Urmen op een oogje

Ze waren onafscheidelijk: Annie M.G. Schmidt en tekenares Fiep Westendorp. Onlangs verzorgde Westendorp het boekomslag van ‘Ibbeltje’, bij wijze van hommage aan de overleden schrijfster. Een gesprek met de zojuist bekroonde, net tachtig jaar geworden ambachtsvrouw
Annie Schmidt en Fiep Westendorp, Ibbeltje. Uitgeverij Querido, 254 blz., 334,90
WIE LINKS EN rechts informeert wat mensen zich nog herinneren van De negerhut van Oom Tom krijgt meestal als antwoord: Eliza die met haar baby aan de borst geklemd over de ijsschotsen springt. In het boek beslaat die scène hoogstens tien regels, maar de bijbehorende afbeelding stond vele drukken lang pal tegenover de titelpagina.

Zoals vaker in de jeugdliteratuur leverde hier de illustrator het anker waaraan de herinneringen aan een verhaal zijn vastgelegd. Ot en Sien kwamen uit de pen van Ligthart en Scheepstra, maar voor het geestesoog duikt primair de knusse klompen- en schortenwereld van Cornelis Jetses op. Zo is het ook de vraag wie de eigenlijke moeder van Jip en Janneke is. Na een onafgebroken aanwezigheid van vierenveertig jaar in krant, tijdschrift en verschillende boekuitgaven, met niet meer te tellen oplagen, zullen de meeste Nederlanders het antwoord wel weten: Annie M.G. Schmidt. Toch valt met evenveel recht de naam van Fiep Westendorp (1916) te noemen, want door onze hoofden flitst allereerst een lawine inktzwarte prentjes. Jip en Janneke, dat zijn bolle koppies en profil, met een wipneus en bovenop een verdwaald piekhaartje. De hoofden staan nekloos tussen de vaak opgetrokken schouders, wat resulteert in herkenbare, compacte kleuterlijven. Op bijna elke tekening staat het kleine tweetal centraal, slechts voorzien van een enkel attribuut en hoogstens in gezelschap van een laag bij de gronds model hond of poes. Zonder achtergrond bevinden zij zich vrijstaand in een witte ruimte en vormen als echte kleuters het middelpunt van het universum.
DE INGEDIKTE figuurtjes staan zozeer model voor het kindergescharrel van alledag - schooltje en treintje spelen, spuiten met de tuinslang, eieren verven, naar het strand, de schoen zetten - dat de Hema het zwarte duo enkele jaren geleden aankocht als zogenaamd character. Uitverkozen vanwege hun tijdloze en oer-Hollandse karakter verschijnen de silhouetten nu op tandenborstels, fietsbellen, boxpakken en pantoffeltjes, op papaplu’s, horloges, appelsap, gordijnen en nachtlampjes.
Topstuk van dit moment is een minuscuul onderbroekje met een breed elastiek, waarover een lange rij (poes) Siepies met geheven staart achter zichzelf aan marcheert. ‘Fiep Westendorp’ lees je op het label boven de bilspleet.
Ook al zijn de figuren uit hun verhalen gestapt, ze blijven herkenbaar en daarmee begeerlijk voor minimaal drie generaties Hema-klanten. Maar mag de maakster van dit vrolijks daarmee ook voor de moeder van Jip en Janneke doorgaan of is ze eerder - zoals iemand ooit suggereerde - hun tante? Fiep Westendorp zelf blijft ons het antwoord schuldig. Met stijgende verbazing en gemengde gevoelens beziet ze haar succes. Aan publiciteit en het bekende Nederlanderschap heeft ze een broertje dood. Toen ze onlangs voor een betaling haar handtekening zette en de verkoopster opgewonden informeerde of ze dè Fiep was, antwoordde ze zonder nadenken: 'Nee, dat is mijn nichtje.’
Maandelijks krijgt ze nieuwe ontwerpen voorgelegd en ze is streng. 'De Hema raadpleegt een soort panel van moeders en kinderen en die zijn blijkbaar allemaal dol op knalkleuren. Ik ben meer een mens van pastel, dus ik bots nogal eens met die commissie. Douwe Egberts wil nu Pluk van de Petteflet-mokken op de markt brengen, maar die vond ik niet om aan te zien, dus dat gaat voorlopig niet door.’
IN DE LOOP VAN haar leven heeft mevrouw Westendorp de nodige ervaring met het bedrijfsleven opgedaan. Ze werkte voor de PTT en de KLM en maakte samen met Annie Schmidt onder andere Prelientje voor Persil, Floddertje voor Nutricia en Ibbeltje voor Venz. Ook Philips heeft haar eens benaderd: 'Mevrouw Westendorp we volgen u op de voet. Uw werk is geweldig, maar kunt u het ook anders?’ Het leek haar geen vruchtbaar uitgangspunt voor samenwerking.
In de jaren zestig ontwierp ze een wandschildering voor het passagiersschip de Nieuw Amsterdam. Westendorp: 'Een hele vloot met bootjes dobberde van de Amsterdamse grachtenhuizen richting New York. Kinderen hingen uit de ramen van de wolkenkrabbers te zwaaien en een paar daarvan waren zwart. De zwarte kindertjes werden afgekeurd door de opdrachtgever. Toen heb ik gezegd dat het dan niet door zou gaan - dag heren. Mooi dat ze terugkrabbelden!
Eerst had ik het niet zo op al dat Jip-en-Jannekegedoe, die commercialisering. Nu probeer ik het te zien als de rente voor jaren hard werken. Het stelt me gerust dat ik niet zal hoeven te eindigen in een verpleeghuis, waar je enige privacy de la van je nachtkastje is. En ik realiseer me heel goed dat ik dat mede aan Annie te danken heb. Het is erg leeg zonder haar. We hebben meer dan veertig jaar samengewerkt en veel meegemaakt. In de laatste jaren werd het moeilijker, omdat we allebei zo krakkemikkig waren, maar we zagen elkaar als het even kon elke vrijdag en namen dan met veel wijn het werk en het leven door. Ten afscheid riepen we steevast: “Hoe het verder Pijpje Drop vergaat, staat in de volgende Automaat.” (Terugkerende kreet onderaan een stripverhaal uit het vooroorlogs reclametijdschrift De Automaat - bb).
Annie had de neiging om zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Ze genoot van de groeiende aandacht. Bij mij was het juist andersom. De laatste jaren ging ik zes plaatsen van haar af staan als er camera’s in de buurt waren. Toen ons Kinderboekenweekgeschenk Jorrie en Snorrie werd gepresenteerd, hield ze een pinnig toespraakje over het abominabele papier en de slechte druk. Ze sleepte mij daar gewoon met de haren bij - hè Fiep, zeg jij ook eens wat! Ik was het van harte met haar eens, maar was toch het liefst ter plekke door het podium gezakt. Ik hield me graag achter mijn tekentafel schuil. Je kan wel zeggen dat ik in haar schaduw stond of op de achtergrond, maar ik heb geen klachten.’
De samenwerking dateert uit 1952, toen in Het Parool de eerste aflevering van Jip en Janneke verscheen. Westendorp: 'In een onbewaakt ogenblik heb ik ze helemaal zwart gemaakt, dan kwamen ze beter over in de krant. Maar daardoor werd het een heel gepuzzel: Ze konden nooit te dicht bij elkaar staan, want dan vervloeiden ze, en zwarte handjes op zwarte knietjes, die zie je niet. Janneke droeg alleen een schort om er iets tegen af te kunnen laten steken. En ik zat eindeloos te urmen om dat witte oogje precies op de goede plaats te krijgen, en om in zo'n bijna onzichtbaar mondje toch nog iets van verdriet te leggen.’
NA DE OORLOG trok Fiep Westendorp naar Amsterdam met het diploma van de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten op zak. Ze maakte tekeningen bij het werk van Charlotte Brontë, Toergenjev, Bordewijk en Henriëtte van Eyk en ontwierp tientallen boekomslagen. Voor Vrij Nederland illustreerde ze poëzie, onder andere van Achterberg. De zwaarte en ernst dreven haar vaak tot wanhoop, tot Wim Hora Adema haar vroeg voor de Vrouwenpagina van Het Parool, waar ze bij de teksten van Harriët Freezer 'eindelijk heerlijk gek kon doen’.
Zo lang ze zich kan herinneren heeft ze getekend. Al haar schoolboeken krabbelde ze vol en wanneer haar broer en zusje aan het lezen waren, zat Fiep met een schriftje en een potlood. Poppetjes kwamen erin te staan en ze weet nog hoe dat ging. Op een minuscuul blaadje tovert ze in enkele quasi onhandige lijnen een schaatser tevoorschijn. Met een laatste krabbel worden twee opgewekt wapperende daspunten toegevoegd. Westendorp: 'Ik was misschien vijf, maar ik wist toen al dat het om dat dasje draaide. Dat daar het leven in zat.
In mijn familie was geen kunstenaar te bekennen, of het moet mijn grootvader zijn geweest, die ooit voor de lol zijn kippen in verschillende kleuren verfde. Op school moest je natuurlijk eeuwig “naar voorbeeld” tekenen en toen ik op de HBS voor het eerst iets “vrij” mocht tekenen, sprak mijn vreselijke leraar: “Fiepie neemt een groot besluit en veegt de hele rommel uit!”
Later kreeg ik les van een enthousiasteling die me meenam naar een schitterende tentoonstelling over de impressionisten in Amsterdam. Ik was nog nooit in een museum geweest en heb niemand durven vertellen dat ik met die man was meegeweest. In Zaltbommel ging een tekenaar door voor een slecht mens.
Toen wilde ik al illustrator worden. Mijn grote voorbeeld was Eppo Doeve, de man van de open lijn. Alles van hem knipte ik uit. Toen hij eens iets van me zag en riep: “Dat kind heeft talent”, heb ik weken op rozen gelopen.
Ik begon op mijn zestiende aan de opleiding in Den Bosch, op een speciale afdeling van de Middelbare Technische School. Als enig meisje tussen tweehonderd jongens, lekker kaarten in de kantine. Ik geloof niet in een aparte illustratieafdeling. Het is voor een illustrator juist belangrijk om een brede klassieke opleiding te krijgen. Bij anatomieles moesten we met rood potlood op een beeldje van de discuswerper alle spieren aangeven. Het is een hele kunst om een hoed zo te tekenen dat hij ook echt op een hoofd staat. Pas als je precies weet hoe de zaken in elkaar steken, kun je gaan chargeren en deformeren. Dat heb ik daarna dan ook veelvuldig gedaan.
Een keer ging ik in een Fiatje geperst samen met Bubi Brugsma op reportage. Hij schreef een kritisch stuk over een vent die prachtige grachtenhuizen opkocht om er eettenten van te maken. Ik tekende daar een kaalhoofdige meneer bij, die op zijn knieën rondkroop om met een schepnet huisjes te vangen. En van een orkestrepetitie met Rafaël Kubelik was ik zo onder de indruk dat ik hem als een engeltje boven het orkest heb laten zweven.’
Onder invloed van het Amerikaanse blad de New Yorker ontwikkelde ze zich met tekenaars als Charles en Wim Boost, Wim Bijmoer en Hugh Jans tot Nederlands eerste cartoonisten. De losse, op effect gerichte lijnvoering paste ze ook toe in haar illustraties voor kinderboeken. Al bij de versjes van Han Hoekstra in Het verloren schaap (1947) duiken ze op: de lachspiegelfiguren, de kale hoofden met een kuifje, de wipneuzen, de enorme, over de ceintuur heen bloezende boezems, de maffe brilletjes en de merkwaardige voetjes. Soms wordt er één steunkleur gebruikt en pas in Pluk van de Petteflet (1971) is er sprake van vierkleurendruk.
Het handschrift is dan onmiskenbaar des Fieps geworden. In mevrouw Helderder dient zich het prototype van de Westendorpse dame aan: ver naar achteren uitgebouwde bilpartij - 'Dat is een familieachterwerk, mijn moeder had het en ik loop tegenwoordig ook zo’ - gekleed in soepjurk en waar mogelijk een reusachtige feesthoed met bloementuin. De beentjes zijn als buigzame luciferhoutjes, gestoken in een vermoeden van schoenen, zoals trouwens het hele menselijk onderstel door de tekenares gereduceerd wordt tot bijna niets. Heel anders is het gesteld met de haren, die er vaak uitzien of de eigenaars permanent onder stroom staan. Geen twee kapsels zijn gelijk. Het karakter schuilt als het ware in het haar. Er zijn potsierlijke snorren, uitdagende kuifjes, recalcitrante plukken op kale hoofden en wappervlechten. Als alternatief voor de wipneus is het aan de varkenssnuit verwante stopcontactje ingevoerd. Karakteristiek zijn ook de vogeltjes die ongevraagd plaatsnemen op alles wat uitsteekt en de poezen die zelfs zonder in de tekst genoemd te worden een prominente plaats innemen.
GEZAG EN gewichtigheid worden bespot. Wat dat betreft zijn Schmidt en Westendorp uit hetzelfde hout gesneden. Westendorp: 'Annie en ik waren zo op elkaar ingespeeld dat we net Jut en Jul waren. Ik werd onvoorstelbaar verwend, want ze schrijft zo beeldend dat bij elke regel mijn vingers begonnen te jeuken. Bij Annie kon alles en dus bij mij ook. Toch werd ik er ook wel eens moe van dat bijna alles lollig moest zijn. We werkten voor jonge kinderen en Annie wilde wel eeuwig met taarten gooien, maar eigenlijk ben ik nogal melancholiek van aard. Mijn bedoeling is vooral dat mensen even glimlachen. Ik ben ergens terecht gekomen en daarna heb ik nooit iets anders geprobeerd. Ik had er het lef niet voor. Daar heb ik soms wel spijt van. Alleen toen ik eens in een heel sombere periode zat, verschenen er totaal andere figuren op het papier.’
In Pluk van de Petteflet staat één tekening die beïnvloed lijkt door duistere figuren. Min of meer verdwaald, duikt plotseling een oude visser uit de grauwe mist op. Somber en gebogen staart hij ons met lege ogen aan. De tekenares zelf heeft geen idee waar hij vandaan kwam: 'Er hing mist in het verhaal en in de werkelijkheid goot het van de regen. Hij is aan me ontsnapt.’
Drie jaar heeft Fiep Westendorp niet kunnen werken vanwege gezondheidsproblemen en het verdriet over de dood van dierbare vrienden. Nu heeft ze zichzelf er eindelijk toe kunnen zetten een omslag te maken voor de boekuitgave van Ibbeltje. In de jaren zestig verscheen het als feuilleton in het weekblad TeleVizier, nadat het eerst in hoorspelafleveringen was uitgezonden door Veronica en Radio Luxemburg. Onderwerp zijn de schermutselingen tussen de familie Verharen en de vreselijke buurman Pinkepank. Moeder Verharen was vroeger kat, ze draagt dan ook een poeze-oorvormig kapsel, en schakelt met succes het kattenvolk in. Uit alles blijkt dat we hier met vingeroefeningen voor Minoes (1970) van doen hebben.
Westendorp: 'Van mij hoefde Ibbeltje niet zo nodig, maar Annie wilde het graag en dus zie ik het als een hommage aan haar. Ik was ook bang dat ik het niet meer zou kunnen. De angst voor dat lege vel papier zit diep. Wim Bijmoer deed het zomaar hupsakee, voor mij is het zwoegen. Ik ben nu eenmaal nooit tevreden. Dat hadden Annie en ik ook gemeen.
Het was wel heerlijk om weer te tekenen. Wanneer je aan het werk bent, zit je in een soort privé-hemeltje. Daar mag je niet gestoord worden en ben je onbereikbaar.’
TEGENSPUTTEREND accepteerde Fiep Westendorp vorige maand een officiële blijk van waardering. Samen met Peter Vos en Hans Kresse (postuum) werd ze erelid van de Nederlandse Vereniging van Illustratoren. Westendorp: 'Prijzen heb ik altijd bespottelijk gevonden. Een timmerman wordt nooit bekroond voor zijn mooie tafel, maar als iemand in de kunst iets presteert, wordt er meteen zo'n ophef over gemaakt. Toen de jongens vroeger op de academie fluwelen jasjes en foulards droegen, liet ik mijn haar permanenten en zag ik eruit als de werkster van mijn moeder.
Ik heb een ambacht en ik ben dankbaar voor het talent dat ik heb gekregen, al weet ik niet van wie. Zo'n Penseel (illustratiependant van de Griffels - bb) zou ik niet gewild hebben. Voor Otje had ik het misschien wel leuk gevonden, maar dat was dan samen met Annie geweest. Het enige wat ik verder bezit, is de erepenning van Zaltbommel. Die kon ik niet weigeren, want die was al geslagen toen ze me vroegen. Uiteindelijk was het een mooie dag en vond ik het jammer dat mijn ouders niet hebben kunnen meemaken hoever Fiepie het had geschopt. Mijn vader zei nooit iets over mijn werk, maar toen ik na zijn dood zijn bureau opruimde, vond ik een hele map met allemaal knipsels van mijn werk.’