Essay De ware universalist

Universalisme, relativisme en barbarisme

Waarom zijn de Nederlandse intellectuelen tegenover de blanke onderklasse zo tolerant en vergevingsgezind? Waarom tonen ze voor de aanhang van Wilders zo oneindig veel ‘begrip’? Vermoedelijk vanwege een onuitroeibaar relativisme als het om de ‘eigen soort’ gaat.

IN HET VOORJAAR VAN 1985 maakte ik deel uit van een groep jonge, linkse studenten, die allemaal een gekke herkomst hadden: Suriname, Antillen, Brabant, Zuid-Afrika. Door de week lazen we de Volkskrant, maar op zaterdagen kwamen we bijeen in de gemeenschappelijke keuken van mijn studentenflat om de columns, cursiefjes soms, van Abram de Swaan in NRC Handelsblad te verslinden. De Swaan schreef over de grote dingen, over wereldbeelden, over culturen en beschavingen. Later werden ze gebundeld onder de titel Het lied van de kosmopoliet (Meulenhoff, 1987), en ieder van ons heeft nog een beduimeld exemplaar in de kast staan.
Volgens De Swaan had onze academische vorming ons tot relativisten gemaakt, mensen die geen oordeel over anderen durfden te vellen en overal maar ‘begrip’ voor konden opbrengen. En hij riep ons op ons te bekeren tot het universalisme.
Let wel: in Nederland heerste toen het no-nonsensetijdperk van Ruud Lubbers. Er werd drastisch bezuinigd op onderwijs en wat indertijd 'welzijn’ werd genoemd. Minister Elco Brinkman van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur had de heilige taak om flink te snoeien in de subsidies voor minderhedenorganisaties en etnische instellingen en evenementen. De multiculturele samenleving werd toen al 'mislukt’ verklaard, zij het niet met die woorden en niet uit ideologische motieven. De zorg voor immigranten was Nederland domweg te duur geworden.
Sowieso was het culturele klimaat in Nederland aan het veranderen: de vrolijke jaren zestig, de geest van openheid, eigenzinnigheid, vrijheid en wereldsheid waren definitief tot een eind gekomen. Tegen de kruisraketten was massaal gedemonstreerd, maar dat was een laatste zucht 'Hollanditis’, zoals de Hollandse dwarsheid werd genoemd.
In deze sfeer van rechtse arrogantie en kapitalistische hoogmoed kwam De Swaan met zijn stukjes over de noodzaak van het universalisme.

OM HET UNIVERSALISME ALS IDEAAL wereldbeeld te kunnen poneren, moest De Swaan eerst het relativisme diskwalificeren. Het relativisme, zei hij, is de regel dat je je eigen normen niet kunt opleggen aan mensen die andere normen hanteren. Als ze doen aan kannibalisme, clitoridectomie of weduweverbranding zullen zij daar hun eigen redenen voor hebben. Wij zullen die redenen vanuit onze cultuur niet kunnen begrijpen, en wij mogen ze daarom niet bekritiseren.
We schrokken nogal van de bijna demagogische manier waarop De Swaan zijn stelling kracht probeerde bij te zetten. Wij hadden geleerd dat het relativisme een wetenschappelijke methode was, een manier van observeren, als een 'fly on the wall’, zoals dat heet. Als onderzoeker neem je enkel zorgvuldig waar en probeer je de eigenaardigheden van andere volkeren zo afstandelijk mogelijk te beschrijven, zonder zelf een oordeel te vellen. Het was de mode van die tijd om te proberen patronen en structuren te vinden. Als de vrouw bijvoorbeeld een ruilmiddel, of beter: een gift is om verwantschappelijke banden aan te halen met andere groepen, brengt het teruggeven van die vrouw na de dood van haar echtgenoot (en eigenaar) schade aan die banden en kan ze beter met de dode eigenaar worden meegegeven.
Het is een afschuwelijke beschrijving van de weduweverbranding, maar antropologen zagen het als hun wetenschappelijke opdracht zich te onthouden van emoties of waardeoordelen. De antropologie ging immers niet over goed en kwaad, zij probeerde slechts regelmatigheden en de daaraan ten grondslag liggende opvattingen te ontdekken.
De Swaan viel deze wetenschappelijke afstandelijkheid hard aan: hij hield een pleidooi voor betrokkenheid, voor verontwaardiging en boosheid, hij wilde het oordeel van de waarnemer horen, en dan niet in een voetnoot, maar in de tekst zelf. De antropologische beschrijving moest een aanklacht worden, een politiek statement.
De Swaan was zijn tijd ver vooruit, want reeds in 1985 schreef hij letterlijk dat hij niet bereid was zich te onthouden van een oordeel over de islam, ook al beschikte hij alleen over clichébeelden van deze cultuur, en hij besloot het stukje met de woorden: 'Sidder Khomeini.’
Dat was in een tijd waarin iemand als Michel Foucault de islamitische omwenteling in Iran toejuichte als 'de revolutie met de blote vuisten’, en Salman Rushdie de ayatollahs had verdedigd, omdat zij een eind hadden gemaakt aan de verschrikkelijke wreedheden van de Savak, de geheime dienst van sjah Mohammed Reza Pahlavi.
Pas vier jaar na De Swaans oproep om Khomeini te laten sidderen, in plaats van hem het voordeel van de twijfel te geven, zagen de rest van de Nederlandse intellectuelen het licht. Want toen op 14 februari 1989 de fatwa tegen Rushdie werd uitgesproken, vanwege zijn blasfemische roman De duivelsverzen, brak fel protest uit. Het universalisme werd ineens alom omarmd. En dat is sindsdien zo gebleven.
Het universalisme dat Abram de Swaan in zijn columns bepleitte, kwam neer op de stelling dat we als intellectuelen de plicht, de beschavingsopdracht hebben de mensenrechten te verdedigen, waar ook ter wereld. Dat klinkt vandaag de dag nogal obligaat, omdat iedereen de mensenrechten verdedigt, maar dat was in de jaren zestig en zeventig, toen De Swaan zelf nog studeerde, wel anders: de linkse, antikoloniale intellectuelen hadden decennialang de ogen gesloten voor grove mensenrechtenschendingen in de Derde Wereld, omdat die het gevolg zouden zijn van legitieme bevrijdingsoorlogen. Men wist wel dat Che Guevara verantwoordelijk was voor massa-executies in Cuba, maar dat was een tijdelijk exces, en lang niet zo erg als de onderdrukking tijdens het door Amerika gesteunde regime van Batista.
De Swaan zei dus eigenlijk: mensenrechten zijn mensenrechten en niemand had het recht ze te schenden, ook al was je opstandeling of vrijheidsstrijder.
Maar daar liet De Swaan het niet bij: hij analyseerde dat de westerse beschaving de enige beschaving was die haar eigen bestrijding heeft geformuleerd en uitgedragen. 'Het kapitalisme is westers, het imperialisme ook, maar het antikapitalisme en het anti-imperialisme zijn net zo goed westers’, schreef hij.
De antikoloniale strijders gebruikten westerse ideeën als 'nationalisme’ en 'zelfbeschikking’ om het Westen te weerstaan. Ergo: het Westen is alleen te bestrijden door te verwestersen.
Voor het groepje studenten waarin ik verkeerde, was het even slikken. Klonk hier niet heel zachtjes door dat het Westen superieur was ten opzichte van andere culturen? Als we kritiek hadden op het Westen, waren we automatisch verwesterd.
Het is een dubbele binding, verzuchtte De Swaan: hoe meer we ons verzetten tegen het opgaan in de westerse cultuur, hoe westerser we ons eigenlijk gedroegen. Een manier waarop we ons verzetten tegen de volledige assimilatie in het Westen was het verstevigen van onze groepsidentiteiten. En daar kregen we vervolgens subsidie voor, schreef De Swaan sarcastisch. Moslimorganisaties die op grond van de godsdienstvrijheid bij het ministerie van Welzijn aanklopten, creoolse organisaties die subsidie aanvroegen om het Kwakoe-festival te organiseren, Hindoestanen die op grond van de mediawet een eigen omroep begonnen: ze gebruikten westerse middelen, om te zeggen dat ze niet bij het Westen wilden horen.
Maar, voorspelde De Swaan: dat benadrukken van de groepsidentiteit was maar van tijdelijke aard. Vroeg of laat zou die verwestersing zo ver doordringen dat de leden kritiek zouden uiten op hun voorgangers, de zelfbenoemde leiders en de zaakwaarnemers. Ze zouden uit hun groepen stappen en uiteindelijk zelfstandige, vrije individuen worden. Al die niet-westerlingen, het was hun noodlot om uiteindelijk te veranderen in westerlingen.

IK KAN NIET ONTKENNEN dat dit in het groepje studenten in de gemeenschappelijke keuken van mijn studentenflat tot grote beroering leidde. Er waren Surinamers die uit sentimentele redenen liever bij de Surinaamse, of desnoods Afrikaanse of Indiase culturen wilden horen dan bij de westerse. Maar juist dat sentiment werd door De Swaan loepzuiver doorgeprikt, als zijnde slechts een sentiment. De harde waarheid was: wij zijn allen westerlingen. Tegen wil en dank.
In de discussies in de gemeenschappelijke keuken stond ik nogal alleen. Natuurlijk was het krenkend om te horen dat het Westen superieur was aan India of Afrika, maar zeg eens eerlijk: hoe is het gesteld met de positie van vrouwen in India en homo’s in Afrika? Het was de Rushdie-affaire die mijn gelijk aantoonde. Niemand in de groep kon tolereren dat een romanschrijver met de dood werd bedreigd vanwege een beetje plagerigheid tegenover de islam. En inderdaad: langzaam werden we allemaal steeds meer universalist en steeds minder relativist. We erkenden het feit dat de bestrijding van allerlei culturele uitwassen voortkwam uit een westerse manier van denken. We waren westerlingen geworden. Ik had de discussie in mijn groepje gewonnen.
Om die langzaam weer te verliezen.
Want steeds vaker dook in de kranten een nieuwe term op: niet-westerse allochtoon. Allochtoon kenden we: het was in 1971 bedacht als eufemisme voor immigrant, of gastarbeider, of buitenlander, of vreemdeling. Het klonk technisch en de overheid hoopte dat dit zo zou blijven. Maar het werd in de volksmond al snel een scheldwoord. En daar kwam dan 'niet-westers’ bij.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek ontdekte namelijk dat de meeste mensen die als allochtoon moesten worden bestempeld, als zijnde niet geboren op Nederlands grondgebied en niet van Nederlands bloed, Duitsers waren. Er moest een naam worden verzonnen voor niet-Europese allochtonen, en men kwam met niet-westerse allochtonen; volgens de definitie iedereen uit Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Surinamers en Antillianen niet uitgezonderd, ook al waren die geboren op Nederlands grondgebied. Ze waren niet van Nederlands bloed. Indische Nederlanders daarentegen worden beschouwd als westerse allochtonen. Amerikanen en Canadezen uiteraard ook. Om de een of andere reden zelfs Japanners. Al die anderen zijn niet-westerlingen.
Dit betekent slechts één ding: dat Nederland een raciaal onderscheid maakt tussen blanken en dat overgrote deel van de mensheid: de niet-blanken. Als je gekleurd bent, ben je een niet-westerling, zo bepaalt het Koninkrijk der Nederlanden. Populisten sinds Pim Fortuyn hoefden daarna niet veel moeite te doen om dit geïnstitutionaliseerde racisme voor politieke doeleinden te gebruiken: er is in Nederland immers een wettelijk, zo niet beleidsmatig onderscheid tussen blanken en niet-blanken. Enkel door de toevoeging 'niet-westers’.
We zijn en blijven niet-westerlingen, zeggen mijn vrienden uit de gemeenschappelijke keuken nu smalend: waar blijf jij met je universalisme en De Swaans noodzaak tot verwestersing? Dat universalisme, zeg ik dan zwakjes, heeft zich niet doorgezet. De Swaan zag het universalisme als een beschavingsopdracht, maar die is beperkt gebleven tot niet-westerlingen. Westerlingen, lees: blanken, waren kennelijk automatisch beschaafd, daar hoefde niets aan bekritiseerd of veroordeeld te worden. Je hoort niet: 'Sidder Wilders.’ Terwijl we duidelijk een culturele klasse ontwaren van onbeschaafde blanken, die we de onderklasse noemen en die zich gedraagt als een nieuwe etnische groep. Maar tegen hen zegt niemand: ga je bevrijden, breek los van je groep, bekritiseer je voorganger en je zelfbenoemde leider, word een zelfstandig denkend individu.
Ik zei al: het klinkt zwakjes. Waarom hebben de Nederlandse intellectuelen zich niet met evenveel verve geworpen op de onbeschaafdheid onder westerlingen? Waarom hebben ze zich niet harder ingezet om hun achterlijkheid te bestrijden, door hun onderwijskansen en daarmee hun economische kansen te vergroten? Waarom zijn de Nederlandse intellectuelen tegenover de blanke etnische groep zo mild, tolerant en vergevingsgezind? Waarom tonen ze voor de aanhang van Wilders zo oneindig veel 'begrip’? Ik vermoed iets vreselijks: vanwege een onuitroeibaar relativisme als het om de 'eigen soort’ gaat. Je kunt kennelijk inderdaad een cultuur alleen begrijpen vanuit die cultuur zelf. Daarom begrijpt Paul Scheffer de noden van de onbeschaafde en half geletterde blanken. Daarom neemt Joost Zwagerman het zo fel voor ze op. Daarom heeft elke politieke partij iemand in een denktank zitten die roept dat men de taal van de gewone man moet spreken en moet laten zien hem te begrijpen. In plaats van Henk en Ingrid te willen opvoeden en verheffen, wil men compassie en deernis voor ze tonen. Dat is geen universalisme, dat is het relativisme waar Abram de Swaan zo tegen gestreden heeft.
Eenzelfde soort relativistische terughoudendheid merk je bij 'gematigde moslims’ als er weer een dreiging is van moslimradicalen, of als Marokkaanse jongeren zich weer eens overgeven aan vandalisme. Slechts enkelen, zoals Ahmed Marcouch en de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb spreken zich dan uit. Maar de overgrote meerderheid van moslimintellectuelen zwijgt. Het is die zwijgzaamheid die pijnlijk is. Er is voldoende kritiek van Nederlandse intellectuelen op Geert Wilders zelf. Maar het gaat niet om Wilders, die is maar een handige politicus die gebruik maakt van het bestaan van een grote klasse blanken die onbeschaafde, zeg maar gerust barbaarse gedachten koestert jegens de niet-westerlingen. Een waar universalist beperkt zich niet tot een stevig oordeel over de onbeschaafdheden in andere, verre en vreemde culturen. De ware universalist treedt tegen elk barbarisme op. Ook als het zich in de 'eigen cultuur’ voordoet.

MAAR HET FEIT DAT WESTERSE intellectuelen weigeren westerse barbaren te bestrijden, lost mijn probleem niet op: hoe een westerling te worden in een land dat mij van staatswege bestempelt tot niet-westerling. En mijn kinderen, zelfs mijn kleinkinderen. Want dat wordt nu voorgesteld, om ook de derde generatie 'allochtonen’ allochtonen te blijven noemen. Mijn kinderen zijn één keer in Suriname geweest, voor twee weken. Het beviel ze maar matig. Ze zijn zo westers als Abram de Swaan zich maar wenste. Ze zullen zich nooit beroepen op hun 'Surinaams zijn’ en ze zullen het niet in hun hoofd halen om eisen te stellen in Nederland op grond van wat De Swaan 'het etnische ressentiment’ noemt: de neiging van Surinamers om steeds maar weer genoegdoening te eisen, op grond van driehonderd jaar kolonialisme en slavernij. Dat etnische ressentiment is nu terechtgekomen bij de blanke onderklasse die, in de woorden van Wilders, klaagt over het feit 'dat de allochtonen hier maar komen en zich voortplanten’. Het blank-etnische ressentiment: hoe zou ik dat moeten bestrijden als de overheid mij wegzet als een buitenstaander door mij het etiket niet-westers op te plakken?
Want dat is de werkelijke dubbele binding: dat we westerlingen willen zijn, Nederlanders zelfs, maar tot ver in deze eeuw zullen worden buitengesloten als niet-westerlingen, als allochtonen, als buitenstaanders.