Politieke correctheid - De terugkeer van de lange tenen

Uw mening wordt niet op prijs gesteld

In onze slachtoffercultuur is de grootste troef: ‘ik ben beledigd’ – en de drempel om beledigd te worden wordt steeds lager. We maken de heropleving mee van een sentiment dat in de jaren tachtig en negentig dominant was. Hoe ziet de nieuwe gedaante eruit, en waarom die terugkeer?

Medium groene trigger 20warnings 1

In 1996 gaf de classicus Coleman Silk een college aan Athena College in een vak dat in de volksmond ‘ghm’ werd genoemd – kort voor Goden, Helden en Mythes. Athena was een ‘antiquated, backwater, Sleepy Hollowish college’, een klassiek _liberal arts-_college zoals je die aan de Amerikaanse westkust volop hebt. Voor Silk was het vak een terugkeer naar het lokaal, nadat hij enkele jaren de decaan was geweest; een bijzondere aanstelling toentertijd, want hij was de allereerste jood die het tot professor in de klassieken had geschopt aan Athena, en de allereerste decaan.

Zijn werkgroep bestond uit veertien studenten, en na een paar colleges vroeg hij zich in de klas hardop af wie toch de twee studenten waren die wel op de presentielijst stonden maar nog nooit waren komen opdagen. ‘Kent iemand deze mensen?’ had hij gevraagd. ‘Bestaan ze of zijn het spoken?’

Nog diezelfde middag werd Silk op het kantoor geroepen van de decaan, zijn opvolger. Er waren klachten over racisme binnengekomen. Het door hem gebruikte woord voor spoken, ‘spooks’, was een oude pejoratieve term voor donkere mensen – en de twee afwezige studenten bleken zwart te zijn. Silk probeerde uit te leggen dat hij het over geesten had, dat hij wilde grappen dat hij zich afvroeg of ze wel bestonden, zoals geesten – maar de beslissing stond vast: Silk werd geschorst.

Medium groene tw sticker 9

Voor de volledigheid: Athena bestaat niet, Coleman Silk is verzonnen door Philip Roth, ze zijn het decor en de hoofdpersoon van zijn ‘great American novel’ The Human Stain (2000), een zedenschets van de benauwende politieke correctheid die in de jaren negentig om zich heen sloeg. Toen het boek uitkwam werd het onthaald als een vlijmscherpe analyse van, en een bizarre satire op, een cultuur die hysterisch reageerde op alles wat voor racisme of seksisme kon worden aangezien, terwijl in diezelfde cultuur hele volksstammen voor de buis hingen om hun president Clinton over zijn seksleven te horen vertellen. Roth zal die lof met een zeker gevoel voor ironie hebben aanvaard, want al in de jaren zeventig, net na het Watergate-schandaal, zei hij al eens dat satire bedrijven in de VS eigenlijk een onmogelijke opgave is. De cultuur is zo grotesk, de personen en hun meningen zijn zo over the top dat je als schrijver niets kon winnen met komische uitvergroting.

Wie The Human Stain vandaag leest, vindt het lot van Coleman Silk nauwelijks nog schrikbarend – of tenminste, het is wel schrikbarend, maar niet eens heel bijzonder. Silks lot is geen uitvergroting meer, maar bijna een verkleining. De afgelopen jaren kwamen in de VS steeds vaker dit soort zaken in het nieuws, waarbij kleine, onbedoelde gebeurtenissen werden aangegrepen om er grote zaken van te maken. In 2008 werd een blanke student aan Indiana University-Purdue University in Indianapolis geschorst omdat hij een boek bij zich had met een foto van een Ku Klux Klan-rally op het omslag. Het boek was Notre Dame vs. The Klan, waarin juist wordt beschreven hoe Notre Dame-studenten nobel protesteerden tegen een bijeenkomst van de Klan op hun universiteit in 1924. Maar een costudent voelde zich alleen al door het zien van het omslag beledigd, diende een klacht in, en de universiteit kwam in actie.

Of in 2013, toen werd gedemonstreerd tegen een docent aan ucla omdat hij een taalfout uit een paper van een student had gehaald, die ten onrechte ‘indigenous’ (inheems) met een hoofdletter had gespeld. De demonstranten vonden dit een vorm van discriminatie, want vanuit hun persoonlijke ideologie verdiende een term voor inheems juist een hoofdletter.

Het zijn grote en kleine zaken, waarvoor inmiddels een heel jargon is ontstaan dat ‘micro agressions’ en ‘vindictive protectiveness’ van elkaar moet scheiden. Soms lopen ze met een sisser af, soms rollen er koppen – waar je dan direct bij moet zeggen dat ‘soms rollen er koppen’ metaforisch bedoeld is, want binnen ‘PC-culture’ kan alleen al het gebruiken van agressieve beeldspraak gelijk staan aan agressie. Denk aan de studente aan Oberlin College die eiste dat haar hoogleraar rechten de zin ‘That violates the law’ niet meer gebruikte, want dat zou kwetsend zijn voor iedereen die ooit ‘violated’ was, seksueel of discriminerend. Of denk aan de docente aan Bergen Community College die op Facebook was te zien in een yoga-sessie, waarbij ze een T-shirt droeg met de tekst ‘I will take what is mine with fire blood’ – een bekend citaat uit Game of Thrones; bedoelde ze soms dat ze wraak ging nemen op haar collega’s nadat ze voor een promotie was gepasseerd? Ze werd op nonactief gesteld.

De nieuwe politieke correctheid manifesteert zich door elke woordgrap letterlijk te nemen, door elke ironie te missen

De nieuwe politieke correctheid manifesteert zich door elke woordgrap letterlijk te nemen, door elke ironie te missen, door constant te proberen ergens een belediging in te vinden. Zoals Maarten van Rossem het eens verwoordde: elke politieke correctheid creëert zijn eigen discriminatie. De onderwerpen zijn de omgang met minderheden, met vrouwen, met het slavernijverleden, met migratie, met seksuele oriëntatie en seksuele intimidatie, met genderpolitiek, met identiteit.

En het is een houding die je niet alleen op campussen in de VS aantreft, maar juist een die zich door digitale media over de hele (westerse) wereld verspreidt. Gezaghebbende Amerikaanse bladen als The New Republic en The Atlantic zitten er bovenop, houden speciale blogs bij over de ‘return of PC-culture’: want het is een terugkeer, een heropleving van een sentiment dat in de jaren tachtig en negentig dominant aanwezig was. De vraag is dan: hoe ziet de nieuwe gedaante eruit, en waarom komt het nu weer terug?

Medium groene tw sticker 2

Dat PC-culture juist zo floreert op campussen is nog redelijk goed te verklaren. Onlangs publiceerden de sociologen Bradley Campbell en Jason Manning in een wetenschappelijk tijdschrift (Comparative Sociology, volume 13, issue 6) een artikel over de opkomst van wat zij ‘victimhood culture’ noemden. Het artikel werd al snel door verschillende media opgepikt en overgenomen. Volgens Campbell en Manning kan een beledigd persoon op verschillende manieren reageren, afhankelijk van de cultuur waarin hij zich bevindt. In een ‘honor culture’, zoals we die in de negentiende eeuw hadden, voelt hij zich snel aangetast in zijn persoonlijke eer, zelfs als de belediging onbedoeld zou zijn (een micro agression) en zoekt hij onmiddellijke, serieuze compensatie voor zijn leed. Maar in een honor culture zou de persoon de belediging nooit aan de grote klok hangen of om hulp vragen, hij zou de belediging unilateraal ongedaan willen maken. In een ‘dignity culture’, zoals we die in de tweede helft van de twintigste eeuw hadden, zou een beledigde partij geen moeite hebben om bij een derde partij aan te kloppen voor steun, alleen zouden ze dat niet doen voor een kleine, of onbedoelde belediging; in een ‘dignity culture’ is de belediging terzijde schuiven als onbelangrijk de chicste weg.

In een ‘victimhood culture’ daarentegen is er sprake van een verhoogd gevoel voor status (net als in een ‘dignity culture’), plus een snelle aantasting van het eergevoel (net als in een honor culture). Alleen geldt in een slachtoffercultuur niet het recht van de sterkste, maar dat van de zwakste. ‘The moral status of the victim (…) has risen to new heights’, schrijven Campbell en Manning. En dus worden beledigingen breed uitgemeten aan derde partijen, wordt er steun gevraagd, een zaak gemaakt waarbij zo veel mogelijk mensen worden betrokken. gt;

Juist de campus voldoet aan alle randvoorwaarden die volgens de sociologen nodig zijn om een slachtoffercultuur te kweken: een kleine, relatief afgesloten omgeving, bevolkt door leden die ver weg zijn bij hun traditionele ‘families, stammen of clans’, waarbij er enige diversiteit en ongelijkheid is, maar wier leden bijna gelijk zijn, want ‘a morality that privileges equality and condems oppression is most likely to arise precisely in setting that already have relatively high degrees of equality’. Sneller gezegd: hoewel studenten alle culturele of etnische achtergronden van de regenboog kunnen hebben, zijn ze uiteindelijk allemaal student, hun hiërarchie is beperkt. Juist door deze grote mate van gelijkheid worden ruzies waarbij een groep gezien wordt als dominant aan een andere, heel ernstig opgevat, omdat ze die gelijkheid doorbreken. Weer wat vrijer gezegd: juist doordat de conflicten klein zijn, worden ze als ernstig bestempeld.

Medium groene tw sticker 5

Waarom PC-culture buiten de campussen ook steeds verder lijkt op te rukken, is minder makkelijk uit te leggen. Hier moet je waarschijnlijk verschil maken tussen de politieke correctheid van de jaren tachtig en negentig en die van nu; die van toen was een beweging die zich veelal richtte op het tegengaan van discriminatie, maar ook bredere maatschappelijke kaders wilde openbreken, met name de literaire, filosofische en historische canon, die meer diverse, buitenlandse namen zouden moeten bevatten – ook in Nederland, waar Jip en Janneke opeens het racistische en seksistische kwaad zouden vertegenwoordigen.

Het is niet vreemd dat na een decennium als verbale boksbal gebruikt te zijn door politici, minderheden hun respect opeisen

Het is niet heel makkelijk de vinger erop te leggen waar die beweging vandaan kwam, elke moraal heeft vele vaders, maar je kunt waarschijnlijk gerust stellen dat gezien de onderwerpen – de bescherming van minderheden en zwakkeren – je die eerder in de linkse hoek kunt zoeken dan in de rechtse. Als je Correct (1997) van de socioloog Herman Vuijsje leest, met de mooie ondertitel ‘weldenkend Nederland sinds de jaren zestig’, krijg je het idee dat het een logisch gevolg is van een paradox waar de linkse elite zichzelf in manoeuvreerde in de laatste decennia van de vorige eeuw. Volgens Vuijsje werd de weldenkende klasse vanaf de jaren zestig gekenmerkt door de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en vooral een groot schuldgevoel over het grote aantal joden dat uit Nederland was weggevoerd; noem dit het ‘Dat Nooit Meer-beginsel’, waarin alles wat op racisme leek moest worden tegengegaan om dat schuldgevoel te verzachten, de zwakkeren in de samenleving moesten worden beschermd en opgetild.

Tegelijkertijd maakte deze klasse carrière, kreeg goede banen, mooie aanstellingen, raakte steeds verder verwijderd van de zwakkeren over wie ze het hadden. Voor Vuijsje betekende dat dat ‘links’ meer een idee werd dan een werkelijke verheffingsstrijd. Iets soortgelijks beschrijft Rob Hartmans in zijn Lang leve de linkse kerk (2010) als hij het over de ‘linkse consensus’ van de jaren zeventig en tachtig heeft. Links zijn was een levenshouding, schrijft Hartmans, een life style: ‘Links zijn betekende niet alleen protesteren tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam, de bloedige staatsgreep van Pinochet in Chili of de kapitalistische opvattingen van de vvd en De Telegraaf, maar minstens evenzeer een afkeer van blazers en bloemetjesjurken, een voorliefde voor vale spijkerbroeken en legerjassen, het roken van hasj en wiet en het luisteren naar popmuziek die niet zo commercieel maar vooral “alternatief” leek.’

In zekere zin zal de typering van Hartmans een generalisering zijn (de Rolling Stones zijn altijd wel commercieel geweest), maar wat hij beschrijft is dat links Nederland zich in die tijd in een ‘gesloten wereldbeeld’ bevond; juist door de polarisatie met rechts hoefde je niet meer na te denken wat je vond. Hoe gesloten dat wereldbeeld kon zijn zit mooi verbeeld in Robert Oey’s documentaire drieluik Wonderland (2004, vpro), als hij zijn oud-leraar opzoekt in het progressieve lyceum in Middelburg waar hij op school zat, en vraagt of er in die tijd, jaren zeventig, jaren tachtig, wel eens iemand rechts was. Of was het voltallige lerarenkorps tegen kernenergie? En als er al iemand was die zo één-twee-drie geen argumenten tegen Borssele kon verzinnen, had die dat dan durven zeggen? De oud-leraar is een beetje verbaasd, een beetje verontwaardigd; hij kon het zich niet voorstellen dat ze hun mond zouden houden (‘Als je voor zaken staat, draag je die toch ook uit?’), maar kon zich eigenlijk ook niet voorstellen dat ze er überhaupt waren.

Onbedoeld zullen de theses van Hartmans en Vuijsje hebben aangesloten bij wat H.J. Schoo beschrijft in zijn onlangs postuum uitgegeven bundel essays en columns Republiek van vrije burgers. De linkse babyboomers leefden zelf al lang niet meer in de ideeën waarin ze waren grootgebracht, de sociale verheffing waarvoor ze pleitten lag wat henzelf betrof achter ze. Het enige wat ze echt overhielden was het discours, waar ze dus steeds feller bovenop gingen zitten. Het leidde wat Schoo betreft tot ‘chattering classes’: ‘Haar metier is het fijne onderscheid, subtiele emotionele nuances, het juiste (dus machtige) woord, de betere moraal en de goede gezindheid. Die bestanddelen vormen een onuitputtelijke, zich steeds vernieuwende bron van kennis, waarnemingen en oordelen. Op dit sociaal-culturele kapitaal baseert de Nieuwe Klasse het recht uit te maken wat goede smaak is en maatschappelijk leidend.’

Het juiste woord, het fijne onderscheid, de subtiele nuance: het is interessant om zo politieke correctheid te zien als een logisch uiterst gevolg van een debat binnen een gesloten wereldbeeld, een debat tussen leden van dezelfde kerk, waarin ideeën zo worden fijngeslepen en opgeblazen dat ze onhanteerbaar worden. Het gevolg was, om Vuijsje weer te hanteren, dat het discours zo ‘verabsoluteerde’ dat het linkse denken de linkse doeleinden in de weg zat. Bepaalde termen waren zozeer verboden geraakt dat het de aanpak van bepaalde problemen in de weg zat.

Als voorbeeld nam hij de tweede-generatie allochtonen: vanuit de moraal binnen het debat mocht je niet negatief over ze praten of ze als slachtoffers typeren, want dat stigmatiseerde en daarmee zou je hun cultuur beledigen, terwijl ze in feite enorm achter liepen op scholen en op de arbeidsmarkt, en niet de hulp kregen die ze nodig hadden om aansluiting te vinden bij de maatschappij. Zo gezien raakte het debat losgezongen van het onderwerp, werd het een discours om wille van het discours. Of om Marx te citeren (of was het Engels? – zie, links is niet meer wat het is geweest): ‘Praktijk zonder theorie is futiel, theorie zonder praktijk is steriel.’

De vraag waarom PC-culture nu weer terugkeert, is waarschijnlijk zowel makkelijker als moeilijker te beantwoorden. Makkelijker, want de afgelopen pak ’m beet vijftien jaar waren een walhalla voor politieke incorrectheid. Jozias van Aartsen zei eens dat er niets zo Haags was als zeggen dat iets ‘typisch Haags’ was, als de simpelste truc om te suggereren dat je opponent in een debat niet met zijn voeten in ‘de echte wereld’ stond, maar alleen nog handelde uit strategische politieke machinaties.

Inmiddels is die retorische truc wel ingehaald door de frase: ‘Ik weet dat dit niet politiek correct is, maar…’ Die laatste frase is een vrijgeleide, een excuusbrief zodat je iets kunt zeggen wat meer emotioneel is dan fatsoenlijk, meer onderbuik dan herseninhoud. Rita Verdonk (‘Ik ben recht door zee, en recht voor z’n raap’) baseerde haar korte carrière erop, Geert Wilders zei afgelopen Prinsjesdag nog dat de rest van het parlement uit ‘politiek correcte lafaards’ zou bestaan. Hoe dat zo is gekomen? Alle vingers wijzen naar Pim Fortuyn: hij zal niet de eerste politicus zijn geweest die de frase graag gebruikte, maar dankzij zijn succes is die wel tot het mainstream vocabulaire van zeker de rechtse politiek gaan horen. Het past precies bij een politieke cultuur die geregeerd wordt door emoties.

Robert ten Brink mompelde dat hij bedoelde dat hij niet zo van die hipsterbaardenmode hield, maar het kwaad was geschied

Dat de PC-culture daar een reactie op is, is niet alleen legitiem, maar ook een noodzakelijkheid. Het is niet vreemd dat na een decennium als verbale boksbal gebruikt te zijn door politici om bij hun kiezers te scoren, minderheden in alle soorten en maten hun respect opeisen. Je kunt heel veel voorbeelden ophalen van doorgeslagen PC-culture, maar de voorvallen waarin de PC-culture gerechtvaardigd is halen de kranten minder.

Medium groene tw sticker 1

het verschil is dat de PC-culture van nu niet meer door de elitaire ‘chattering classes’ van H.J. Schoo wordt gedragen, maar door, om een ongelukkige term te gebruiken, alledaagse burgers. Iedereen met een internetverbinding eigenlijk. Want de nieuwe PC-culture is bovenal een online beweging: met een goed verwoorde tweet, een slimme foto of een handige Facebook-post kun je enorme support oproepen. In die zin is er online een niet te missen ‘victimhood culture’ ontstaan. In Jon Ronsons veelbesproken boek So You’ve Been Publicly Shamed (2015) bespreekt hij verschillende voorbeelden van mensen die online kapot zijn gemaakt na een foute grap, of een verkeerd geïnterpreteerde opmerking, doordat ze door honderdduizenden twitteraars of Facebookers voor rotte vis zijn uitgemaakt. Ronson sprak niet alleen de slachtoffers, maar ook de bullies, de mensen die de onschuldige fouten van mensen opbliezen tot epische proporties; vaak waren ze verbaasd hoe makkelijk dat ging, hoe simpel het was om meer retweets te krijgen dan ze ooit hadden verwacht.

In die steun zit iets significants, waarmee je toch de vergelijking kunt maken met de jaren tachtig en negentig: in zekere zin kun je stellen dat de online cultuur ook een soort gesloten wereldbeeld vormt. Je omringt je bewust of onbewust met talloze volgers die dezelfde interesses hebben als jij, dezelfde nieuwsitems delen als jij, dezelfde politieke voorkeuren hebben als jij, voor dezelfde sentimenten vatbaar zijn als jij. Het is, met andere woorden, precies die ‘kleine, relatief afgesloten omgeving’ die bij een slachtoffercultuur past, waarvan de leden bijna gelijk zijn (ze hebben online allemaal hetzelfde podium) terwijl er toch enige variëteit is.

In een slachtoffercultuur is het argument ‘ik ben beledigd’ de troef, de onverslaanbare kaart – met als gevolg dat de drempel om beledigd te worden steeds lager en lager wordt. Een essayist van The Atlantic, Jonathan Rauch, noemde dit de ‘offendedness sweepstakes’ – de beledigingloterij: wie zich het meest beledigd voelt, wint.

Wat nieuw is, is dat er steeds meer redenen lijken te zijn om je beledigd te voelen. Want het debat gaat al lang niet meer over de canon, maar over identiteit. Niemand zal ontkennen dat er in deze gemediatiseerde tijd een groot gevoel voor het Zelf is ontstaan, waarbij mensen zichzelf heel duidelijk binnen bepaalde culturen kunnen plaatsen, het recht opeisen trots te zijn op hun afkomst, terwijl ze tegelijkertijd willen dat identiteit meer fluïde mag zijn, dat je van man naar vrouw mag veranderen, van homo naar hetero, verzin het maar, alles mag – terwijl de terminologie snel mee verschuift. (Neem de arme acteur Benedict Cumberbatch die door bloggers en twitteraars gedwongen werd om zijn excuses te maken, nadat hij het over ‘coloured persons’ had gehad, terwijl hij ‘persons of colour’ had moeten zeggen; een jaar eerder had zijn opmerking geen problemen veroorzaakt.)

Identiteit wordt verbaal dwingend opgeëist, wat natuurlijk een goed recht is, maar daardoor ook als een blok graniet tussen jou en de buitenwereld in kan komen te staan. Het werd mooi geïllustreerd toen Mounir Samuel in het tv-programma van Eva Jinek over haar gendertransformatie kwam spreken. Misschien zit ik hier volgende keer met een dikke baard, zei hij. Ik hoop het niet, zei een andere gast, Robert ten Brink, waarop Samuel uit zijn slof schoot: hij mocht toch zeker zelf bepalen hoe hij eruitzag, wie dacht Ten Brink dat hij was?

Ten Brink, aangeschoven om All You Need Is Love nog eens te promoten, mompelde dat hij bedoelde dat hij niet zo van die hipsterbaardenmode hield, maar het kwaad was geschied. Dit is de nieuwe PC-cultuur ten top: mijn identiteit mag alles zijn, dus haal het niet in je hoofd mij voor te schrijven hoe mijn leven eruit moet zien.

Iets soortgelijks beschreef Jan Kuitenbrouwer in de NRC-_opiniebijlage vorige maand: toen hij zich in een online discussie bemoeide met Zwarte Piet en _identity politics van minderheden kreeg hij in niet te missen termen te verstaan dat hij zijn mond moest houden. Niet vanwege zijn mening (het ging over de kwestie of het Nederlandse ‘neger’ dezelfde lading zou hebben als het Engelse ‘negro’), maar vanwege het feit dat hij als blanke man van middelbare leeftijd geen mening over dit onderwerp mocht hebben: ‘Ik zie maar één verklaring. Zo hadden zij mijn opmerking óók opgevat: niet als commentaar op wat zij denken, maar op wat zij zijn. Mijn opmerking kwam neer op een beschimping, en ik werd met gepaste munt terugbetaald. Ziedaar het gevaar van identity politics. De politiek van wat je bent, in plaats van wat je vindt.’

Als je het zo omdraait is politieke correctheid geen doel geworden, maar een middel. Het gaat niet om ideeën, maar om identiteit: wie iets zegt is belangrijker dan wat iemand zegt. Eigenlijk staat zulke politieke correctheid dan voor: mond houden. Uw mening wordt niet op prijs gesteld.