Uu… wachtsje efkes!

‘Kom, noch in sliepmutske en dan under 'e vodden’, sprak Olivier B. Bommel.
Dat betekent: ‘Komaan, nog een slaapmutsje en dan onder de wol.’
‘Sjuch hjir ris, nuvere, swarte fuotwanden, hear Olly!’ zei Tom Poes.
In het orgineel staat: ‘Kijk hier eens, rare, zwarte voetstappen!’

Wij spreken over Tom Poes en it Kukel (1963), een van de klassieke verhalen van Marten Toonder, dat sinds een paar weken door de Leeuwarder Courant wordt gepubliceerd. In het Fries. Het is een interessant experiment. Want niet alleen lijken de verhalen van Tom Poes en zijn vaderlijke vriend O. B. Bommel bij uitstek met het Nederlands verweven, zij zijn vooral verweven met het Ollie- bee-bommeliaans, de specifieke taal die Toonder heeft uitgevonden.
Het is een jargon dat, leek mij, even moeilijk te vertalen is als het proza van James Joyce en Vladimir Nabokov.
Het karwei is echter op een overtuigende wijze geklaard. Het verfriezen van de namen leek nog het geringste probleem. Brigadier Snuf heet Sneup, terwijl zijn chef commissaris Bulle Bas in Bylstra is herdoopt. De bediende Joost heet natuurlijk Joast, juffrouw Doddel is juffer Oekje geworden en de lichtelijk debiele Wammes Waggel heeft als Wytse Watses een complete gedaanteverwisseling ondergaan.
Dat het mega-genie professor Prlwtyszkofsky moeilijk te verfriezen viel, is duidelijk. Maar hoe staat het met zijn jargon, zoals bekend een soort steenkolenrommeldams? Het leek mij de hardste noot om te kraken. Echter, de (anonieme) vertaler is er ook op dit punt goed uitgekomen. ‘Mijn krachtwagen is tot dril gemaakt, schrikkelijk, wat!’ kloeg de geleerde. Dat werd: 'Myn kreftwein ys oan brij makke; skrikluk, wat- te!’, wat mij werkelijk een hoogst bevredigende oplossing lijkt.
'De geestelijke vader van de Bommelverhalen heeft er altijd een kinderlijk plezier in gehad onzinwoorden te bedenken’, constateert de schrijver Gerrit-Jan Zwier in een begeleidend commentaar. Dat betekent dat de vertaler zich gelukkig mag prijzen dat zich in louter orakeltaal uitdrukkende figuren als de magier Hokus Pas en de New Age-kabouter Kwetal geen rol spelen in Tom Poes en it Kukel, laat staan een getalenteerde schelder als de Grauwe Razer. Zouden er Friese equivalenten bestaan voor woorden als krotenkoker, doorgeblazen dolgat, puingruwel, schuddekop, schuifelbeen, dommelgat, jammerkoek, opgekraamde halfsleet, zwamdraad, opgelapte reklaars, jibbelkoek, prakvezel, schrompelkop en opgekookt pretlicht? Ik ken ze niet, met mijn slechts passieve kennis van het Fries, maar ik heb het gevoel dat de (anonieme) vertaler er te zijner tijd wel weg mee zal weten.
Net als met het uitgedroogde bureaucratenjargon van de ambtenaar-der- tweede-klasse Dorknoper. En met de poezie van de markies de Cantecler, een vergeten Vijftiger die naar mijn mening nog steeds niet de erkenning heeft gevonden die hij verdient. En met het Beursplein-5-proza van de industrieel Amos W. Steinhacker, die straks, in een volgende aflevering, wel zoiets als Lolke Spoelstra zal heten.
Jammer dat ik eigenlijk geen andere, niet-Nederlandse versies van de Bommelverhalen ken. Ik zou best willen weten hoe de dames en heren buitenlanders al die - ogenschijnlijk onoplosbare - vertaalproblemen te lijf zijn gegaan.