H.J.A. Hofland

Uri Avnery

Hoe zou het met Uri Avnery gaan? Onthoud zijn naam. Hij is schrijver en voorzitter van de Israëlische vredesbeweging Gush Shalom. Het is geen pretje om in tijd van oorlog vredesvoorzitter te zijn en daarbij ook nog schrijver die in binnen- en buitenland laat weten wat hij ervan denkt. Je hebt of gelijk, en dan word je, tot dit veel later is gebleken, op z’n best als een lastpost voor de generaals en misschien als landverrader beschouwd. Of je hebt ongelijk, en dan zijn alle gevolgen uitsluitend voor eigen rekening, maar je hebt in ieder geval gedaan wat je vond dat gedaan moest worden.

In de International Herald Tribune van 28 maart schreef Uri Avnery: «De Amerikaanse politici weten evenmin als de Israëlische generaals waar ze aan bezig zijn. Als een arrogante vice-president de vernederende voorwaarden dicteert waaronder hij Arafat te woord wil staan, gooit hij olie op het vuur. Iemand wie het ontbreekt aan gevoel voor een lijdend volk, geen begrip heeft voor hun omstandigheden, moet zijn mond houden. Omdat al die vernederingen weer dozijnen Israëli’s het leven kosten. En tenslotte staan de zelfmoordenaars met hun bommen in de rij.»

Ik denk dat Avnery gelijk heeft. En hij is de eerste niet. We halen hier geen ouwe koeien uit de sloot; we raadplegen relevante geschiedenis. Na lang door Egyptische invallen te zijn getergd, ging op 29 oktober 1956 het Israëlische leger tot de aanval over, rukte op tot vlak bij het Suezkanaal. Dat was in augustus door president Nasser genationaliseerd, met de hartelijke steun van de Sovjet-Unie. De Koude Oorlog beheerste de wereld.

In september waren de Hongaren in opstand gekomen. Het leek alsof het Rode Leger zich had teruggetrokken, maar in het geheim werd de tegenaanval voorbereid. President Eisenhower en minister van Buitenlandse Zaken Dulles hadden alle aandacht bij Europa. Daarvan konden de oude grote mogendheden, Engeland en Frankrijk, gebruik maken om de levensader van de niet meer bestaande imperiale macht te heroveren. Op de 31ste begon de invasie in Egypte. Die was een week later afgelopen. Amerika had niet meegedaan. Eisenhower en Dulles hadden hun verstand bewaard en zich niet met een verloren zaak ingelaten.

Op 14 november kwam ik terug uit Hongarije. Nederland was in een soort burgeroorlogje verwikkeld. De Hollandse heksenketel. Pro- tegen anti-Israël, communisten tegen anticommunisten. Ik werkte op de redactie buitenland van het Algemeen Handelsblad, chef dr. A.L. Constandse. Op de dag dat ik daar weer verscheen, schreef hij een Dagelijks Commentaar, met als kop: Het Westen is geen zelfmoordbrigade. Dat sloeg op de dappere doorzetters die heel Egypte en de rest van de Arabische wereld wilden oprollen. De adjunct-hoofdredacteur, mr. J. van Galen, had de proef gelezen. Hij kwam het lokaal binnen, strook papier in de hand, en zei: «Zeg Constandse, geloof jij zelf altijd alles wat je schrijft?» Constandse stond op, zei niets, pakte Van Galen in zijn kraag en zette hem buiten de deur. Een onvergetelijk, een goddelijk moment.

De toestand van nu lijkt meer op die van 1956 dan je misschien zou denken. Maar het is ernstiger. Weer dreigt het Westen in een achterhoedegevecht verwikkeld te raken, en in Washington zit geen president met het verstand van Eisenhower.

Uri Avnery is in de positie van Constandse, maar onvergelijkelijk veel benarder. Hij heeft gelijk, maar hij kan niemand de deur uitzetten. Hij heeft bondgenoten nodig.