegelijk droevig, helder en zacht, als zijn muziek. Maar ook zijn blik vangt slechts het voorspelbare: 'We keken de laan in, naar de leilindes, de statige gevels, het busje van een hoveniersbedrijf.’
Alleen Julia mag onduidelijk voor zich uit mompelen, in een soort delirium. In de lyrische apotheose heeft zij de vloer, en voor het eerst is het niet helemaal helder wat er gebeurt. Maar dan is het eigenlijk ook al te laat. Het rookgordijn dat Van Hassel opeens optrekt, vormt alleen nog maar een hinderlijk contrast met het voorafgaande. Alsof de schrijfster niet goed wist hoe het verhaal te beëindigen.

SANNEKE VAN HASSEL
NEST
De Bezige Bij, 190 blz., € 16,90