Urgente ontboezemingen

In alle muziek, of ze nu gecomponeerd is, voortkomt uit een volkstraditie of op improvisatie berust, spelen herhalingen een belangrijke rol. Zonder herhaling geen herkenning, die onontbeerlijk is voor zowel begrip als overgave.

Medium kuip

Maar de tweede of derde keer is nooit identiek aan de eerste, niet alleen omdat dezelfde noten nooit op dezelfde manier verklankt kunnen worden, maar ook omdat ze de herinnering aan de eerste keer oproepen. Dat maakt de reprise tegelijkertijd hoopgevend en weemoedig: het bestaan verloopt cyclisch, maar niets komt werkelijk terug. Met een ewige Wiederkehr waarin alles zich exact herhaalt, zouden we echter niets opschieten. Wie zou een feniks willen zijn, die na zijn crematie herrijst met precies dezelfde identiteit als alle vorige keren?

Varen vandaan van Joep Kuiper is volmaakt cyclisch opgebouwd, in die zin dat het laatste gedicht thematisch reageert op het eerste, het op één na laatste op het tweede, en zo voort totdat het middelpunt van de bundel is bereikt, dat treffend Breuk heet. In dat gedicht is een zware delinquent aan het woord die zich, niet gehinderd door realiteitszin, voorstelt hoe hij een nieuw leven zou kunnen beginnen. Precies midden in dat gedicht wordt de feniks genoemd. Je zou het boek als een bergbeklimming kunnen beschouwen, waarbij de top, wanneer die eenmaal bereikt is, een krater blijkt te herbergen. Associaties met Sisyphus liggen voor de hand. Hoop heeft Kuiper niet te bieden, maar zijn personages geven niet op.

Sinds Kuiper (1981) in 2004 debuteerde met de indrukwekkende bundel Monarchieën, genomineerd voor de Buddingh’-prijs, bleef het tien jaar stil. Blijkbaar is hij een dichter die alleen schrijft als hij echt iets te vertellen heeft, en dat dan zorgvuldig en pregnant wil doen. Ofschoon in de meeste gedichten een min of meer herkenbaar verhaal verteld wordt, door steeds een ander karakter, is Varen vandaan een boek dat zich niet gemakkelijk gewonnen geeft. Heel coherent zijn de sprekers niet, maar de urgentie van hun ontboezemingen blijkt uit soms bijna obsessieve herhalingen. Alles begint steeds opnieuw, er worden nauwelijks vorderingen gemaakt, niettemin stevent het leven onherroepelijk af op de dood. Een gedicht waarin twee astronauten afscheid nemen van elkaar, eindigt als volgt:

is het ons hart dat verzakt

is het de zon die verschroeit

is het de hemel achter slot en hemel

is het de plotselinge overweldigende spijt

dat we geen betere wereld uit de grond hebben kunnen stampen

De slotregel bevestigt het vermoeden dat het Kuiper niet slechts om formele schoonheid, conceptuele orde of psychologische diepte gaat, maar dat hij zich ook zorgen maakt om de leefbaarheid van de wereld. Opvallend is Kuipers fascinatie voor moordenaars, dieven en herrieschoppers, voor randfiguren en mislukkelingen. In Waar kan ik buren huren? verlangt een kraker ernaar opgepakt te worden. Het is fijn, zegt hij,

dat ik morgen

onder begeleiding van de ME mijn huis zal moeten verlaten

het is fijn dat ik eindelijk mensen zal hebben om mee te praten

De mannen en vrouwen die in Varen vandaan aan het woord komen, voelen zich niet thuis in het leven. Ze zijn vreemden voor zichzelf, ervaren hun lichaam als ballast en hun ziel als desolaat gebied. Vleesvrees opent aldus:

het vlees is vreemdeling en wat het vlees gaat doen

wat het vlees na mij met mij gaat doen dat ben ik

wat ik met mijn hart en nieren in het hier en nu nalaat te doen

De spreker heeft het over zijn lichaam ‘dat zich als kleding van mij afgooit’, zodat ‘de herinnering mijn plaats innemen zal’. Elders zegt een vrouw, die zojuist een uitgedoofde vulkaan op Antarctica heeft beklommen, dat het daar zo eenzaam was ‘omdat ik een voetbalveld ben/ een verlaten voetbalveld heel vlak// na middernacht’. Dat is het uur nadat ‘de finale is gespeeld de enige echte want ja/ ik ben een 0-1 in de liefde’.

De meeste gedichten zijn lang, sommige nemen drie of vier pagina’s de ruimte om op stoom te komen en de lezer mee te voeren op een golfbeweging die alleen maar tot schipbreuk kan leiden. Nu is het, beëindigt een ter dood veroordeelde zijn laatste brief, alsof ik ‘aan de voet van een vulkaan sta// en jij aan de overkant die geen overkant is/ de vulkaan op het punt van leegbranden staat’. Weten de toeschouwers dan niet, zegt een bergbeklimmer, dat ‘het me iedere keer niet lukt te overleven niet lukt/ de hemel te bombarderen// te beroeren bedoel ik/ en ik het opnieuw proberen zal’.

Bij alle uitzichtloosheid proberen veel stemmen toch vol te houden, het einde uit te stellen, tegen beter weten in te hopen op verlichting of verlossing. Een man die al honderd jaar een enorme boot achter zich aan sleept, spreekt zichzelf moed in door vast te stellen dat hij het tot nu toe altijd heeft gered. Soms is er een moment

waarop de oceaansneeuw begint te vallen de boot

nog zwaarder wordt maar ik kan

ertegen de radio begint te schallen dat

de afwas afgeraffeld is

de wasmachine overgeslagen is

het vuilnis nog steeds op het dek ligt

Ik kan ertegen, zegt hij, deze boot is nu eenmaal alles wat ik heb, en ‘ik ben ermee tot hier gekomen’. Kuiper heeft gelijk. Er nog te zijn is al een hele prestatie.


Dit is een gedicht

dief van mijn digestief

pas op voor de dief die dapper als de tweede dief opdraven komt

één dief voor mijn aperitief

dezelfde dief voor mijn digestief

daartussen een leeg bord dat ik opbouw met wat ik opbouwen kan

dief die sluipt en groeit

zoals zoveel dingen onder de tafel niet

onder tafel blijven maar groeien naar een tweede keer nieuwe

diefstal dezelfde als de eerste maar net iets anders het minieme maximale

verschil tussen aperitief en digestief

verschil dat ik alleen kan opheffen en niet ik alleen

als ik de dief schuif aan mijn tafel en wij samen

de piramide op mijn bord bouwen


Joep Kuiper: Varen vandaan_. Karaat, 104 blz., € 16,95_