Tristan en Isolde

Universele zelfvernietigingsdrang

In 2000 reisde Martin van Amerongen naar Japan in het kielzog van een Tristan en Isolde-productie door de Berliner Philharmoniker. Zijn verslag leest als een Lost in Translation avant la lettre. De opera Tristan en Isolde is een verleidend, verlokkend en levensbedreigend werk, schrijft Van Amerongen, en juist dat laatste zou de reden kunnen zijn voor het succes dat het beleeft in Japan, een land dat iets heeft met doodsverlangen. Maar er is meer.

lokslag middernacht, vier kilometer boven Siberië, schakel ik via de cd-speler over op het liefdesduet uit Richard Wagners Tristan und Isolde. Het is extase in optima forma, in 1952 gedirigeerd door de gelouterde en gelauwerde Wagner-specialist Wilhelm Furtwängler, die even later aan een verwaarloosde bronchitis zou sterven. Geheel in de geest van het kunstwerk dat reeds sinds zijn première in 1865 in het teken staat van dood en verderf. ‘Nun banne das Bangen holder Tod, sehnend verlangter Liebestod.’ Het is, vooral als men gedurende de kleine uurtjes boven Boeriat-Mongolië zweeft, een fascinerende bladzijde in de operaliteratuur. Een klassiek, zij het schaars, voorbeeld van erotiserende muziek, althans voor diegenen die hiervoor gevoelig zijn.

In zo’n slapend vliegtuig, door duisternis omgeven, luistert men met extra gescherpte oren. In feite beperkt deze erotiek, merk ik, zich eigenlijk tot het zinnelijk broeien in de orkestbak en is het samenspel van de beide hoofdfiguren een 45 minuten durend filosofisch traktaat over het doodsverlangen als plaatsvervangend zingenot. Het is een en al zinnenprikkelende sublimatie: ‘So stürben wir um ungetrennt, ewig einig ohne End, ohn’ Erwachen, ohn’ Erbarmen, namenlos in Lieb’ umfangen.’ Met andere woorden, eigenlijk hebben de jonggelieven niets overspeligs in de zin.

Zij willen alleen maar dood.

Tristan en Isolde, het is een even beroemd als morbide liefdespaar. Ik turf in de marge van het tekstboek het aantal stervensverwijzingen. Het zijn er 22, waarbij met name Tristan het niet bij woorden laat. In de loop van het drama zal hij drie maal een zelfmoordpoging ondernemen, de laatste keer met succes.

Ik ben op weg naar Japan, de natie waar suïcide wordt gepleegd met de routine waarmee men naar de kapper gaat. ‘Soll ich lauschen? Lass mich sterben!’ Ik spoel mijn laatste sushi weg met een laatste slokje Chablis, zet Tristan en Isolde in de wacht en sukkel genoeglijk in slaap.

Het is geen toeval dat de roman waarin Gabriele d’Annunzio op Tristan en Isolde reflecteert Il trionfo della morte heet, een boek waarin de beide helden zich boven het klavieruittreksel van de opera op een gezamenlijke zelfmoord voorbereiden. De Tristan is – weten wij – niet alleen verleidend en verlokkend, maar tevens levensbedreigend, en in elk geval ten zeerste ongeschikt voor de opgroeiende jeugd. ‘Mevrouw!’ sprak de pianoleraar Pfühl uit Thomas Manns Buddenbrooks. ‘Dit speel ik niet. Ik ben uw dienstwillige dienaar, maar dit speel ik niet. Dit is geen muziek – Gelooft u mij toch – Ik heb mij altijd verbeeld iets van muziek te begrijpen. Dit is de chaos! Dit is demagogie, godslastering en waanzin! Dit is geparfumeerde walm, waarin het bliksemt. Dit is het einde van alle moraal in de kunst. Ik speel het niet! Vergeeft u mij, mevrouw, dat ik zo openhartig spreek. U honoreert mij, u betaalt mij sinds jaar en dag voor mijn diensten – en ik leef onder bescheiden omstandigheden. Maar ik leg mijn ambt neer als u mij dwingt tot deze goddeloosheden – En het kind; daar zit het kind in zijn stoel! Het is zachtjes binnengekomen om muziek te horen. Wilt u zijn geest dan helemaal vergiftigen?’

Richard Wagners opera kan bogen op een rijke partituur. Niettemin, de overspannen perspectieven waarin het werk is geplaatst zijn enkel en alleen te verklaren in het bijna hysterische decor van de romantiek, waarbij Wagner bepaald niet geneigd was een matigende rol te spelen. ‘Kind!’ schreef hij aan zijn muze Mathilde Wesendonck, ‘deze Tristan wordt iets verschrikkelijks! De laatste akte! Ik ben bang dat de opera verboden wordt – of hij moet door een slechte uitvoering het aanzien van een parodie krijgen – alleen middelmatige uitvoeringen kunnen mij redden! Een geheel geslaagde uitvoering moet de mensen gek maken – ik kan mij niet anders voorstellen.’

10 juni 1865. Première van Richard Wagners Tristan und Isolde. De broederlijke vriend van de componist, de Beierse koning Ludwig II, zit vechtend tegen zijn tranen in de loge. De rollen van Tristan respectievelijk Isolde worden gezongen door het echtpaar Ludwig en Malwina Schnorr von Carolsfeld. Ludwig, de tenor, identificeerde zich zodanig met zijn tragische rol dat hij zich complete bossen haar uit het hoofd rukte. In de derde akte ging hij zo tekeer dat er uiteindelijk drie volwassen mannen aan te pas moesten komen om hem in bedwang te houden. De wetenschap is het er nog niet over eens of er een oorzakelijk verband bestaat, maar het is in elk geval een feit dat de gevoelige zanger drie weken na de eerste voorstelling onder de verzuchting ‘Richard? Hoor je mij?’ overleed. Het heeft jarenlang gegolden als het doorslaggevende bewijs van het feit dat het participeren in Wagners opera’s eigenlijk levensgevaarlijk is.

Het vervoer per limousine van het vliegveld naar mijn onbetaalbare hotel blijkt perfect te zijn geregeld. Het is even schrikken dankzij al die wolkenkrabbers die over de onvoorbereide kijker heen tuimelen. Dan wordt de reisbagage door het buigende hotelpersoneel naar de elfde etage getransporteerd. Met kinderlijk genoegen inspecteer ik het interieur van de hotelkamer. De wc-bril is aangenaam verwarmd, in het bad is het mogelijk te bubbelen en op de televisie brengt een lokale kunstenares Mozarts motet Exulate jubilate ten gehore aan een zaal vol applaudisserende landgenoten. Dol zijn zij hier op ons, nee, niet op u en mij, maar op onze culturele leidslieden: Mozart en Schubert, Richard Wagner, Johann Strauss en Richard Strauss.

Een vliegreis van elf uur benevens het tijdsverschil van acht uur laat niemand onberoerd. Dus naar bed, in dit geval met de jonge, hoogst aantrekkelijke Alma Mahler. Zij was, zo wordt door haar pas verschenen dagboeken bevestigd, een zinnenprikkelende hysterica, van kop tot kont vervuld van doodsverlangen. ‘Wie zal mij uit dit labyrint verlossen? Alleen de dood!’ Of als alternatief Richard Wagners meest romantische opera, de grote troosteres van alle jonge meisjes met onbestemde, ondefinieerbare gevoelens. ‘Het is een onsterfelijk werk, dat me zo in alle staten brengt dat ik het liefst zou willen huilen. Er bestaat maar één opera, mijn Tristan.’ Zij was mooi en rijk, in heel Wenen begeerd – en niettemin verslaafd aan de dood als de dronkaard aan de fles. ‘Het water glinsterde en glansde, het lokte me, het lonkte en stroomde zo speels van de stuwdam af dat ik maar één verlangen had: me erin te werpen en er nooit meer uit te komen – “Versinken, ertrinken, unbewusst, höchster Lust”.’

Is het geen ongeëvenaarde luxe om op een willekeurige donderdagavond, op tienduizend kilometer afstand van het Waterlooplein, te midden van tweeduizend Japanners een voorstelling van Tristan und Isolde bij te mogen wonen, met de Berliner Philharmoniker, sowieso een van ’s werelds toporkesten? Verzaligd zak ik weg in mijn parterrezetel à 1500 gulden in het vaste voornemen in geen der drie bedrijven weg te dommelen, want zoiets kost je toch al gauw 22,50 per minuut. Diep in mijn hart weet ik echter: dit keer gaat het niet om het kunstwerk, maar om de pauze van het kunstwerk, het halfuur waarin ik een nadere poging kan doen de culturele diepten van de Japanse ziel te doorgronden.

Op het podium gaat ondertussen iedereen zijn routineuze gang. Isolde bruskeert Tristan. Tristan beledigt Isolde, totdat de kamenierster Brangäne hun de doodsdrank offreert, die eigenlijk een liefdesdrank is.

‘Tristan!’

‘Isolde!’

‘Treuloser Holder!’

‘Seligste Frau!’

Het publiek verschilt in feite niets van de liefhebbers in New York of Wenen, behalve dat het een maatje kleiner is. Andermaal zien wij: de wereld van de bohème en de haute finance kent inmiddels geen grenzen meer. Meneer eet een sandwich Forestier. Mevrouw stopt haar camera in een tas van Harrods Knightsbridge. Gedisciplineerd wachten zij op hun glas champagne. Keurig brengen zij dit champagneglas na gebruik weer terug. Om vervolgens het tweede anderhalf uur te ondergaan van een overgecompliceerde opera die men overal zou verwachten, behalve in de hoofdstad van het land van de rijzende zon.

De handeling wordt hervat. Tristan en Isolde praktiseren de fatale vrijage die hun het leven zal kosten. Zieltogend ligt Tristan op zijn rots, in de hoop dat de gealarmeerde Isolde hem dankzij haar verpleegsterservaring nog redden zal.

Te laat!

Applaus. Bravogeroep naar Milanees model. Zakken en halen. Een Japans meisje geeft Isolde de eerste bos bloemen, die hiervoor met een genadig knikje bedankt. Brangäne krijgt de tweede. Het meisje buigt. De zangeres buigt terug. Het is een emotionerend moment. De twee culturen streefden er tot voor kort naar hun diverse steden naar het stenen tijdperk terug te bombarderen. Nu, vijftig jaar laten, celebreren zij gezamenlijk, in alle vrede, een werk van Richard Wagner; een politieke blindganger, zij het een groot kunstenaar, wiens ideologische dwaalwegen inmiddels in het moeras zijn gestrand.

Zo is het uiteindelijk tóch allemaal nog goed gekomen, de ongelukkige gebeurtenissen in de gemeenten Hiroshima en Bayreuth ten spijt. Een mens moet weten te vergeten en te vergeven. Hooggestemd spoor ik in de richting van het hotel. Nog één glaasje beaujolais primeur à 47,50 gulden en dan ga ik lekker met De Vliegende Hollander naar bed. ¶