Utrecht en de politiek

© Gorilla

Het motief van de schutter die maandag in Utrecht drie mensen doodde en vijf verwondde? Daar is op het moment van schrijven nog weinig echt over bekend. Dat is onbevredigend. Niet alleen voor journalisten, maar ook voor het publiek, dat dan ook onmiddellijk na de eerste nieuwsberichten naarstig op zoek ging naar meer informatie. Omroepen uit de hele wereld richtten hun camera’s op Utrecht, omdat daar mogelijk een terroristische aanslag was gepleegd. Op nieuwssites verscheen het breaking news naast de achtergrondartikelen over Christchurch.

Iedereen voelt dat het iets hijgerigs heeft om alles van deze afschuwelijke daad te willen weten en voor de feiten uit te gaan lopen. En toch is er bij iedereen die behoefte om elk snippertje informatie te vergaren en dat met anderen te delen, zelfs als het geruchten zijn. Eigenlijk wilden we, met de aanslag in Nieuw-Zeeland vers in het geheugen, vooral weten of het motief een islamitische grondslag had of een anti-islamitische. Was het überhaupt een terroristische aanslag? Daar had het alle kenmerken van, zo lieten de autoriteiten weten. Toen de naam van de verdachte bekend werd gemaakt, bleek al snel dat hij zich twee weken geleden voor de rechter moest verantwoorden voor een verkrachting. Was dat dan het motief? ’s Avonds schoof terrorismedeskundige Beatrice de Graaf aan bij De wereld draait door om alle scenario’s nog eens langs te lopen.

Waar komt die behoefte vandaan om alles tot ons te nemen, ook als we niet weten wat waar is? Waarom hangen we met onze vinger boven de F5-knop van ons toetsenbord terwijl we op onze telefoon of televisie het laatste nieuws volgen? Is het omdat die informatie nou eenmaal voorhanden is via sociale media? Of zijn we door de aanslagen die in het Westen zijn gepleegd en de nadruk op de dreiging daarvoor vooral op zoek naar bevestiging van ons eigen gelijk of juist het tegenovergestelde?

De autoriteiten past op zo’n moment terughoudendheid. Vandaar dat de NCTV en de politie zich in alle hectiek beperkten tot feitelijke mededelingen. Zo wilden ze tegelijkertijd tegemoet komen aan de collectieve informatiehonger en wilde geruchten de kop in drukken. Ook (bijna alle) politieke partijen schortten hun campagne op. Toch liet premier Rutte tijdens de eerste persconferentie de terughoudendheid even varen door alvast een schot voor de boeg te geven. ‘Een daad van terreur is een aanval op onze tolerante en open samenleving’, zei hij. Terwijl hij diezelfde persconferentie begon met het voorbehoud dat hij nog geen uitsluitsel kon geven over het motief van de dader.

Als er straks meer duidelijkheid is zal de hijgerigheid niet verdwijnen. Mocht de dader ideologisch gedreven zijn, dan zal de discussie langs inmiddels vertrouwde lijnen verlopen, zoals dat gebeurde na vrijwel iedere terroristische aanslag sinds 11 september 2001, inclusief die in Nieuw-Zeeland vorige week. In de opiniekaterns zal worden gewaarschuwd voor gevaarlijke denkbeelden en de uitdragers ervan, journalisten zullen de meest uitzinnige uitspraken fact checken en de maatschappelijke tegenstellingen zullen alleen maar verder verscherpen. En ook als de schutter geen terrorist blijkt te zijn, zal zijn Turkse achtergrond worden aangegrepen om de grijsgedraaide plaat over het ‘multiculturele drama’ opnieuw af te spelen. Je hoopt dat de politiek tegenwicht zal bieden, maar dat lijkt ijdele hoop als je nu al ziet dat sommige politici zelfs geen opheldering afwachten om de tragedie in Utrecht te misbruiken voor hun eigen electorale gewin.