Commentaar

Uruzgan: weegmoment voor het parlement

Uruzgan: weegmoment voor het parlement
Wat konden volk, vijand en bondgenoot leren van het Uruzgan-spoeddebat van afgelopen week? Drie dingen. Ten eerste dat zowel de regering als het parlement de bondgenoten wantrouwt. Niemand heeft zich gemeld om vanaf 1 augustus 2007 de leidende rol van Nederland in Uruzgan over te nemen en niemand verwacht dat dit nog zal gebeuren. Rara, hoe gaat de Navo dit oplossen? Met een dringend beroep op Nederland, wellicht?
Ten tweede: dat een overweldigende Kamermeerderheid vindt dat Nederland na 1 december 2010, als de terugtrekking van de eenheden die de huidige missie uitvoeren voltooid is, niet meer militair actief moet zijn in Uruzgan. Dat sluit echter een (lichte) militaire missie elders in Afghanistan niet uit. Bovendien: hoe recht blijft de rug van het kabinet als zich inderdaad geen Navo-opvolger in Uruzgan aandient? Formeel is geen goedkeuring van de Kamer nodig voor militaire inzet. Je hoort het de premier al zeggen: ‘Dit is een nieuw weegmoment. Wij nemen onze verantwoordelijkheid. We kunnen de bevolking van Uruzgan na al die jaren toch niet in de steek laten!’
En ten slotte: dat Nederlandse politici geen idee lijken te hebben waarover ze spreken. Militairen worden ‘jongens en meiden’ genoemd alsof het om een fuif van de jeugdsoos gaat. Men beschuldigt elkaar van draaien, voor de beurt spreken en het niet-voeren van de regie, maar verzuimt een analyse te maken van deze oorlog, eentje waar Nederland diep in verzeild is geraakt, met 21 gesneuvelden en tientallen verminkten aan eigen kant, en een veelvoud bij de tegenstander. Soms worden ook onschuldigen gedood. Vorige week nog, toen een Nederlandse F-16 een huis bombardeerde waaruit Taliban-strijders vuurden terwijl er kinderen binnen waren.
Het is opvallend hoezeer de Kamer het initiatief bij de regering legt in de kwestie-Uruzgan. Maar in deze zaak van oorlog en vrede behoort het parlement initiatief te tonen, in plaats van te wachten totdat de volgende minister voor zijn beurt spreekt. Juist nu zou een eigen analyse op zijn plaats zijn, want er is een omslagpunt bereikt.
Deze oorlog begon als een rechtvaardige strijd tegen een onderdrukkend regime dat een internationale terreurorganisatie onderdak bood. Door wanbeleid op politiek, militair en sociaal-economisch gebied is die oorlog nu zo goed als verloren. Het grootste gevaar nu is niet het toenemende geweld van de Taliban, maar de aankomende verkiezingsuitslag die een stevig frauderende Hamid Karzai aan het roer zal houden. Hij is zijn gezag bij de bevolking volkomen kwijt, en zal alleen daarom al de opstand niet kunnen beteugelen. Steeds meer ontevreden stammen en milities steunen de Taliban. Niet omdat ze hun stenen-tijdperk-islam zo fijn vinden, maar omdat ze van het slappe, corrupte Kaboel helemáál niets te verwachten hebben.
Zo’n strijd win je niet met militaire macht. De vraag is: hoe wel?
Waar het in het parlement ook nog steeds niet over is gegaan: Nederland steunde Karzai en pompte miljoenen in het corrupte verkiezingsproces. Hoe gaan we dat rechtzetten?
Het ‘weegmoment’ moet niet behelzen of Nederland wel of niet moet ingaan op een nieuw Navo-verzoek om troepen te leveren. Wat gewogen zou moeten worden zijn de mogelijkheden die Nederland heeft om zo zinnig mogelijk bij te dragen aan het beëindigen van de strijd in Afghanistan. De vraag is of dat militaire middelen moeten zijn, nu de opstand zo ver gevorderd is dat we de goeden nauwelijks meer van de kwaden kunnen onderscheiden.