Zoeken naar moed en diepgang in Venetië

Uw land bestaat niet

De Biënnale van Venetië zoekt dit jaar geen politiek engagement, en heeft geen tijd voor nationalisme, zegt de curator, Bice Curiger. Ze vergist zich.

DE PRESENTATIE van de Republiek IJsland op de 54ste Biënnale van Venetië bestaat uit een rondvarende gondel met daarin een zangeres, een gitarist en een trompettist. De zangeres meldt al zingend aan passerende Venetianen en andere buitenlanders op de kade dat zij een boodschap te verkondigen heeft: ‘Il tuo paese non esiste’: jouw land bestaat niet. Deze boodschap brengt zij in naam van Ólafur Ólafsson en Libia Castro, een IJslands-Spaans kunstenaarsechtpaar dat woont en werkt in Rotterdam. Drie jaar geleden deden zij mee aan het project 'Becoming Dutch’, in Eindhoven, over wat 'ons Nederlanders’ tot Nederlanders maakt; nu dragen zij een IJslandse visie uit. Kennelijk zijn zij overal op hun plaats.
Het nationale aspect maakt de Biënnale van Venetië nog altijd interessant. Het is een erfenis van de late negentiende eeuw, toen de nog jonge Europese natiestaten hier hun beste beentje voor zetten, en dat podium is nog altijd relevant. In de openingsweek kwamen de staatshoofden van Israël, Argentinië, Australië, Montenegro, Azerbeidzjan en Georgië hun opwachting maken; extra aandacht ging uit naar de presentaties van Andorra, Bangladesh, Haïti en Saoedi-Arabië, die voor het eerst in Venetië hun 'gezicht’ laten zien.
Wie dus opkijkt van die IJslandse boodschap, gebracht door een half-Spaans, Nederlands sprekend stel uit Rotterdam, staat in Venetië nog het een en ander te wachten. Noorse en Duitse kunstenaars zijn te zien in de Italiaans/Latijns-Amerikaanse missie, werk van Wendelien van Oldenborgh hangt in het Deense paviljoen, Yannis Kyriakides uit Cyprus is deel van de Nederlandse equipe, Polen koos voor een Israëlische filmmaakster, om nog te zwijgen van de curator-carrousel: Fulya Erdemci woont en werkt in Amsterdam en bezorgde de Turkse presentatie, de Nederlander Henk Slager organiseerde de Georgische tentoonstelling, en de Turk Vasif Kortun was weer de curator van de Verenigde Arabische Emiraten. Enzovoort.
Het doorbreken van die oude landenstructuur is zeker een indicatie van openheid en gezond verstand. Internationalisering is immers een feit, en alleen de kleinsten van geest houden nog vast aan grens en vlag. De Nederlanders maken daarin een ontwapenend gebaar: zij presenteren zich als een theater, een podium waar iedereen op mag en waar de Nederlandse context alleen in de vorm van decorstukken aanwezig is. Wij zijn geen natiestaat, maar een open structuur, dán maar met wat minder 'eigen’ gezicht. Dat wil niet zeggen, overigens, dat 'wij’ daardoor onzichtbaar zijn geworden. Als je in de honderden Venetiaanse tentoonstellingen het aantal kunstenaars turft dat in Nederland gevormd is, of er woont, dan wel het aantal projecten telt dat met Nederlandse steun ontstaan is, dan is Nederland misschien wel het belangrijkste kunstland van Europa.

HET LIJKT erop dat sinds een paar jaar de curatoren van de Biënnale een al te sterk politiek engagement uit de weg gaan. Twee jaar geleden heerste er een post-Bush-stemming, die kunstenaars weer vooral als pure creatievelingen presenteerde, vol goede ideeën over thema’s als lokale cultuur en globalisering, maar niet in de greep van grote visioenen. Op zoek naar een maakbare wereld. De Zwitserse Bice Curiger (62) heeft dit jaar die depolitisering nog verder gevoerd. Engagement is zo tijdgebonden, zei ze vooraf, en wordt zo sterk door de media gekleurd, daar kun je beter verre van blijven. Haar Biënnale concentreert zich op klassieke begrippen - vorm, materiaal - met een sterke voorkeur voor kunstenaars uit Centraal-Europa, waaronder nogal wat grootheden uit de jaren zestig en zeventig. De premisse van haar Biënnale is 'Illuminazoni’, een handige samentrekking van 'verlichting’ en 'naties’, wat staat voor wederzijdse interactie tussen kunstenaars, de relatie tussen kunst en populaire cultuur en (onvermijdelijk) kwesties rond 'identiteit’.
Voor haar eigen tentoonstelling, verdeeld over twee gebouwen, koos ze 84 kunstenaars. Het resultaat is nogal traditioneel te noemen. Sober, Zwitsers, intelligent, maar terughoudend, niet op zoek naar een groot gebaar. Dat heeft zijn goede kanten: niet meer die tientallen video’s, blatend, alles door elkaar; geen geforceerde politieke statements en - gelukkig - ook geen overdosis onverteerbare intellectuele concepten. Je zou ook kunnen zeggen: geen risico’s, geen schokeffecten.
Op één na, dan: Curiger hing in de grote hal van het Palazzo delle Esposizioni drie grote schilderijen van Jacopo Robusti oftewel Tintoretto (1518-1594), twee uit de Accademia van Venetië en één, Christus op de Bruiloft van Kana, uit de San Giorgio Maggiore. Het zijn schilderijen die er niet om liegen. De Roof van het lichaam van St. Marcus is een doek zoals er maar twee of drie op de hele wereld bestaan. Niets daarin is meetbaar of grijpbaar. Het lichaam van de heilige wordt uit Alexandrië gestolen door de Venetiaanse schippers, dat is duidelijk, maar daaromheen is alles out of joint, een chaos van engelen en geesten en vluchtende figuren in een bizar, stormachtig perspectief. Veel van Tintoretto’s werk wordt bepaald door het moedwillig verlaten van de meetkundige zekerheden van de Renaissance. Zo er ooit een avant-gardist was, dan hij. Je vraagt je dus af of Curiger die drie doeken koos als beginakkoord voor een tentoonstelling van antiklassieke kunstenaars, dynamische afbrekers, liefhebbers van de dissonant en de onzekerheid, outsiders buiten stijl of trend. Als dat zo is, dan komt ’t niet uit, domweg omdat de gemiddelde maat van de getoonde hedendaagse kunstenaars door Tintoretto lelijk te kijk wordt gezet. Ze verbleken erbij. Zoveel minder moed, zoveel minder risico.
Uitzonderingen daargelaten. Er is, bijvoorbeeld, een formidabel stuk werk van Omer Fast, een prachtige film met een deels nagespeeld interview met de bestuurder van zo'n onbemand Amerikaans militair vliegtuigje, een drone. Kalm worden verhalen verteld van mensen die nét op de verkeerde plek stonden, kennelijk iets verdachts deden, en daarom werden getroffen door een raket-uit-het-niets. De 'piloot’ vertelt er nerveus over - het was zijn werk, de observaties waren haarscherp, de feiten spraken voor zich. Hij heeft geen wroeging.
Buiten de officiële tentoonstelling, in de paviljoens van de deelnemende landen, zijn meer kunstenaars te vinden die zich met Tintoretto kunnen meten. Verreweg het meest intens is Thomas Hirschhorns werk in het Zwitserse gebouw; hij herschiep dat tot een zinderend doolhof van wit plastic en aluminiumfolie en glas en plakband, waarin elke vierkante decimeter betekenis lijkt te hebben. Alles is ingepakt, opgetild, verhevigd, verdraaid. Honderden mobiele telefoons, beplakt met scherpe kristallen. Ingepakte fitnesstoestellen. Glasscherven op een muurtje. Tientallen tijdschriften met roddelachtige voorpagina’s over politici. Hier regeren de onvrede en de kritiek, met een jongensachtige banaliteit die heel toegankelijk is maar tegelijkertijd gevaarlijk. Je kunt je eraan snijden, letterlijk.

ER ZIJN nog meer van dit soort 'grote’ werken. Het Duitse paviljoen is een kerk geworden, geheel ingericht voor de memorie van Christoph Schlingensief, barok, theatraal, maar zeer emotioneel. In het Arsenaal wordt de briljante film The Clock van Christian Marclay vertoond, vorig jaar nog de hit op Frieze. Het is een vernuftige montage van duizenden filmfragmenten waarin klokken te zien zijn of de tijd wordt gevraagd, en de film is zo zelf een klok geworden: de gefilmde tijd loopt exact synchroon met de werkelijke tijd, 24 uur lang. In het Arsenaal staan ook de echte showstoppers, zoals Urs Fischers levensgrote kopie in was van Giambologna’s Sabijnse Maagdenroof (1583), die als een enorme kaars aan de bovenkant brandt. Maar ook: de subtiele herinneringen aan Abchazië van Andro Wekua. Hij werd geboren in Soechoemi, maar behoort tot de Georgiërs die daaruit door de burgeroorlog werden verdreven; op een groot plateau toont hij een dozijn maquettes van gebouwen die aan zijn herinneringen zijn ontsproten - een gedroomde stad. Politieke betrokkenheid is natuurlijk expliciet in het Italiaans/Latijns-Amerikaanse paviljoen, waar de rechten van inheemse volken worden bepleit, Chavez belachelijk wordt gemaakt, maar ook de opportunistische houding van de Verenigde Staten ten opzichte van Brazilië te kakken wordt gezet.
Er is nog een trend, binnen die 'nazioni’. De curator heerst over haar tentoonstellingen, maar de Biënnale heeft geen zeggenschap over de individuele paviljoens. 'Wij zouden de criteria waarmee Iran of China hun kunstenaars hebben gekozen ter discussie kunnen stellen, of de waarden die curatoren zeggen te hanteren’, zei Curiger, 'maar de nationale paviljoens en de confrontaties tussen landen zijn twee kern-eigenschappen van de Biënnale.’ Dat is een neutraal standpunt, maar ondertussen groeit het aandeel van onplezierige regimes, die hier mooi weer komen spelen. Die zijn niet allemaal zo oliedom als de president van Azerbeidzjan, Aliyev, die tijdens de opening verordonneerde dat twee werken van Aidan Salakhova moesten worden afgedekt vanwege een 'ongevoelige’ verwijzing naar de islam. Veel naarder is de enorme installatie van Saoedi-Arabië, vervaardigd door twee vrouwelijke kunstenaars, Raja Alem en Shadia Alem. Een grote zwarte steen, een doos vol kiezels (verwijzend naar de ka'aba en de hadj) en flauwe dia’s over Marco Polo. Dit is moslim-devotiekitsch met een hoog Theresienstadt-gehalte, gemaakt voor een smerige dictatuur waar je als vrouw nog gemakkelijk je hoofd verliest. Trap er niet in.
Nog brutaler is de presentatie van Pan Gongkai van de Volksrepubliek China. Een lichtende tunnel met kalligrafie op de wanden waarin het letters 'sneeuwt’. Heel fraai, maar onder het boeddhistische laagje ligt een sarcastische boodschap. De smeltende letters staan voor 'westerse visies’, lees: kritiek, die als sneeuw voor de zon verdwijnen op de vormen en waarheden van 'traditioneel’ China. Met andere woorden: 'Lazer op met je moraal, wij doen met Ai Wei Wei wat wij willen.’ Hier bijt dat oude idee van nationale 'criteria’ in zijn staart. Pijnlijk.
Wat, ten slotte, is dan het beste werk? Ik zeg: de drie films van Yael Bartana in het paviljoen van Polen, onder de titel … and Europe will be stunned. Twee daarvan waren al in Nederland te zien. Het is een verwarrende en confronterende fictie over een beweging, in Polen, die de joden oproept terug te keren. De leden dragen witte hemden en rode halsdoeken, als nieuwe Pioniers. Ze bouwen in Warschau een eigen compound, dat zowel een kibboets als een getto als een concentratiekamp lijkt; in de derde film wordt de vermoorde leider van de beweging in een massabijeenkomst door sprekers herdacht.
Er worden zeer harde dingen over het Poolse verleden gezegd, maar in één moeite door wordt een oproep gedaan tot een nieuwe integratie van alle 'oude’ volkeren op Europees niveau, de enige logische toekomst, als je ervan uitgaat dat er geen 'uitverkoren volkeren’ zijn. Die boodschap wordt verpakt in de vormentaal van het zionisme en het socialisme, statig, geüniformeerd, massaal. De toespraken zijn zeer sterk en toch lijkt de hele exercitie ook ironisch.
In zo'n complexe presentatie zet een land als Polen zijn hele geschiedenis open voor discussie. Het kiest daarbij voor een buitenstaander om dat gesprek te entameren en de Polen voor te houden dat ook hun land, op den duur, niet meer zal bestaan. Het engagement is niet per se politiek, maar het toont in elk geval een diepgang, die in deze tijd onontbeerlijk is. Het is het enige paviljoen waar ik de bezoekers werkelijk aangedaan naar buiten heb zien komen.

www.labiennale.org.
Nederlands paviljoen: www.venicebiennale.nl