Updike’s regels

In het buitenland kunnen ze het beter dan bij ons. In ieder geval komen ze er vaker voor: de schrijvers die ook literaire kritiek bedrijven. John Updike was zijn schrijvende leven lang ook recensent, en vond die activiteiten op één lijn staan. Allereerst fysiek: je bent op diezelfde toetsen aan het roffelen. Maar ook compositorisch. Je moet een beetje lekker – punchy – beginnen en eindigen met een soort uitsmijter, en ertussen moet iets komen te staan dat die twee verbindt. Zelfs de opdracht van boven is hetzelfde: het bewerkstelligen van noodzakelijkheid. Als het goed is schrijft de schrijver een boek dat geschreven móest worden, zoals de criticus in de boekentoevoer orde schept, en uiteindelijk het meest urgente bespreekt.
De recensiepraktijk van Updike pakte wonderwel monter uit. Niet voor niets ligt de twee jaar geleden verschenen dikke bundeling van zijn kritieken, Due considerations, altijd voor het grijpen op mijn bureau.
Wat meteen opvalt aan Updike’s recensies is de zakelijke aanpak. Hij begint met het introduceren van de schrijver, vertelt wat over eventueel eerder werk, en daalt dan af naar het boek in kwestie. Dat doet hij op een droge, analytische manier. Niet door een verhaaltje na te vertellen, maar bijvoorbeeld door in te gaan op het vertelperspectief, of uit te weiden over het grondthema en hoe de personages daarmee zijn verbonden. Niet heel opzienbarend, in de zin van mega-intellectueel of -geestig, maar vooral informatief, diepgravend en helder. De schrijver maakt zich dienstbaar aan het boek dat hij onder handen heeft en de missie die hij te vervullen heeft: een literair werk ontsluiten voor derden.
Zelden of nooit vestigt Updike de aandacht op zichzelf. ‘Ik’ wordt door hem bij uitzondering in stelling gebracht. Zelden of nooit is hij nadrukkelijk bezig zijn eigen literaire smaak of mores te verkondigen. De afweging of een boek interessant genoeg is om een bespreking aan te wijden, heeft kennelijk al eerder plaatsgevonden. En toch, en dat is het opmerkelijke van Updike’s recensies, zijn het persoonlijke en kritische stukken, die vanaf de eerste punchy zinnen dwingen tot doorlezen. Bijzonder is ook de manier waarop hij zijn besprekingen afsluit, misschien is dat nog wel het meest ‘literair’ aan zijn aanpak. Geen slotregel die alles samenvat of rond maakt, maar een open einde dat tot nadenken stemt. Waarom worden recensies niet altijd zo geschreven, vraag je je af.
Omdat Updike altijd een nieuws-gierige lezer is gebleven. Dat allereerst. Maar ook omdat hij vastomlijnde ideeën had over de regels van het spel. Lang geleden schreef hij die uit.

  1. Probeer te begrijpen wat de schrijver wilde met zijn boek, en neem hem niet kwalijk dat hij iets niet heeft bereikt waar hij niet op uit was.
  2. Geef een aantal citaten, opdat de lezer ook een eigen oordeel kan vormen.
  3. Onderbouw de beschrijving van het boek liever met één rake zin uit de tekst zelf, dan met een lange vage omschrijving van eigen hand.
  4. Vertel niet te veel over het verhaal, en geef nooit het einde weg.
  5. Als het oordeel negatief is, merk ook iets aardigs op, bijvoorbeeld over een ander werk van dezelfde schrijver. Probeer de mislukking te begrijpen. Zeker weten dat die voor rekening van de schrijver komt, en niet voor die van de bespreker? Updike voegde nog een naar eigen zeggen wat vagere zesde stelregel toe, bestaande uit subregeltjes, gericht op het bewaren van zuiverheid. Bespreek geen werk van mensen aan wie je toch al een hekel had, of met wie je juist bevriend bent. Ga nooit over de rug van de schrijver in gevecht met collega–critici. Bespreek het boek, niet de reputatie. Denk niet dat je een morele taak hebt, of een strijd te leveren hebt. Beter is het te prijzen dan af te breken. Uiteindelijk gaat het criticus en lezer om hetzelfde: mogelijk leesgenot. Het zijn de regels van een zelf–schrijver, die weet hoe het is om aan de andere kant te staan. Updike’s uitgangspunten zijn zó voor de hand liggend, en staan tegelijkertijd zó ver af van de Nederlandse kritische praktijk. Ik haat het altijd een beetje als mensen dit zeggen, maar ik denk dat zeker voor die laatste ‘vage’ stelregel geldt: daar is Nederland domweg te klein voor.