H.J.A. Hofland

Uruzgan als nederlands moeras

Eind vorige week was de CIA ervan overtuigd dat Ayman al-Zawahari, de plaatsvervanger van Osama bin Laden, zich verborgen had in het gebied van een Pakistaanse stam aan de grens met Afghanis tan. Er op af. Onbemande vliegtuigen voerden met chirurgische precisie de aanval uit. Door het bombardement vielen achttien doden, maar niet al-Zawahari. De CIA had zich vergist. Daarna gingen in het hele land duizenden mensen de straat op en de Pakistaanse regering (bondgenoot van Amerika) veroordeelde de aanval. In Washington zei senator John McCain, partij genoot maar scherp criticus van president Bush, dat de Amerikanen de vergissing betreurden «maar dat deze oorlog tegen de terreur geen grenzen heeft. We moeten die mensen opsporen en onschadelijk maken.»

In de discussie over de uitzending van Nederlandse troepen naar Afghanistan is een dergelijk scenario geopperd. «In de noordelijke bergen van Uruzgan hebben Amerikaanse spionagevliegtuigen een geheim kampement ontdekt. Waarschijnlijk is het een schuilplaats van tien à twintig Talibanstrijders. Volgens het hoofdkwartier van de Isaf bereiden ze een aanslag voor. De Nederlandse commandant krijgt de opdracht dat te doen wat de operationele omstandigheden onder enig moment vereisen» (NRC Handelsblad, 16 januari). Dat wil zeggen: aanvallen! Laten we hopen dat de spionnen zich dan niet hebben vergist, dat de Talibanstrijders zich overgeven en in Kaboel een openbaar proces krijgen, zonder martelen en zonder doodstraf.

Maar gesteld dat de CIA weer massavernietigings wapens heeft gezien? Gesteld dat, zoals bij nader on derzoek zal blijken, onze jongens een stuk of tien tot twintig onschuldige papavertelers hebben doodgemaakt? Wat dan? De Nederlanders hebben intussen tientallen waterputten geslagen en scholen gebouwd. Legt de plaatselijke bevolking zich, gezien deze verzachtende omstandigheden, volgens de regels van John McCain bij de vergissing neer? De hoofdman van de ongeschonden bende verschijnt op een video voor de tv van Al Jazeera en verklaart dat de Nederlandse knechten van George W. Bush voor hun beulsexamen zijn geslaagd. In Uruzgan breken onlusten uit. Meer doden, nog meer onlusten. Alle waterputten voor niets.

Is dit een gechargeerde voorstelling? Geen sprake van. Het is niets anders dan een voor de hand liggende variant op of de voortzetting van het grote Iraakse drama. Na veel Haagse kruip-door-sluip-door begint het debat over de uitzending van Nederlandse troepen naar Uruzgan nu eindelijk de contouren te krijgen die het verdient. Het heeft drie hoofdstukken. De Nederlandse verplichtingen jegens het bondgenootschap en daarmee verbonden onze internationale reputatie. De omstandigheden waaronder de Nederlandse soldaten hun werk zullen moeten doen. En de kans dat ze dit werk tot een goed einde zullen brengen.

Door nu nog van uitzending af te zien, zal Nederland internationaal ernstig gezichtsverlies lijden, zeggen de secretaris-generaal van de Navo, J. de Hoop Scheffer, de ex-ambassadeur bij de Navo, M. Patijn, en bijna het hele kabinet. Ze hebben recht van spreken. «Wij hebben altijd beleden dat we onze belangen het best kunnen verdedigen via de Verenigde Naties met de Navo als hoeksteen van het veiligheidsbeleid, en de Europese Unie», zei Patijn. Niets tegen in te brengen. Na 9/11 heeft de Navo naar de letter van het verdrag gereageerd: een aanval op een van de leden is een aanval op allen. Dat de Navo daarna, bij de VS-operatie Enduring Freedom niets te vertellen had, is een andere zaak. Overigens zijn er al 713 Nederlandse militairen in Afghanis tan, van wie 245 gedetacheerd bij Enduring Freedom.

William Pfaff, geen vriend van de Bushies, wijdt ook aandacht aan de internationale context. Na de verwerping van de Europese grondwet, schreef hij, kan Nederland de volgende bijdrage leveren tot ondermijning van de Navo door geen troepen naar Uruzgan te sturen. Misschien ziet Pfaff de Navo als het beste alternatief voor Amerika in de strijd tegen het terrorisme en vindt hij dat daarom de organisatie in stand moet worden gehouden. Dat stond er niet bij.

De uiterste conclusie van dit hoofdstuk zou dus kunnen zijn dat Nederlandse soldaten hun leven moeten wagen, niet in de eerste plaats om Afghanistan op te bouwen maar om het bondgenootschap voor verder verval te bewaren. Is dat werkelijk een overweging, dan hoort die in het kamerdebat aan de orde te komen.

Hoofdstuk twee: de omstandigheden ter plaatste. Een overtuigende beschrijving lijkt me die van de Australische Carmela Baranowska, die een documentaire over Uruzgan heeft gemaakt. Jammer dat die hier nog niet is uitgezonden. In een gesprek met de Volkskrant zei ze: «Voor de meeste Afghanen zijn Amerikanen, Australiërs en Nederlanders lange blanke kerels. Ik vrees dat ze het verschil niet zien.» Haar beeld is, samengevat, dat van een onherbergzame streek na een barbaarse bezetting onder een corrupt bestuur.

Hoofdstuk drie: het goede einde. Per dag groeit op het ogenblik de kans dat in plaats van rust, orde en wederopbouw te verzekeren, we ons mengen in een ontluikende burgeroorlog, zoals die in Irak. Daarin kiest de buitenlandse vredestichter altijd de verkeerde partij, komt dan terecht in het plaatselijke moeras waaruit niet met ere te vertrekken valt. De exit strategy moet dus in het kamerdebat aan de orde komen. Verder: wat doen we met de papavers waaruit de vooral in Amerika gevreesde verdovende middelen worden gemaakt? Plantages voor nederheroïne, naar het voorbeeld van nederwiet, zullen door Washington niet worden toegestaan. Tenslotte: welke garanties hebben de Nederlandse troepen tegen een onverhoeds unilateraal Amerikaans ingrijpen? Daarover moet minister Rumsfeld persoonlijk uitsluitsel geven aan collega Kamp.

Als deze, mij dunkt zeer redelijke vragen zijn beantwoord, kunnen we serieus overwegen of we nog meer troepen zullen sturen.