Het doodsverlangen in Tristan en Isolde

Universele zelfvernietigingsdrang

De opera «Tristan en Isolde» is een verleidend, verlokkend en levensbedreigend werk. Juist dat laatste zou de reden kunnen zijn voor het succes dat het beleeft in Japan, een land dat iets heeft met doodsverlangen. Maar er is meer.

Klokslag middernacht, vier kilometer boven Siberië, schakel ik via de cd-speler over op het Liefdesduet uit Richard Wagners Tristan und Isolde. Het is extase in optima forma, in 1952 gedirigeerd door de gelouterde en gelauwerde Wagner-specialist Wilhelm Furtwängler, die even later aan een verwaarloosde bronchitis zou sterven. Geheel in de geest van het kunstwerk dat reeds sinds zijn première in 1865 in het teken staat van dood en verderf. «Nun banne das Bangen holder Tod, sehnend verlangter Liebestod.» Het is, vooral als men gedurende de kleine uurtjes boven Boeriat-Mongolië zweeft, een fascinerende bladzijde in de operaliteratuur. Een klassiek, zij het schaars, voorbeeld van erotiserende muziek, althans voor diegenen die hiervoor gevoelig zijn.

In zo'n slapend vliegtuig, door duisternis omgeven, luistert men met extra gescherpte oren. In feite beperkt deze erotiek, merk ik, zich eigenlijk tot het zinnelijk broeien in de orkestbak en is het samenspel van de beide hoofdfiguren een 45 minuten durend filosofisch traktaat over het doodsverlangen als plaatsvervangend zingenot. Het is een en al zinnenprikkelende sublimatie: «So stürben wir um ungetrennt, ewig einig ohne End, ohn’ Erwachen, ohn’ Erbarmen, namenlos in Lieb’ umfangen…» Met andere woorden, eigenlijk hebben de jonggelieven niets overspeligs in de zin

Zij willen alleen maar dood

Tristan en Isolde, het is een even beroemd als morbide liefdespaar. Ik turf in de marge van het tekstboek het aantal stervensverwijzingen. Het zijn er 22, waarbij met name Tristan het niet bij woorden laat. In de loop van het drama zal hij drie maal een zelfmoordpoging ondernemen, de laatste keer met succes.

Ik ben op weg naar Japan, de natie waar suïcide wordt gepleegd met de routine waarmee men naar de kapper gaat. «Soll ich lauschen? Lass mich sterben!» Ik spoel mijn laatste sushi weg met een laatste slokje Chablis, zet Tristan en Isolde in de wacht en sukkel genoeglijk in slaap.

Het is geen toeval dat de roman waarin Gabriele d'Annunzio op Tristan en Isolde reflecteert Il trionfo della morte heet, een boek waarin de beide helden zich boven het klavieruittreksel van de opera op een gezamenlijke zelfmoord voorbereiden. De Tristan is — weten wij — niet alleen verleidend en verlokkend, maar tevens levensbedreigend, en in elk geval ten zeerste ongeschikt voor de opgroeiende jeugd. «Mevrouw!», sprak de pianoleraar Pfühl uit Thomas Manns Buddenbrooks. «Dit speel ik niet. Ik ben uw dienstwillige dienaar, maar dit speel ik niet. Dit is geen muziek…Gelooft u mij toch… Ik heb mij altijd verbeeld iets van muziek te begrijpen. Dit is de chaos! Dit is demagogie, godslastering en waanzin! Dit is geparfumeerde walm, waarin het bliksemt. Dit is het einde van alle moraal in de kunst. Ik speel het niet! Vergeeft u mij, mevrouw, dat ik zo openhartig spreek. U honoreert mij, u betaalt mij sinds jaar en dag voor mijn diensten… en ik leef onder bescheiden omstandigheden. Maar ik leg mijn ambt neer als u mij dwingt tot deze goddeloosheden… En het kind; daar zit het kind in zijn stoel! Het is zachtjes binnengekomen om muziek te horen. Wilt u zijn geest dan helemaal vergiftigen?»

Richard Wagners opera kan bogen op een rijke partituur. Niettemin, de overspannen perspectieven waarin het werk is geplaatst zijn enkel en alleen te verklaren in het bijna hysterische decor van de romantiek, waarbij Wagner bepaald niet geneigd was een matigende rol te spelen. «Kind!» schreef hij aan zijn muze Mathilde Wesendonck, «deze Tristan wordt iets verschrikkelijks! De laatste acte! Ik ben bang dat de opera verboden wordt — of hij moet door een slechte uitvoering het aanzien van een parodie krijgen — alleen middelmatige uitvoeringen kunnen mij redden! Een geheel geslaagde uitvoering moet de mensen gek maken — ik kan mij niet anders voorstellen.»

Tien juni 1865. Première van Richard Wagners Tristan und Isolde. De broederlijke vriend van de componist, de Beierse koning Ludwig II, zit vechtend tegen zijn tranen in de loge. De rollen van Tristan respectievelijk Isolde worden gezongen door het echtpaar Ludwig en Malwina Schnorr von Carolsfeld. Ludwig, de tenor, identificeerde zich zodanig met zijn tragische rol dat hij zich complete bossen haar uit het hoofd rukte. In de derde acte ging hij zo tekeer dat er uiteindelijk drie volwassen mannen aan te pas moesten komen om hem in bedwang te houden. De wetenschap is het er nog niet over eens of er een oorzakelijk verband bestaat, maar het is in elk geval een feit dat de gevoelige zanger drie weken na de eerste voorstelling onder de verzuchting «Richard? Hoor je mij?» overleed. Het heeft jarenlang gegolden als het doorslaggevende bewijs van het feit dat het participeren in Wagners opera’s eigenlijk levensgevaarlijk is.

Ik was er door ervaren Japan-kenners reeds op voorbereid dat mij een cultuurschok wachtte. Daar had ik de schouders over opgehaald. Zo snel valt, meende ik, de moderne westerling (noch de eigentijdse oosterling) niet te schokken. Ik wist, in Tokio zei men «hai» in plaats van «ja» en bij het serveren van de garnalencroquet wordt een beleefde buiging gemaakt. De krant kun je er niet lezen en de televisie vertoont veel zwaarlijvige mannen die elkaar de adem proberen te benemen door met het volle gewicht op de tegenstander te gaan zitten. Maar voor de rest? De Japanners maken auto’s die geen slechtere reputatie hebben dan de westerse Volvo of Mercedes en op mijn Sony-draai tafel ligt, terwijl ik deze woorden schrijf, een Japanse cd-persing van liederen van Johannes Brahms, gezongen door de mezzosopraan Mitsuko Shirai, een kunstenares tegen wie geen westerse bleekscheet, uit Wenen of uit Oostkapelle, op kan.

Het vervoer per limousine van het vliegveld naar mijn onbetaalbare hotel blijkt perfect te zijn geregeld. Het is even schrikken dank zij al die wolkenkrabbers die over de onvoorbereide kijker heen tuimelen. Dan wordt de reisbagage door het buigende hotelpersoneel naar de elfde etage getrans porteerd. Met kinderlijk genoegen inspecteer ik het interieur van de hotelkamer. De wc-bril is aangenaam verwarmd, in het bad is het mogelijk te bubbelen en op de televisie brengt een lokale kunstenares Mozarts motet Exulate jubilate ten gehore aan een zaal vol applaudisserende landgenoten. Dol zijn zij hier op ons, nee, niet op u en mij, maar op onze culturele leidslieden: Mozart en Schubert, Richard Wagner, Johann Strauss en Richard Strauss.

Een vliegreis van elf uur benevens het tijdsverschil van acht uur laat niemand onberoerd. Dus naar bed, in dit geval met de jonge, hoogst aantrekkelijke Alma Mahler. Zij was, zo wordt door haar pas verschenen dagboeken bevestigd, een zinnenprikkelende hysterica, van kop tot kont vervuld van doodsverlangen. «Wie zal mij uit dit labyrint verlossen? Alleen de dood!» Of als alternatief Richard Wagners meest romantische opera, de grote troosteres van alle jonge meisjes met onbestemde, ondefinieerbare gevoelens. «Het is een onsterfelijk werk, dat me zo in alle staten brengt dat ik het liefst zou willen huilen. Er bestaat maar één opera, mijn Tristan.»

Het straatbeeld vertoont een verheffende en tegelijkertijd enigszins benauwende zindelijkheid. Jonge en wat minder jonge zakenlieden spoeden zich, met paraplu, naar het nabijgelegen metrostation, waar zij nog een haastige sigaret roken en de as keurig in de afvalbak deponeren. Ik had mij enigszins verheugd op het klassieke beeld van een trein waarin de passagiers sardinegewijze door metropersoneel-met-witte-handschoenen in de compartimenten zouden worden geperst. Het tafereel blijft mij helaas bespaard.

De metro naar Ginza, Tokio’s winkel- en uitgaanswijk, is even rustig als de boemel van Holland Spoor naar Scheveningen. Ginza is, zo was mij bij de voorbereidingen van mijn reis verzekerd, het gedeelte van de Japanse hoofdstad waar de rijken paraderen. Rijk is in Japan zéér rijk, zij het wat minder rijk dan in het recente verleden. Sinds in 1990 de aandelenkoersen zijn ingestort, haalt zelfs de Japanse zakenman zijn broekriem aan.

De hostesses in de bars lazen vroeger het Japans Economisch Dagblad, verneem ik, om ’s avonds met hun klanten over de stijgende aandelenkoersen te kunnen praten. Het is verleden tijd. De gesprekken gaan nu — elders in de stad, zonder zinnenstrelende perspectieven — over faillissementen en herstructureringen. Nergens is de zelfvernietigingsdrang groter dan in het puissant rijke Japan. Bij bosjes storten de gecompromitteerde zakenlieden zich van hun wolkenkrabbers. Het triumviraat van een firma van auto-onderdelen had zich onherstelbaar in de schulden gestoken. Zij huurden drie kamers in een plaatselijk hotel. Eerst dronken de mannen een rustig glas bier in de hotelbar. Te gepaster tijd trokken zij zich terug. Om precies zes uur ’s morgens hingen zij zich ge drieën op aan het witte ceintuur van hun respectieve kimono’s.

Allicht dat Wagners Tristan und Isolde in Japan zo populair is, met Puccini’s Madam Butterfly (de geisha Cio-cio-san wordt verlaten door de corrupte Amerikaan Pinkerton en pleegt daarop met welluidende sopraan harakiri) als goede tweede.

Ik koop, ergens ondergronds, een verse tandenborstel. Van de tegenwaarde kan men zich in Nederland een wortelkanaalbehandeling permitteren. De prijzen in Japan zijn zonder meer spectaculair. Een glas bier kost twintig gulden. Voor een bakje rijst met wat vlees betaalt men moeiteloos honderd à honderdvijftig. Wilt u graag de tempels bezichtigen in Kioto, de stad die in tegenstelling tot Tokio in de periode 1941-1945 niet grotendeels werd verwoest? Voor het treinkaartje v.v. wordt de Japanse tegenwaarde van zevenhonderd gulden gevraagd. Wat ik per nacht verslaap durf ik niet eens in vaderlandse guldens terug te berekenen, teneinde mij de verleiding te besparen het hotelraam te openen en in de richting van de verlossende patio te springen.

Een paar metrostations verder bevindt zich het theater waar ik een paar dagen later de Salzburger enscenering van de Tristan zal bijwonen, met Claudio Abbado in de orkestbak ten overstaan van de Berliner Philharmoniker. Ik neem alvast een kijkje in de hal. Er is een soort souvenirstand waarin dezelfde rotzooi wordt verkocht als in alle operahuizen waar ook ter wereld: Mozart in marsepein, Callas als boekenlegger, Wagner als sleutelring. Aan de muur hangen de affiches waarop wordt aangekondigd wat de liefhebbers allemaal te wachten staat. Ik ben verbluft. Die mensen importeren, koste wat het kost, de complete Europese cultuur. De Wiener Staatsoper exporteert Léhars Lustige Witwe. De Metropolitan Opera brengt Strauss’ Rosenkavalier. De Tsjechen komen met Don Giovanni. De Nationale Opera van Sofia komt met Puccini’s Turandot, een kunstwerk dat men toch eerder met de verboden stad in Peking dan met het asfalt en beton van Tokio associeert.

Wat sluimert er achter die in westerse ogen zo ondoorgrondelijke façades? Hoe komt het dat er in Nederland geen twee rijen toeschouwers te vinden zijn voor het Wakakusayamani Yaki-voorjaarsfestival, terwijl men tegelijkertijd aan gene zijde van de aardbol bereid is om 65 duizend yen (ongeveer 1500 gulden) te betalen voor een voorstelling van Richard Wagners Tristan und Isolde, bepaald een opera die hoge eisen aan de kijkers en luisteraars stelt, met name die niet in het Europese gedachtegoed gepokt en gemazeld zijn?

Tijd voor een hapje. De sukayaki van Seiyo Food Systems Inc. (03/3592/2765) kan ik iedereen aanbevelen. Roken verplicht! Om de hoek bevindt zich een van de weinige tempels die de oorlog zonder schade hebben doorstaan. De jonge tot wat minder jonge zakenlieden beklimmen de trappen en smeken, voor iedereen zichtbaar, de godheid — de Zen, de Dzjodo, de Sdjinsjoe, hetzij de Nitchiren — buigend de zegen af. En even moet ik denken aan Gérard Mortier, de toenmalige directeur van de Brusselse Munt, die mij ooit in de pauze van zijn eerste Tristan heeft uitgelegd dat het volstromen van de operahuizen alles te maken heeft «met het in een navenant tempo leegstromen van de kerken».

De theorie gaat in elk geval niet op voor het even gelovige als cultuurhongerige Japan, een land dat geen behoefte heeft aan een deconfessioneel alternatief en waar de kaarten voor de aanstaande drie voorstellingen van Tristan und Isolde binnen een uur waren uitverkocht.

Ik spoor terug en overdenk het spanningsveld tussen de beide culturen. Iedereen in de metro zit of staat te lezen. God mag weten wat, misschien is het wel de recente Japanse vertaling van Conny Palmens De wetten. Als het Concertgebouw een Japanse dirigent over de vloer krijgt, is de reactie meestal voorspelbaar. Het publiek, waaronder veel Japanse bankiers en kantoorbedienden, is enthousiast. De recensenten vinden daarentegen dat de Japanners de materie «een dimensionaal» benaderen, want zij staan immers niet in de «westerse traditie». Het is inderdaad mogelijk dat Gustav Mahlers Auferstehn wirst du! in Wenen beter, authentieker klinkt dan in Assen of Osaka.

Niettemin houd ik niet zo erg van de borstklopperij over onze «westerse traditie» die er uiteindelijk op neer komt dat die Oost-Aziatische exoten er eigenlijk beter aan zouden doen om de cultuur van het Avondland aan ons, eurocentristische boerenpummels, over te laten. Maar waarom zouden ze? Ik heb nog nooit horen klagen over de wijze waarop al die Japanners zich in het Concertgebouworkest weren op het moment dat er een Mahler, Bruckner of desnoods een Wagner op de lessenaars staat. In elk geval hebben de Japanners een groter vermogen zich in onze cultuur in te leven dan wij in de hunne. Ooit gehoord van een shamisen-specialist uit het Hidagebergte die eigenlijk uit Bloemendaal afkomstig is?

Een herdersuurtje met voornoemde Alma Mahler, wat altijd een speciale attractie is. Zij was mooi en rijk, in heel Wenen begeerd — en niettemin verslaafd aan de dood als de dronkaard aan de fles. «Het water glinsterde en glansde, het lokte me, het lonkte en stroomde zo speels van de stuwdam af dat ik maar één verlangen had: me erin te werpen en er nooit meer uit te komen — «Versinken, ertrinken, unbewusst, höchster Lust…»

Ondertussen kijk ik met een half oog naar de parlementaire zelfmoordpoging van de liberale dissident Koichi Kato, die kracht dadige pogingen doet minister-president Yoshiro Mori ten val te brengen. Het is een vreemde ervaring. Je verstaat geen woord, maar begrijpt precies wat er aan de hand is. Verrukt volg ik het betoog van het Mori-getrouwe parlementslid Kenshori Matsunami, die geen enkele poging doet om zijn minachting voor de rebellenclub onder stoelen of banken te steken. Wat doet hij? Hij pakt het glas sprekerswater en schudt dat uit over de verhitte koppen van de oppositionele elementen. Dan maakt hij zo'n klassieke, Japanse buiging in de richting van de voorzitter van het parlement, om daarna weer zijn zetel in te nemen. Het is een perfecte mixture van conventie en aanvalsdrift, zoals je die eigenlijk alleen in de vrijstaat Beieren aantreft. «Mit Verlaub, Herr Kollege, sie sind ein Arschloch.»

Een tv-station verder wordt het Stabat Mater van Pergolesi uitgezonden in een geheel Japanse bezetting, op die ene bleekneuzige, van elders geïmporteerde bas-bariton na. Ik grabbel ondertussen een krantenknipsel te voorschijn over de tandarts Seji Kojima, praktijkhoudende in de kapitaalkrachtige Ginza-wijk. Hij probeert de klassieke, Japanse waarden in ere te houden. «Maar zijn kinderen kijken een andere kant op. Zijn dochter doet dit jaar toelatingsexamen voor een conservatorium met als specialisatie het klassieke Europese lied. Ook zijn zoon zingt klassiek Europees. En gaat naar een katholieke middelbare school.»

Plotseling weet ik het antwoord op de vraag die eigenlijk niet zo moeilijk was. Ja, waarom hebben de Japanners meer verstand van ons dan wij van hen? Omdat hun op de universiteit wordt onderwezen wie Goethe was en hun op het conservatorium aan het verstand wordt gebracht dat Mozart een universeel kunstenaar is geweest, die te veel betekent om in een eurogecentreerd ghetto te worden opgeborgen. Er is geen sprake van een geheimzinnig gen, dat via duistere kanalen in Japanse schedels is aangebracht zodat zij plotseling vlekkeloos Brahms’ Vier ernste Gesänge ten gehore kunnen brengen. Het is geen kwestie van imitatie of annexatie of reproductie. Het is een kwestie van opvoeding en beschaving, niets meer en niets minder.

Is het geen ongeëvenaarde luxe om op een willekeurige donderdagavond, op tienduizend kilometer afstand van het Waterlooplein, te midden van tweeduizend Japanners een voorstelling van Tristan und Isolde bij te mogen wonen, met de Berliner Philharmoniker, sowieso een van ’s wereld toporkesten? Verzaligd zak ik weg in mijn parterrezetel à ƒ 1500,- in het vaste voornemen in geen der drie bedrijven weg te dommelen, want zoiets kost je toch al gauw ƒ22,50 per minuut. Diep in mijn hart weet ik echter: dit keer gaat het niet om het kunstwerk, maar om de pauze van het kunstwerk, het halfuur waarin ik een nadere poging kan doen de culturele diepten van de Japanse ziel te doorgronden.

Op het podium gaat ondertussen ieder een zijn routineuze gang. Isolde bruskeert Tristan. Tristan beledigt Isolde, totdat de kamenierster Brangäne hun de doods drank offreert, die eigenlijk een liefdes drank is.

«Tristan!»

«Isolde!»

«Treuloser Holder!»

«Seligste Frau!»

Het publiek verschilt in feite niets van de liefhebbers in New York of Wenen, behalve dat het een maatje kleiner is. Andermaal zien wij: de wereld van de bohême en de haute finance kent inmiddels geen grenzen meer. Meneer eet een sandwich Forestier. Mevrouw stopt haar camera in een tas van Harrods Knightsbridge. Gedisciplineerd wachten zij op hun glas champagne. Keurig brengen zij dit champagneglas na gebruik weer terug. Om vervolgens het tweede anderhalf uur te ondergaan van een over gecompliceerde opera die men overal zou verwachten, behalve in de hoofdstad van het land van de rijzende zon.

De handeling wordt hervat. Tristan en Isolde praktiseren de fatale vrijage die hun het leven zal kosten. Zieltogend ligt Tristan op zijn rots, in de hoop dat de gealarmeerde Isolde hem dankzij haar verpleegsterservaring nog redden zal.

Te laat!

Applaus. Bravogeroep naar Milanees model. Zakken en halen. Een Japans meisje geeft Isolde de eerste bos bloemen, die hiervoor met een genadig knikje bedankt. Brangäne krijgt de tweede. Het meisje buigt. De zangeres buigt terug. Het is een emotionerend moment. De twee culturen streefden er tot voor kort naar hun diverse steden naar het stenen tijdperk terug te bombarderen. Nu, vijftig jaar laten, celebreren zij gezamenlijk, in alle vrede, een werk van Richard Wagner; een politieke blindganger, zij het een groot kunstenaar, wiens ideologische dwaalwegen inmiddels in het moeras zijn gestrand.

Zo is het uiteindelijk tóch allemaal nog goed gekomen, de ongelukkige gebeurtenissen in de gemeenten Hiroshima en Bayreuth ten spijt. Een mens moet weten te vergeten en te vergeven. Hooggestemd spoor ik in de richting van het hotel. Nog één glaasje beaujoulais primeur à ƒ47,50 en dan ga ik lekker met de Vliegende Hollander naar bed.