Universele zwembadindrukken

Vlinderslag, Zuiderbad, Hobbemastraat 26, Amsterdam. Van 19 augustus tot en met 24 september.
Vraag een gemiddelde Nederlandse schrijver naar een verhaal over of met een zwembad, en hij of zij komt op de proppen met de ervaringen van een klein jongetje. En inderdaad, hoewel ik nog maar zelden zo'n chloorbad bezoek, bij binnenkomst voel ik me onmiddellijk tientallen centimeters korter en activeren mijn vijf zintuigen heldere herinneringen van een elfjarige.

Een kwart eeuw geleden liep ik wekelijks in een uitgelaten gezelschap naar het zwembad. De herinnering bestaat uit verschillende beelden: het wachten in het voorportaal, het stribbelen met jongetjes om onder de fontein te mogen zitten, het Land der Meisjes dat zich aan de andere kant van het bad bevond, en de altijd norse, hoog optorenende badmeester en badjuf.
Ik zat op de Zuiderschool, in Amsterdam-Zuid, en het bad was het Zuiderbad, een van de oudste overdekte baden van Nederland. Het kwam twee keer flink in het nieuws: in 1961, toen Jehova’s getuigen zich er massaal lieten dopen, en eind jaren zeventig, toen de exploitant vanwege de concurrentie van het De Mirandabad het bijltje erbij neergooide. De gemeente nam de exploitatie over en het Zuiderbad wordt sindsdien druk bezocht, behalve tijdens de zomerse schoonmaak- en opknapbeurt.
Deze week is het bad weer opengegaan, ditmaal verrijkt met een tiental kunstwerken, die zich even onopvallend in en rond het water ophouden als een stiekeme meisjesknijper of een handdoekdief. Een van de kunstenaars, Jacqueline Verhaagen, bedacht bij haar regelmatige bezoeken een concept en zocht daar negen anderen bij, die zich moesten laten inspireren door water, zwemmen of zwembad.
Het resultaat is een helaas wat korte reeks verdekt en verspreid opgestelde werken, die een flink deel bestrijken van het spectrum van universele zwembadindrukken. De graffiti in de badhokjes bijvoorbeeld; Giny Vos voorzag zeven kapspiegeltjes van zowel Killroy-kreten als dichtregels, die op gezette tijden digitaal verschijnen. Uit de onderwaterluidsprekers, bedoeld om kunstzwemsters hun pirouettes een beetje in de maat te laten draaien, laat de geluidskunstenaar Peter Zegveld uiteenlopende vogelgeluiden klinken. Het is dus absoluut noodzakelijk om je in zwemtenue te hijsen en kopje-onder te gaan. Voor de negen ovale, holle spiegels van Jacqueline Verhaagen moet je zelfs onder water je ogen open houden. Door het glinsterende metaal word je de diepte ingelokt en zwemt je reflectie je van de andere kant tegemoet.
Gelukkig zijn ze van mijn fontein afgebleven. En de badhokjes waren al zachtgeel met roze gordijntjes. In het kledingrek ernaast hangen zestig pakken in verschillende kleuren tule. Bij nadere beschouwing blijken het mensenhuiden voor te stellen, met handen en voeten, een lugubere ingreep die het zonnige en gewichtloze effect onmiddellijk beschaamt. Het is het sterkste effect in een door zijn terughoudendheid goed werkende presentatie.
Aan de meeste werken zullen de regelmatige bezoekers voorbijgaan, blind als ze zijn voor onbekende voorwerpen buiten hun huiselijke omgeving. Aan het kunstminnend publiek de uitdaging om zich onopvallend, dus ontkleed, tussen de badgasten door te bewegen tot ze de tien kunstwerken hebben afgewerkt.
Bij de tentoonstelling is een boekje verschenen met korte verhalen van schrijvers als Dirk van Weelden, Tom Lanoye en Adriaan Morrien. De zwembadgalm, de niet passende zwembroek, het gluren naar naakte lichamen, de lichtreflectie op het water, de verplichte douches en de broze intimiteit van de kleedhokjes, alles wat kleine jongens meemaken, is door de kunstenaars verwerkt. Geur en smaak zijn echter onveranderd gebleven.