Atheïsme

Uzelf zult gij niet belazeren

Wanneer het weer eens over religie gaat en Antoine Bodar rooms-katholieke priesters tot ‘zondebok’ verklaart van misstanden in de kerk, alsof zij er ‘niks’ aan konden doen, het was de tijdgeest, stupid, wordt het opnieuw tijd Rudy Kousbroek te raadplegen. Hoe zat het ook weer met religie? Wat moet je er ook weer mee? Gewoon niet op reageren natuurlijk, dat is verreweg het beste.

Medium keest t hart

‘Laat maar bidden’, schrijft hij in zijn mooie en bij vlagen uiterst geestige essay The Kousbroek Institute of Religion. Ik ben het met hem eens, laat ze nou maar, het gaat vanzelf allemaal over, net als alle andere dwalingen. Als ze mij maar zo veel mogelijk met rust laten.

Kousbroek wijst er overigens fijntjes op dat dit soort lamlendige tolerantie, waaraan ook hij leed, wel als nadeel heeft dat je als niet-gelovige de ongelijkwaardigheid die gelovigen over je afroepen in stand houdt. Zoals ook mensen die niet voor hun beurt gaan, die niet hun toevlucht nemen tot bedrog, of die geen geweld gebruiken, zichzelf benadelen. Kousbroek begint zich pas op te winden wanneer men van geloofskant haat- en terreurcampagnes tegen niet-gelovigen op gaat zetten. Bij mij begint het al te woeden en te stormen wanneer gelovigen mij het recht ontzeggen op diepere emoties of oneindige verlangens omdat alleen de bijbel of de koran daar uitzicht op biedt.

Kousbroek is mijn atheïsmegoeroe. Zijn artikelen bieden op een eigenaardige manier, ik zou bijna zeggen een tedere en voorzichtige manier, uitzicht op een niet-rancuneus atheïsme. Ook al schrijft hij soms volkomen terecht verpletterend badinerend over gelovigen, vooral die dat geloven in institutioneel verband praktiseren. Lees bijvoorbeeld zijn brief aan Gerard Reve over het mannetje in de radio dat alles weet en waaraan niemand mag twijfelen 'omdat dat mannetje dat niet wil’. Vooral om dat laatste kan ik nog steeds schateren. Nee, dat wil dat mannetje niet en omdat hij het niet wil, hebben wij het ook niet te willen. Of lees zijn ironische opmerkingen over het gebrek aan iets als 'theologisch onderzoek’ op het gebied van fysica en chemie. 'Theofysica’ en 'theochemie’ bestaan niet. Je hebt natuurlijk religieuze geleerden als Vincent Icke die ons een structuur en onderliggend design van de kosmos proberen aan te praten - 'er moet toch iets zijn’ - maar ook van dit type kerkgangers maakt Kousbroek gezellig gehakt. Zijn idee dat geestelijke luiheid de grondslag vormt van ieder religieus denken is de basis van zijn atheïstische, en soms antitheïstische opvattingen en dat heeft me altijd sterk aangetrokken. 'De capaciteit om zichzelf te bedriegen’, dat is het ergste van ieder religieus denken, stelt hij. 'Wat gij met anderen doet is tot daaraantoe, maar uzelf zult gij niet belazeren.’

En toch blijft er altijd iets zachts, iets wanhopigs in zijn religiestukken. Ik bedoel niet iets 'religieus’, dat zouden ze wel willen, al die gelovigen. Kousbroek blijft niet steken in alleen rigide en rancuneus antireligiedenken. Hij zoekt altijd naar begrippen om zijn eigen diepere verlangens, vormen van ontroering, maar ook van woede en machteloosheid onder woorden te brengen. Naar inzichten in 'de kalme lucide extase’, die hij uiteraard net als iedereen soms doormaakt. Zoals ik ten diepste ontroerd kan worden van de krankzinnige overgave waarmee Franciscus van Assisi zich rond 1100 aan de Here Jezus wilde uitleveren. En ook nog de dieren bekeren! Kousbroek is een volstrekt andere antireligist dan iemand als Richard Dawkins, die in The God Delusion (2006) in keiharde betogen de hele santenkraam in haar hemd zette. Opluchtend is dat uiteraard allemaal wel en het kan niet vaak genoeg gezegd worden, maar bij lezing bekruipt je toch af en toe iets van verbaasde opgelatenheid over zo veel geloofsijver om het geloof in mootjes te hakken. En over zo weinig verlangen naar extase en 'satori’, zoals Kousbroek het noemt.

In The Kousbroek Institution of Religion gaat hij daar prachtig op in. Voorzichtig tastend, bijna stamelend. Kousbroek zoekt het niet in termen van mystieke berusting en 'roerloosheid’ die zich dan van mensen meester pleegt te maken. Berusting en gelatenheid zijn volgens hem de dood van iedere letterlijk sensationele ervaring. Het gaat om het gevoel ieder ogenblik in het niets te worden gestort. Hij probeert het, uiteraard zou je bij hem bijna zeggen, in termen van verliefdheid te formuleren. De eeuwige angst ooit afscheid te moeten nemen van de geliefde. Wanneer ze het uitmaakt of wanneer ze sterft. Prachtig is zijn beeld van het voortdurend afscheid nemen dat ook ik in het dagelijks leven te pas en te onpas doe. Een kus geven als ik brood ga kopen, opnieuw een kus als ik na tien minuten weer terug ben. Of dan roepen: 'Ik ben er weer!’