Brusseprijs

Universele mensenwensen

Op de avond van 5 augustus 1981 stappen op het strand van Qui Nhon zo’n zestig mensen in het vissersbootje NB 1010 van Hung. Hung kent ze nauwelijks. ‘Op het laatste moment komt er nog een drijvend mandje met een vrouw, haar zus en twee baby’s’, schrijft hij later over zijn tocht. Schipper Hung laat zijn hoogzwangere vrouw, die niets weet van zijn vlucht, en zijn kinderen achter. Hij doet het voor hen, deze gok wagen, omdat hij geen toekomst meer ziet in het communistische Zuid-Vietnam. Eerder zat hij al maanden in een strafkamp vanwege een eerdere vluchtpoging, desondanks probeert hij het opnieuw.

Hung weet ook dat de kans dat hij het niet haalt groot is, een op de drie Vietnamese bootvluchtelingen op de Zuid-Chinese zee sterft door honger, dorst of verdrinking. Eigenlijk gaat het al direct mis. In de baai krijgt hij maar een klein deel van het door hem bestelde water, de rijst en brandstof, wel klimmen er nog een paar mensen illegaal mee aan boord. Op zijn smokkelbootje zitten nu 63 vluchtelingen, onder wie veel kinderen, in het ruim, bij de motorcabine, op het dek, bij de mast. De volgende ochtend blijkt het kompas niet te werken, op dag twee valt de motor uit, de derde dag steekt een enorme storm op en worden ze als een kurkje op de metershoge golven op en neer geworpen. Zonder hulp zijn ze ten dode opgeschreven.

Het is verhalend een prachtig idee: hoe liep het met de 63 vluchtelingen van dat ene bootje af? In zijn boek Wanneer het water breekt gaat de Vlaamse journalist en schrijver Chris De Stoop hiernaar op zoek. Hij volgde jarenlang het leven van Hung die uiteindelijk in het Vlaamse Wichelen – ‘Wichelen was nog een christelijk, landelijk dorpje dat hem omarmde, wiegde, op de schoot nam’ – terechtkwam, zijn dochter Quyên die in Brussel het restaurant Little Asia oprichtte, en spoorde ook een groot deel van de andere opvarenden op. Die ene boot als metafoor voor alle Vietnamese bootvluchtelingen, maar ook voor vluchtelingen die nu op bootjes de Middellandse Zee oversteken en net als de Vietnamezen te maken krijgen met smokkelaars, verkrachtingen, push backs, volgestouwde vluchtelingenkampen en gesloten grenzen. De Stoop vertelt de verhalen van de opvarenden gefragmenteerd, telkens weer een stukje van het verloop van de boottocht, kunstig gecomponeerd vanuit wisselend vertelperspectief. Hij gaat met hen terug naar Vietnam, vertelt over de geschiedenis, en hun overwegingen om te vluchten – ‘Nooit zouden ouders hun kinderen de zee op sturen als het water hun niet veiliger leek dan het land’, zegt Hung ergens – en over hoe het ze nu vergaat, over hun successen, worstelingen en heimwee. In het begin is het verhaal soms wat verwarrend, maar telkens komt De Stoop terug, als baken in een woelige zee, bij die ene boottocht die voor alle opvarenden nog steeds centraal staat in hun leven.

De Stoop neemt je mee naar de stank en angst op de boot, de twijfels van Hung

Nadat 26 schepen het dobberende bootje hebben genegeerd, zien ze op de negende dag weer een stipje aan de horizon. In de loop van de jaren hadden meer en meer eigenaren van rederijen het hun kapiteins verboden vluchtelingen op te pikken. Het kostte dagen vertraging – ‘Tijd kost geld, was het devies’, zoals de radio-officier De Stoop later vertelt – en steeds minder landen wilden de vluchtelingen opnemen. Als ze al iets deden, beperkte het zich tot het geven van wat water en voedsel, om ze vervolgens weer aan hun lot over te laten. Om te voorkomen dat ook dit schip voorbij zou varen, besluiten twee mensen in een mandje naar de cargo, met ‘E.R. Brugge’ op de kiel, toe te peddelen. Pas als België toezegt de vluchtelingen op te zullen nemen, mogen ze aan boord.

Nog steeds verzorgen de opvarenden van de NB 1010 het graf van de kapitein van de cargo als dank voor hun redding. Mooi is dat De Stoop ook een paar bemanningsleden van het vrachtschip spreekt, over de reddingsactie, maar ook over wat dit heeft gedaan met hún levens. Het heeft een officier zo aangegrepen dat hij de schroef van de NB 1010 thuis aan de muur heeft hangen. De wens om mensen in nood te helpen, is universeel, zo laat zijn verhaal zien. Net als de drang om te vluchten als je leven op het spel staat. ‘Universele mensenwensen’, noemt broeder Phap het.

Heel af en toe verwijst De Stoop expliciet naar de huidige vluchtelingenproblematiek, naar de reddingsschepen die zijn verdwenen, naar de duizenden doden op zee. Het tekent zijn engagement, maar hij analyseert verder niet, hij is vooral de verteller die de lezer meeneemt naar Vietnam, naar de eethuisjes, de straatgeluiden, naar de stank en angst op de boot, de twijfels van Hung in Wichelen, de heimwee van Quyên. Hij maakt van anonieme vluchtelingen weer mensen. Dat maakt het boek ook relevant voor het heden.