Megastallen moeten het ontgelden

Unox, Unoxer, Unoxst

Waarom is er eigenlijk zoveel weerstand tegen de megastallen? Het maakt voor een varken niet uit: opgesloten in een megastal of in een gewone stal. En mega is niet slechter voor het milieu.

ALS ZE ZOUDEN kunnen, zouden de biggen van de biologische varkensboer Theo de Bruin regelmatig een kuitenflikker slaan. Een klein aanloopje en dan een vreugdesprong, met de hakken tegen elkaar in de lucht, gewoon om te vieren dat op deze boerderij werkelijk alles is ingericht op hun natuurlijke wensen. Ruime stallen met stro, vrije uitloop naar een veldje omringd door bomen, in het midden een modderpoel om in af te koelen of te luieren.
In de stal waar onlangs bevallen moederzeugen voor pampus liggen met zuigende biggen aan hun tepels tref ik De Bruin. Hij zet een bezem terzijde en begint enthousiast te vertellen over zijn bedrijf. Dat het hard werken is, biologisch, omdat je bijna twee keer zo veel arbeid moet verzetten om evenveel vlees te produceren. Dat hij gangbare stallen ziet als een soort kantoren met airconditioning, en dat hij liever voor natuurlijkheid kiest. Dat zijn stal niet zo stinkt omdat de ammoniak uit de mest zich aan stro bindt, maar dat hij die wel om de dag moet verschonen.
Terwijl De Bruin zijn stal laat zien, verwonder ik me over de varkens. De biggen zijn nieuwsgierig, komen af en toe kijken, maar rennen bij een te vluchtig uitgestoken hand ook weer snel weg, als schichtige honden, maar dan onbeholpener, stuntelig. Een sprintje trekken, maar dan wel vol tegen de wand of een collega beuken bij het afremmen, dat werk. Het zijn geestige beesten, met hun enorme hoofd en malloterige manier van bewegen. In deze omgeving kunnen ze geestig zijn. Het is een van de belangrijkste verdiensten van de biologische sector: dat ze tegemoet komt aan de steeds luider klinkende roep om dierenwelzijn en natuurlijkheid.
Toch blijven biologische dierproducten, ondanks vele jaren van aanmoedigende overheidssteun, een luxeproduct. In 2010 was het marktaandeel van alle biologisch vlees nog geen twee procent. Verreweg de meeste dierlijke producten die we in de supermarkt kopen, komen uit de intensieve veehouderij. Daar is niet natuurlijkheid, maar maximale productie het primaire richtsnoer. De intensieve sector begon sterk te groeien na de oorlog, toen Europees landbouwbeleid en hulp uit Den Haag veehouders alle ruimte gaven om de honger eens en voor altijd uit te bannen. Met succes. Een enorme groeiperiode volgde en binnen vijftig jaar ontwikkelde Nederland zich tot het meest veedichte land ter wereld, met de meest efficiënte dierhouderijsystemen ooit.
Maar het is precies die efficiëntie die steeds meer maatschappelijke weerstand oproept. Vooral sinds de varkenspest van 1997 zijn de zorgen van milieuactivisten en ethici doorgedrongen tot de bredere bevolking. Er is geen twijfel meer over dat de veehouderij een dik probleemkind is geworden dat met iedere kiloknaller verder uitdijt, niet alleen doordat ze direct problemen veroorzaakt voor dierenwelzijn, de volksgezondheid, het milieu en de woonomgeving, maar ook door haar indirecte bijdrage aan klimaatverandering, afname van de biodiversiteit en toename van antibiotica-resistentie onder de bevolking.
De laatste jaren moeten met name de ‘megastallen’ het ontgelden. Daar lijken alle voorgenoemde problemen zich op te stapelen. Ze zijn het toonbeeld geworden van een doorgeschoten instrumentalisering van de natuur, een ontkenning van de intrinsieke waarde van individuele dieren. Iets meer dan de helft van de Nederlanders staat negatief tegenover dit soort stallen. Hoe deze stellingname geïnterpreteerd moet worden, is een tweede vraag. Want wie megastallen vergelijkt met andere stallen in de intensieve veehouderij, komt minder verschillen tegen dan de door de media gedramatiseerde publieke discussie suggereert. Zo staan de dieren in megastallen opgehokt in groepen van vergelijkbare omvang als bij gangbare stallen. Mega of niet, voor het dier is het 'welzijnsneutraal’, zoals dat heet binnen de sector. Het maakt voor een varken niet uit of het niet buiten een megastal of niet buiten een gangbare stal komt.
Ook in moreel opzicht gebeurt er in een megastal niets anders: er worden dieren gehouden met het oog op maximale productie. Wat is dan nog het verschil tussen een bedrijf met 2500 varkens (gemiddeld) of met 7500 varkens (mega)? De grens voor 'mega’ wordt tamelijk arbitrair gelegd: als het bouwoppervlak van de stal meer is dan anderhalve hectare, of als het bedrijf op één locatie een omvang heeft van driehonderd Nederlandse Grootte Eenheden, een maat waarmee de economische omvang van boerenbedrijven wordt gemeten.
Over de voor- en nadelen van megastallen is bovendien een behoorlijke discussie te voeren. Ten opzichte van een verouderde stal is een moderne megastal altijd goed nieuws, zegt de sector. Oudere stallen hebben slechtere ventilatie (geen 'luchtwassers’) en mindere hygiëne. Voor het milieu is 'mega’ per saldo niet slechter: op regionaal en nationaal niveau nemen milieubelasting en verkeer af als oude stallen worden vervangen door megastallen. Maar daar staat tegenover dat lokaal, rond de megastal, omwonenden meer last krijgen van verkeer, stank en fijnstof. En als er een ziekte uitbreekt, moeten in één keer veel meer dieren behandeld of geruimd worden. Ook is bij een groot bedrijf meer (parttime) personeel nodig dat wellicht minder gekwalificeerd is en dat geen band kan opbouwen met de dieren. Maar daar dringt ook de vraag zich weer op wat het principiële verschil is tussen een stal met zestigduizend kippen (gemiddeld) en eentje met 120.000 (mega), als ze toch in vergelijkbare groepen worden gehouden. Megastallen worden lelijk gevonden, omdat ze groot en vaak fantasieloos zijn. Maar verscheidene kleine stallen geven een verrommeld beeld.
Als het doel is om de veehouderij duurzamer of diervriendelijker te maken, slaat een verbod op megastallen de plank op veel manieren mis. 'De vorm van bioproductie verandert niet door vast te leggen dat bouwblokken niet groter mogen zijn dan anderhalve hectare’, zegt Edo Gies van onderzoeksbureau Alterra. 'Daar moet je andere instrumenten op inzetten, niet de ruimtelijke ordening.’

HET FEIT dat we het toch steeds over megastallen hebben, lijkt dan ook vooral een teken te zijn van een dieper liggende maatschappelijke weerstand tegen de intensieve veehouderij als zodanig. Felle tegenstanders van megastallen krijgen ook van gangbare stallen de kriebels. Varkensboer Evert Hendrikx uit Lottum (Zuid-Limburg), weet daar geen raad mee. In zijn nieuwe varkensstal heeft hij zijn best gedaan om binnen de kaders van zijn intensieve bedrijf tegemoet te komen aan de maatschappelijke wensen. Hij heeft gekozen voor daglicht, veel frisse lucht en dure, dubbele luchtwassers die niet alleen ammoniak maar ook stankuitstoot moeten beperken. Maar voor mensen die de bio-industrie 'zielig’ vinden, maken dit soort maatregelen nauwelijks verschil. 'Zelfs als je ze een perfecte stal laat ontwerpen, kom je er met die mensen niet uit. Er komt altijd een punt dat ze het te grootschalig vinden.’
Volgens Karel de Greef, onderzoeker uit Wageningen, oriënteren burgers en boeren zich sowieso verschillend op de veehouderij: 'De boer is er in de eerste plaats bij gebaat dat zijn dieren gezond blijven, dat ze zo goed mogelijk groeien en dat ze zo efficiënt mogelijk met grondstoffen omgaan. Die factoren zijn ook relevant voor het dier zelf, voor het milieu en de economie. En het is de succesformule van de intensieve veehouderij. Een intensieve veehouder weet precies hoeveel eiwitten z'n dieren nodig hebben, precies hoe hij zijn stal het hele jaar op de ideale temperatuur houdt, precies op welk moment hij eieren in de broedmachine moet leggen om gezonde kuikentjes te krijgen. Al die processen zijn getechnologiseerd en daardoor groeien die dieren zo hard en is die sector zo productief. Om succesvol te zijn stellen intensieve veehouders beheersing van de productieomstandigheden centraal. Maar het is precies die beheersing die haaks staat op ons gut feeling dat het een beetje natuurlijk moet blijven. In Nederland zie je dat we van de boer eisen dat die zijn dieren gezond houdt en de kosten laag, maar dat we tegelijkertijd vragen om natuurlijkheid en respect voor het dier. Al zijn de dieren “gelukkig”, dan nog vinden sommige critici dat een sterk beheerste omgeving voor dieren niet hoort. Ik respecteer zo'n roep om natuurlijkheid, maar er is in de praktijk amper aan tegemoet te komen.’

TOM VAN HORRIK, een jonge boer uit Someren (Brabant), werkt van jongs af aan mee op het varkens- en pluimveebedrijf van zijn familie. Met vierhonderd zeugen en 23.000 leghennen houden de Van Horriks hun hoofd aardig boven water, maar meer ook niet. Nadat ik op verzoek van Van Horrik een douche heb genomen - alles om eventuele ziektes buiten de deur te houden - geeft hij me een rondleiding. De oude kippenstal midden op het terrein, van opa Van Horrik, is nu een opslagschuur. Toen-ie gebouwd werd, vlak na de oorlog, was dit een van de grootste stallen van Europa. Nog geen vijftig jaar later is de stal ernaast, al gauw drie keer zo groot, verouderd en relatief klein. Zo snel gaat de ontwikkeling dus.
In de varkensstal slaat de lucht me op de longen. De ammoniak overheerst. De stal doet stoffig en muf aan, met dikke spinnenwebben in de nok van het dak. De varkens staan hier stuk voor stuk opgehokt in kooien waarin ze zich niet kunnen omdraaien, hun enige vermaak is een pvc-pijpje dat een paar jaar geleden is opgehangen, voor hun neus om een van de buizen. Ik sta met Van Horrik naast een zeug die om de paar minuten aan de stalen behuizing van haar kooi begint te sappelen. Later zal ik in een rapport lezen dat dit een typisch voorbeeld is van 'gestoord gedrag’, ingegeven door stress.
Van Horrik vertelt dat 2013 een moeilijk jaar wordt, als de boxen waar zijn varkens nu in staan in de hele EU worden verboden. Het zal naar schatting een vijfde van de varkenshouders de kop kosten. De stallen moet worden aangepast om aan de nieuwe regels te voldoen, maar geld daarvoor leveren de varkens momenteel niet op. De kosten zijn hoog en er is overproductie, waardoor boeren hun dieren soms zelfs onder de kostprijs moeten verkopen. In de afgelopen vijftien jaar halveerde het aantal veehouders in Nederland, en wie overbleef stak zich dikwijls in de schulden om nieuwe stallen te bouwen. 'Maar je kunt een stal niet na een jaar weer wegdoen’, zegt Van Horrik. 'Net zoals je niet ieder jaar een nieuwe auto kunt kopen, als een nieuw model uitkomt dat ietsje zuiniger is. Een stal is gewoon heel duur. Wij moeten een balans vinden tussen wat de maatschappij vraagt en wat we kunnen leveren zonder failliet te gaan.’
Maar zelfs de boeren die de ruimte krijgen om hun stal te vernieuwen, kunnen niet in één keer een tien scoren op alle gebieden waar de maatschappij verbetering vraagt. Je kunt als boer bijvoorbeeld niet je ammoniak- en stankuitstoot beperken zonder meer energie te gaan gebruiken (luchtwassers vreten energie) en in die zin in te leveren op duurzaamheid. Je kunt geen grotere hokken garanderen zonder een grotere stal te bouwen of minder dieren te houden, wat je direct zult voelen in je portemonnee. En je kunt niet antibioticagebruik ineens afzweren zonder meer zieke dieren en een hoger sterftepercentage te tolereren.
De realiteit voor de boer is dat hij keuzes moet maken en het ene belang moet uitwisselen voor het andere. Ook biologische veehouders doen dat. Ze scoren over het algemeen heel goed op dierenwelzijn, energieverbruik, antibiotica en het sluiten van regionale kringlopen. Maar daar staat bijvoorbeeld tegenover dat varkens, kippen en koeien die buiten lopen meer ruimte en meer voer nodig hebben dan hun opgehokte soortgenoten. Peter Groot Koerkamp, hoogleraar agrotechnologie, legt uit dat het een grote illusie is te denken dat je alleen door het voldoen aan een aantal regels met betrekking tot voer, uitloop en stalgrootte een goed productiesysteem hebt: 'Biologische dierlijke productie heeft op papier een aantal grote voordelen, maar dat pakt in de praktijk niet altijd goed uit. We zien bijvoorbeeld dat biologische kippen elkaar nog vaak de veren uitpikken, omdat hun snavels volgens de regels niet mogen worden gekapt. Ook in de biologische sector zitten tegenstrijdigheden.’

WETENSCHAPPERS van landbouwuniversiteiten als Wageningen en Utrecht worden daar opgewonden van. In de tegenstrijdigheid ligt een opdracht verzegeld om systemen te ontwerpen die het beste uit de intensieve veehouderij combineren met het beste uit de biologische. Het is een opdracht met internationale allure, want wie stalconcepten weet te ontwikkelen die tegemoet komen aan wensen op het gebied van milieu en dierenwelzijn kan ze ook in het buitenland verkopen en op die manier bijdragen aan een verantwoorde reactie op de stijgende vraag naar dierlijke eiwitten. Binnen dertig tot veertig jaar zal de vraag naar vlees grofweg verdubbelen door de groeiende (welvaart van de) wereldbevolking. Innovatieve veesystemen die zowel efficiënt zijn als dier- en milieuvriendelijk zijn harder nodig dan ooit.
De nadruk op diervriendelijkheid is vooralsnog echter vooral een Noordwest-Europese aangelegenheid. 'We willen dierenwelzijn, geen grote bedrijven, een superveilig product, geen genetisch gemanipuleerde soja’, zegt Peter van Horne, econoom bij het Landbouw Economisch Instituut. 'Maar ik kom vaak in Zuid- en Oost-Europa, en dan merk je toch dat de mensen daar nog niet zo ver zijn.’
Omdat importtarieven de Europese markt nog altijd afschermen, kan de Nederlandse keten met enige rugdekking zijn gang gaan en tegemoetkomen aan de roep om steeds hoogwaardiger producten. Maar niet iedereen kan en wil die producten betalen en terwijl de Europese productie duurder wordt, komt goedkoop vlees uit Oost-Europa of Zuid-Amerika als betaalbaar alternatief in de supermarkt terecht. 'We steken onze kop echt als een struisvogel in het zand als we zeggen dat we die producten hier niet meer willen produceren, want dan gaan we hetzelfde vlees gewoon importeren’, zegt onderzoeker Karel de Greef.
In haar column in NRC Handelsblad stelde Louise Fresco, hoogleraar duurzame ontwikkeling aan de UvA, de kwestie onlangs ook aan de orde: 'Hoe hypocriet is het om goedkoop vlees te kopen dat elders is geproduceerd, hoogstwaarschijnlijk onder minder milieu- en diervriendelijke omstandigheden?’
Aan de andere kant is meer productie in Latijns-Amerika vanuit een mondiaal perspectief op de voedselkringloop best te verdedigen. Cees Veerman, oud-minister van Landbouw, constateerde al in 2003 dat het huidige systeem is vastgelopen: 'We importeren voer, exporteren varkens en houden de rommel hier.’ Nutriënten voor planten, zoals stikstof en fosfaat, worden elders schaars, terwijl we ze hier met de mest wegspoelen en daarmee de natuur schade berokkenen. Peter van Horne: 'Als je wereldwijd een kringloop wilt, moet je kippen en varkens in Brazilië en Argentinië houden - daar wordt ook het voer verbouwd en dan wordt de mest daar geproduceerd waar ook de akkers zijn. Maar daar zijn natuurlijk weer andere bezwaren tegen. Wij willen niet afhankelijk zijn van importen. We willen een vers product en een kip uit Brazilië is diepgevroren. We willen dat het dierenwelzijn goed geregeld is, dat is het daar minder. Dus er is een ander krachtenveld dat zegt: nee, we willen die dieren hier houden. Het is de eeuwige discussie bij duurzaamheid: dat een verbetering op het ene aspect een averechts effect heeft op een ander aspect.’
De intensieve veehouderij groeide in vijftig jaar uit haar voegen en het zal vermoedelijk minstens net zo lang duren voordat ze weer is afgeslankt. De Greef pleit ervoor de sector niet de rug toe te keren: 'We moeten op zoek naar een punt waarop een overwegend deel van de samenleving zegt: we zijn hier tevreden mee. Wie dan nog steeds zegt: ik wil de bio-industrie niet, verkondigt een mening. Ik ben ook tegen kolencentrales, maar dat wil niet zeggen dat we ze sluiten. Negentig tot 95 procent van de Nederlanders maakt gebruik van de vleesproducerende industrie.’
Of het dieet waar de veehouderij door overheid en markt op gezet moet worden, zal aanslaan, hangt dan ook vooral af van het antwoord dat iedere Nederlander geeft op de vraag wat we vandaag eens zullen eten.


Scenario’s voor de toekomst

Een probleemloze veehouderij bestaat niet, maar voor verbetering is veel ruimte. Initiatieven zijn er te over. In de supermarkt komen er steeds nieuwe keurmerken bij die dier- of milieuvriendelijkheid moeten garanderen. Betrokkenen uit de sector zijn op het moment erg in hun nopjes met het concept van het ‘agroproductiepark’ – een complex waar verschillende dieren worden gehouden en waar gewassen worden verbouwd, waarbij energie wordt hergebruikt of zelfs opgewekt, en waar kringlopen zo veel mogelijk gesloten worden. Zo’n park zou bijvoorbeeld op de Maasvlakte gebouwd kunnen worden, waar niemand er last van heeft.
De sector kiest duidelijk voor stapsgewijze verbetering, omdat men verwacht dat de vraag naar dierlijke producten stabiliseert, terwijl de vraag naar producten uit een hoger segment groeit. Toch zal de keten van boer, verwerkend bedrijf en retailer nooit grote stappen zetten, omdat iedereen zijn boterham veilig moet stellen. Omdat voorop staat dat de schakels van de keten blijven draaien, is iedereen voorzichtig.
Volgens critici verdwijnt de morele wroeging over het massaal houden van dieren in niet-natuurlijke omstandigheden niet zolang de veehouderij het karakter en de schaal van een industrie houdt. De ervaring leert bovendien dat nieuwe productsegmenten hun plek in het schap vinden naast de gangbare producten, als (duurder) alternatief, niet als vervanging. Het diervriendelijke product als doekje voor het bloeden.
Wie met ‘beter’ geen genoegen neemt, komt uit bij ‘minder’. Ngo’s, politieke partijen en burgerinitiatieven die voor een krimp van de veesector in Nederland pleiten, wijzen erop dat we minder veeteelt in Nederland niet hoeven te betreuren, omdat de maatschappelijke baten van het huidige systeem niet opwegen tegen de kosten in bijvoorbeeld de gezondheidszorg. Het zou de overheid moeten zijn die de krimp van de sector regisseert, afvallers compenseert, en faciliteert dat de overblijvers zich kunnen ontwikkelen tot multifunctionele bedrijven die hoogwaardige streekproducten leveren en natuurbeheer op zich nemen.
Maar zelfs als Den Haag besluit tot krimp zal de 86 kilo vlees die de gemiddelde Nederlander vorig jaar aanschafte, de spankracht van de aarde te boven gaan. Hoe sterk je de veehouderij ook verbetert, dieren blijven een milieubelastende en inefficiënte manier om eiwitten te produceren.