Philips als dekmantel

‘V’ company

Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde Philips in een schemerwereld van geheime operaties en contraspionage. De samenwerking met de VS lijkt voor het bedrijf effectief te zijn geweest. Welke inlichtingen kregen de VS? Hebben ze de loop van de oorlog beïnvloed?

Memorandum 63 van 25 mei 1944 telt twee pagina’s, beide met het rode stempel Top Secret. De auteur, kolonel Jean Grombach, leidt de ultrageheime Special Services Section van de Militaire Inlichtingendienst. Het memo is een checklist voor Grombachs contact op het State Department. Onder punt 10 staat: ‘Wolthers situatie bespreken en het feit dat hij nu in Washington is (…)’. Wolter Wolthers is een van de meest succesvolle managers van Philips. Al op zijn 26ste werd hij de baas van Philips Spanje, op zijn 35ste kreeg hij de dochterbedrijven in Argentinië onder zijn hoede, die de spil vormen van de concernactiviteiten in Zuid-Amerika. Nu is Wolthers bijna 44. De directie van Philips heeft hem vorige zomer uit zijn functie ontheven. Ze kon niet anders. De agressieve wijze waarop hij Amerikaanse bedrijven in Argentinië beconcurreerde, had tot klachten en verdachtmakingen geleid. Het Amerikaanse ministerie van Justitie bestempelde hem als economische vijand en (hoogstwaarschijnlijk) Duitse spion en verklaarde hem tot persona non grata.

De Philips-directie, die sinds de bezetting van Nederland in New York zetelt, heeft de Amerikaanse druk om Wolthers te vervangen bijna een jaar weerstaan. Maar het gevaar dat het concern op de zwarte lijst belandt en in de VS geen zaken meer kan doen, werd te groot. Dus heeft ze hem uiteindelijk geofferd. Grombach doet ook niets voor hem. Zeer weinigen in de Amerikaanse inlichtingenwereld kennen zijn (contra)spionageorganisatie. Dat moet zo blijven. Grombach laat zijn contact op State weten dat hij buiten de kwestie Wolthers wil blijven, ‘behalve dat ik wil weten wat er gaande is’. De Nederlander is on his own. In Washington wordt Wolthers ondervraagd door ambtenaren van Justitie. Hij mag geen contact opnemen met de Nederlandse ambassade. Iemand van Philips New York komt langs maar de directie blijft uit zijn buurt. Na drie dagen brengt men hem terug naar Miami, waar hij sinds zijn aankomst in de VS gevangen zit.

Waarom heeft Grombach belangstelling voor Wolthers? De activiteiten van de kolonel zijn pas recent aan het licht gekomen. Zijn documenten werden in 2001 aangetroffen in een schuur in Virginia. Toen de cia in 2010 vele duizenden pagina’s vrijgaf voor het publiek schreven Amerikaanse media dat Grombach contact had gehad met Philips. Nader onderzoek brengt een aantal details hiervan nu tot leven. Jean Grombach blijkt vanaf begin 1943 enkele Amerikaanse bedrijven én het Nederlandse Philips te hebben gebruikt als dekmantel voor secret operations en inlichtingenwerk in Europa, Afrika en Azië. In enkele van zijn memo’s komt ook Wolter Wolthers voor. Grombach toont zich opgelucht dat Philips deze alleen op non-actief heeft gesteld en niet heeft ontslagen. ‘In dat geval zou een gevaarlijke vijand van de VS zijn gecreëerd en zijn losgelaten in Argentinië waar hij veel schade zou kunnen aanrichten’, schrijft hij. Een raadselachtige mededeling.

Is Wolthers dan toch een Duitse spion? Een die Grombach beter kan controleren als ­Philips hem in dienst houdt? Of is hij een dubbel­agent, voor zowel de Duitsers als de Special Services Section? Eind 1943 vraagt Grombach de Philips-directie om Wolthers te weerhouden van een reis naar de VS. ‘Dat is het beste voor onze activiteiten, geloof ik.’ De directie probeert het, maar na maanden uitstel kan Wolthers zich niet langer beheersen. Op 5 mei 1944 verlaat hij Buenos Aires. In Miami wordt hij direct door de Amerikaanse immigratiedienst aangehouden. Na twee weken mag hij onder bewaking voor verhoor naar Washington. Dat is precies zijn bedoeling, schrijft hij in een verslag dat bewaard is gebleven in Philips’ bedrijfsarchief. Alleen door zich in de VS te laten arresteren kan hij de Amerikaanse justitiële autoriteiten duidelijk maken dat hun verdenkingen jegens hem ongegrond zijn. In Miami en tijdens de verhoren in Washington doet hij zijn best hen te overtuigen. Maar over Grombach zwijgt hij.

De samenwerking van Philips met de Amerikaanse geheime diensten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond eind 1941, zo viel in deel 1 van dit tweeluik te lezen (De Groene Amsterdammer, 29 februari 2012). Tot Pearl Harbor kon de uitgeweken directie te New York vrij gemakkelijk contact houden met haar vestigingen in bezet Europa en met de hoofdvestiging in Eindhoven. Dochterbedrijven in neutraal Europa (Portugal, Spanje, Zwitserland, Zweden) dienden als tussenstation. Maar toen de VS met Japan en Duitsland in oorlog raakten, voerde de Amerikaanse regering een verbod in op zakelijk contact met vijandelijk gebied. De Philips-directie kwam direct in actie. President Roosevelt had een bureau opgericht om de uitwisseling van informatie tussen de versnipperde Amerikaanse inlichtingendiensten te coördineren, het Office of Strategic Services (oss). Philips-directeur mr. Herman van Walsem toog naar dit bureau en bood een deal aan. Als Philips zijn transatlantische communicatiekanalen in stand mocht houden, konden de Amerikanen die gebruiken als dekmantel voor hun inlichtingenwerk in Europa. Allen Dulles, die de afdeling New York van het oss leidde (hij zou na de oorlog directeur van de cia worden) zag meteen in dat vooral de managers van Philips in Genève, Lissabon, Madrid, Istanbul en Stockholm van nut konden zijn en dat ‘wij via contacten in een of meer van deze locaties lijnen kunnen leggen naar bezet gebied en vijandelijke landen’.

In een volgend gesprek wees Van Walsem speciaal nog even op zijn man in Argentinië, Wolter Wolthers. Die had uiterst waardevolle inlichtingen te bieden over de Spaanse en Duitse geheim agenten in dat land. De dekmantelconstructie stond op het punt van activering toen de baas van het oss, kolonel William ‘Wild Bill’ Donovan, eind oktober 1942 een oekaze ontving van hogerhand. Philips had zijn diensten ook aan­geboden aan de Militaire Inlichtingendienst. Die nam het contact met het bedrijf nu over. Donovan tekende protest aan, maar staakte dat na een gesprek met zijn superieur generaal George Strong van de joint chiefs of staff.

De memo’s van Jean Grombach vertellen het vervolg. Grombach – een tot Amerikaan genaturaliseerde Fransman – was strijdlustig en ontvlambaar. Na een opleiding aan de militaire academie van West Point had hij zijn eerste ervaring met inlichtingenwerk opgedaan in de Panama Kanaalzone. Maar hij was te eigenzinnig voor een militaire carrière. Na zijn vertrek uit het leger had hij in New York voor CBS Radio gewerkt en een paar radioproductiebedrijven opgezet. Hij had zich verdiept in radio als medium voor codeberichten, en eind jaren dertig was hij ook in contact gekomen met Philips, indertijd al een wereldwijd opererend elektrotechnisch concern met veel activiteiten op radiogebied. Begin 1942 had William Donovan hem ingehuurd voor het kersverse Office of Strategic Services. Maar het oss viel onder de president en was als knooppunt van inlichtingenstromen niet geschikt voor serieus ondergronds spionagewerk. De legerleiding besloot dan ook al snel om het bureau a) onder haar eigen hoede te manoeuvreren en b) een aparte organisatie voor secret operations en (contra)spionage op poten te zetten. Deze Special Services Section kwam onder leiding van de 41-jarige kolonel Jean ‘Fren­chy’ Grombach en zou onder de bijnaam The Pond uitgroeien tot een netwerk van zo’n veertig agenten en meer dan zeshonderd informanten in 32 landen.

Nadat het oss het contact met Philips op last van de legerleiding had verbroken, kwam rond de jaarwisseling 1942-43 een (uiteraard) geheime afspraak tot stand tussen president-directeur Frans Otten van Philips en generaal Hayes Kroner, de baas van de Military Intelli­gen­ce Service, waar Grombachs nieuwe unit deel van uitmaakte. Ook staatssecretaris Adolf Berle van het State Department was bij de deal betrokken. De exacte datum is onbekend, er rest slechts een kladje met de kop ‘Commitment on the “V”-company’. Philips en de mis beloofden elk twintigduizend dollar (nu een kwart miljoen) te storten in een potje voor Philips’ managers Mr. John en Mr. Hall.

Uit latere memo’s blijkt dat het ging om Enrique de Jongh van Philips Spanje en ­Marinus Wolffensperger van Philips Portugal. Zij konden dit geld gebruiken voor eigen uitgaven ‘in special connection with our work’ maar ook voor ‘intelligence work outside their organization’ – door henzelf of door de agenten die Grombach via hen bezet Europa in zou sturen. Philips zou vanuit de VS én vanuit bezet Eindhoven onderdelen blijven exporteren naar Portugal en Spanje (en via Turkije naar de Balkan). De briefwisseling, telefoontjes en managementbezoeken rond deze handel zouden dienen als dekmantel voor het doorsluizen van militair-strategische inlichtingen vanuit bezet gebied en voor spionagemissies. Naast De Jongh en Wolffensperger zouden managers van Philips in Turkije, Zwitserland en Zweden als contactpersonen in dit verkeer worden ingeschakeld. President-directeur Otten – codenamen Mr. O en Sylvester (een van Ottens voornamen) – zou zorgen voor medewerking van de Nederlandse regering te Londen. Philips in New York leverde een dekmantel voor Grombach zelf, die op Manhattan zat als ‘pr-adviseur’ voor het concern.

Operatie ‘V’ ging van start in het voorjaar van 1943 (er zijn aanwijzingen dat Philips informeel al in 1942 informatie uit Europa naar de Amerikaanse Militaire Inlichtingendienst doorsluisde). Eenvoudig was dat niet. Het internationale handelsverkeer stond vanwege de oorlog overal bloot aan beperkingen en scherp toezicht. Philips had exportvergunningen nodig van de Foreign Economic Administration (die de economische relaties van de VS met het buitenland controleerde) en ook de Britse en Nederlandse overheden moesten allerlei vergunningen en ontheffingen verlenen – zonder dat de uitvoerende ambtenaren argwaan kregen.

Veel van Grombachs memo’s gaan over dat ­zenuwslopend trage regelwerk. Op 2 mei 1943 vertrok een koerier uit Washington naar Londen om de Britse en Nederlandse regering mondeling over operatie ‘V’ te informeren. Philips kreeg Amerikaanse vergunningen voor export van acht zendingen onderdelen naar Portugal (codenaam Wolfram) en drie naar Spanje (Mica). Eind mei vloog Frans Otten naar Engeland, indertijd een tocht van drie dagen via Trinidad, Noord-Brazilië, Portugees Guinee (Guinee Bissaõ) en Lissabon. In Londen kreeg hij van Grombachs plaatselijke contact te horen wie in de Britse en Nederlandse regering intussen op de hoogte was, zodat hij wist wat hij tegen wie kon zeggen (volgens Grombach werd de Nederlandse minister van Justitie mr. J. van Angeren geïnformeerd).

Enrique Mr. John de Jongh, coördinator Spanje in operatie ‘V’, vloog rond diezelfde tijd vanuit de VS terug naar zijn thuisbasis, met in zijn bagage verzegelde diplomatieke post voor Spanje, Portugal en de Nederlandse regering in ballingschap (dat die post voor de ­Amerikanen niet heilig was, blijkt uit een memo waarin Grombach zijn contact op State uitlegde dat De Jonghs bagage in het Roosevelt Hotel te New York het best ‘op berichten van dubieuze aard’ kon worden doorzocht tijdens het afscheidsfeestje dat hij voor hem zou organiseren). Ondanks alle voorbereiding liep de samenwerking met de Britse regering en met de Nederlandse regering (Tulip Company) een half jaar later nog altijd niet naar wens. Beide eisten schriftelijke bevestiging van de operatie door staatssecretaris Berle en mis-generaal Kroner – wat Kroner om redenen van vertrouwelijkheid liever had vermeden. Intussen deed de commis­sie die toezag op het Nederlandse verbod op handel met bezet gebied moeilijk over een ontheffing – zonder welke Philips geen leveranties tussen de Spaanse vestiging en de fabriek in Eindhoven op gang kon houden en geen dekmantelcommunicatie kon genereren (de ontheffing kwam na veel vertraging).

De extreme geheimhouding vereiste dat de gewone Amerikaanse inlichtingendiensten niets van operatie ‘V’ wisten. Dat leidde begin 1944 tot forse complicaties. De US Censor zag veel van Philips’ internationale briefverkeer en had eind 1942 geadviseerd tot nader onderzoek van de communicatie van de directie New York met Europa en Latijns-Amerika. Ironisch genoeg was de opdracht daartoe beland bij het oss. Het is niet zeker of oss-topman William Donovan wist dat de dekmantelconstructie met Philips na de verbreking van het contact met zijn organisatie alsnog was doorgezet, maar dan onder leiding van Jean Grombach. Dan nog kon Donovan niet weigeren om dit onderzoek uit te voeren. Dat zou zeker hebben geleid tot argwaan en gesnuffel van andere inlichtingendiensten. Zijn (ongetwijfeld van den domme gehouden) medewerkers deden hun werk grondig. Ze analyseerden honderden onderschepte brieven, bestudeerden de structuur en de activiteiten van het concern (aan de hand van deels door Philips zelf geleverde gegevens) en verzamelden allerlei informatie en achterklap uit het Amerikaanse netwerk van informanten in Latijns-Amerika. Toen ze hun ruim vierhonderd pagina’s dikke rapport in de zomer van 1943 voltooiden, toonden ze zich verontrust.

De communicatie van Philips New York met Europa en Latijns-Amerika bevatte een onderstroom van ongrijpbare (vermoedelijk code-) berichten, patentgegevens en pakjes met onbekende inhoud, die op gang werd gehouden door Philips-managers en andere koeriers en die deels ook via de Nederlandse diplomatieke post liep. Het gevaar dat die onderstroom in twee richtingen werd gebruikt, dus ook voor transport van geheime inlichtingen uit de VS naar Europa, was levensgroot. De Philips-managers in Latijns-Amerika hadden vele contacten met Duitsgezinde bedrijven en personen, en enkelen, onder wie Wolthers in Argentinië, spioneerden vrijwel zeker zelf voor de Duitsers, aldus de nijvere oss-onderzoekers. Philips moest worden beschouwd als ‘a clear and present danger voor de Geallieerde oorlogvoering’.

Een medewerker van het State Department die het oss-rapport las, maande tot voorzichtige interpretatie. Maar het (kennelijk onwetende) ministerie van Justitie nam de conclusies hoogst serieus. Enkele maanden later sijpelden ze door in een eigen rapport van dit departement, dat vervolgens uitlekte naar de pers. Een krant in New York schreef gealarmeerd: ‘American and German Branches of NV Philips Combine Continue Co-operation after Pearl Harbor’. Wat te doen? Het lijdt weinig twijfel dat de onderstroom waar de oss-onderzoekers op waren gestuit minstens voor een deel samenhing met operatie ‘V’. De ingewijden hadden dus een probleem. Hoe konden zij de publieke en politieke verontwaardiging temperen zonder de operatie te onthullen en in gevaar te brengen? Grombach maakte zich zorgen. De Senaat overwoog hoorzittingen en als Philips’ communicatielijnen werden stilgelegd, ‘dan is er geen verkeer voor ons waarmee we in Axis Europe kunnen doordringen voor inlichtingenwerk’, schreef hij zijn contact op State. ‘V Company moet worden gecleared, niet om de echte reden maar om een cover reden.’ Hij vroeg staatssecretaris Berle om een brief te sturen naar de afdelingen van de ministeries van Justitie en Financiën die het oss-rapport wat al te gretig omarmden – volgens Grombach en Philips hadden die eerder economische dan politieke motieven om het concern te dwarsbomen. ‘Die brief kan meteen dienen als rookgordijn’, meende Grombach. ‘Als er dan een onderzoek van de Senaat, het Congres of iemand anders komt, zal dat stuiten op die brief en niet verder doordringen in de files van Financiën, fea en Justitie’.

Terwijl deze opwinding nog woedde, arriveerde begin mei 1944 Wolter Wolthers in Miami. De ministeries van Financiën en Justitie, en de Foreign Economic Administration (fea) zagen hem als hét symbool van Philips’ ongrijpbare en potentieel gevaarlijke gedrag (de incidenten in Argentinië die vermoedelijk aanleiding tot dit oordeel hebben gegeven, zijn beschreven in deel 1 van dit tweeluik). Volgens de oss-onderzoekers was Wolthers een Duitse spion. Zelfs Grombach vreesde dat hij, als Philips met hem brak, een ongeleid projectiel kon worden. De directie van Philips New York, druk bezig de schade van de perspublicaties te beperken, zat met Wolthers in haar maag. Ze telegrafeerde hem in Miami: doe niets, blijf zitten waar je zit. Verder hield ze afstand, ook toen Wolthers eind mei voor verhoor in Washington was.

In juni en juli had de damage control ­succes. De negatieve publiciteit rond het concern slonk. Hoe? De Philips-top ontplooide zoveel activiteit achter zoveel schermen dat het zelfs fbi’s afluisterdienst opviel. Het bedrijf zette zelfs een eigen spionageactie op touw, ontdekte Grombach: ‘V Company heeft een advocaat van Justitie weggehuurd en die heeft op een of andere manier een kopie [van het Justitie-rapport] bemachtigd en aan de V-leiding laten lezen.’ Frans Otten schakelde de Nederlandse ambassadeur in en liet Grombach weten dat hij ook prins Bernhard (met wie Otten direct contact had) te hulp zou roepen. Mogelijk wilde Otten via de prins en koningin Wilhelmina een lijn leggen naar president Roosevelt, die het bestaan van The Pond kende en de Senaat kon beïnvloeden.

Welke van deze interventies is doorgezet en welke de doorslag heeft gegeven, is onbekend. Het is denkbaar dat de zaak in de context van D-Day en de groeiende overwinningsstemming in de VS vanzelf uit de aandacht is gegleden.

Operatie ‘V’ liep intussen door. In een openbare reactie op de publicaties in de Amerikaanse pers bagatelliseerde Philips zijn transatlantische communicatielijnen. Achter de schermen gaf Jean Grombach er juist hoog over op. ‘Als ik zie wat voor commerciële info ze allemaal uit Europa kunnen krijgen (…) dan zouden ze ook battle information voor ons Europa uit moeten kunnen krijgen’, schreef hij eind 1943. Nadat de Amerikanen in september 1943 waren geland in Zuid-Italië stuurde hij een van zijn mensen daarheen om contact te leggen met Philips-managers in het (door de Duitsers bezette) noorden. In december 1943 klaagde hij over de medewerking van Philips-man Wolffensperger (Mr. Hall) in Portugal maar prees hij Mr. John de Jongh in Spanje. In januari 1944 vroeg hij zijn contact op het State Department om te bevorderen dat de Nederlandse regering snel toestemming gaf voor handel tussen Philips Eindhoven en Turkije. Zijn koeriers op de Balkan stonden klaar om via die route informatie uit Duits gebied door te geven. Kort daarop startte hij een informatielijn via Philips Zweden.

De grote vragen zijn natuurlijk: wat voor inlichtingen zijn via die routes naar de VS gesluisd? Hebben ze de loop van de oorlog beïnvloed? Zo ja, op welke manier? Op dit punt heeft Grombach helaas alleen maar mist te bieden. De kolonel zette er niets over op papier. Ook in het Philips-archief is geen enkele verwijzing te vinden. Het blijft bij de vage sporen die de nietsvermoedende oss-onderzoekers aantroffen: brieven met codezinnen (‘we hebben de tekst ontvangen en zouden er ook graag de muziek bij krijgen’), microfilms met onbenullige formules die mogelijk versleutelde informatie bevatten, een geheime kas van enkele tienduizenden dollars (beheerd door Wolthers in Argentinië), de transfer van patenten (belangrijke, onbelangrijke, we weten het niet) uit Eindhoven via Zwitserland en Argentinië naar de VS, een Zwitserse Nederlander (Robert Bult) die regelmatig naar de VS reisde en daar contact had met de Philips-top, een vijftigjarige Franse geheim agente Alice Tamin die onder Philips’ dekking missies naar Frankrijk ondernam.

De belangrijkste bevestiging dat Philips’ netwerk inderdaad van belang is geweest, komt van het Amerikaanse leger zelf. Op 5 april 1946 ondertekende generaal Thomas T. Handy, plaatsvervangend stafchef van het ministerie van Oorlog, een oorkonde voor topman Frans Otten wegens outstanding services, ­substantial contribution en meer van die vaagheden. Dat het in werkelijkheid ging om zijn bijdrage aan de Special Service Section blijkt uit een Top Secret-document in de Grombach Records. De Militaire Inlichtingendienst adviseert daarin om zeven directeuren een Medal of Merit te geven: Frans Otten, L.P. Graner (die Philips’ exportmaatschappij in de VS dreef) en vijf ­directeuren van US Rubber Company, ­oliemaatschappij Caltex en typemachine- en wapenfabri­kant Remington Rand, die ook als dekmantel ­hadden gefungeerd. ‘Deze leidinggevenden namen (…) zware verantwoordelijkheid bij het ­samenwerken met het ministerie van Oorlog in geheim inlichtingenwerk, waarmee ­persoonlijke risico’s en risico’s voor hun aandeelhouders gemoeid waren en waarvoor zij zeer groot ­vertrouwen in de Military Intelligence Service moesten ­hebben.’

Medaille en motivering mochten hun alleen in vertrouwelijke ontmoetingen worden ­gegeven. De concepttekst van de openbare vage oorkonde voor Otten is als bijlage toegevoegd (en is exact gelijk aan de definitieve oorkonde). Als Otten of zijn mensen in problemen waren geraakt, hadden ze niet op de mis kunnen ­rekenen, zo blijkt uit het document. ‘Vanwege het soort regeling dat getroffen was, waren het de samenwerkende bedrijven en hun ­leidinggevenden die alle risico’s in dit soort operaties op zich namen.’ In nood, they would have been on their own.

In Miami merkt Wolthers in de zomer van 1944 wat dit principe inhoudt. Na zijn verhoor in Washington zit hij nog drie maanden in de gevangenis, tot zijn ergernis in gezelschap van Duitse krijgsgevangenen. Op 30 juli stuurt directeur Herman van Walsem hem een laatste telegram: ‘Keer nu maar terug naar huis. We vertrouwen erop dat de kwestie na de oorlog kan worden opgehelderd.’ Wolthers volgt dit advies. Zijn terugreis neemt tweeënhalve week in beslag, de 21ste is hij weer in Buenos Aires. Het is onbekend of hij ooit nog in de VS is geweest. Philips stuurt hem in 1945 naar Algiers om de business in Noord-Afrika weer op te zetten. Later keert hij terug naar Zuid-Amerika, waar hij de leiding van Philips Brazilië krijgt. Op 12 juli 1957 overlijdt hij plotseling op 56-jarige leeftijd. Was hij tijdens de oorlog nu wel of geen spion? Voor wie? In 2012 zegt zijn dochter in een telefoongesprek dat zij van niets weet. En er resteren nog meer raadsels. De Amerikaanse National Security Agency heeft tussen Grombachs documenten enkele apparaten voor het verzenden van versleutelde berichten weggeplukt. Had Philips die gemaakt? De cia houdt nog duizenden pagina’s van de documenten geheim. En dan zijn er nog die acht microfilms in de Amerikaanse National Archives, kennelijk in zo’n kwetsbare staat dat ze ‘om redenen van behoud’ niet mogen worden ingezien…

Geen van de betrokken Philips-managers heeft (voorzover bekend) ooit opening van zaken gegeven over de Grombach-connectie, de kolonel zelf is in 1982 overleden. In 1945 heeft hij The Pond omgezet in een particulier spionagebedrijf. The Pond is het daaropvolgende decennium vooral actief geweest in communistisch Oost-Europa, vaak in opdracht van de cia (opvolger van het oss). Philips heeft nog geruime tijd contact gehouden met Grombach. Hij en (voormalig) mis-generaal Hayes Kroner hebben het concern onder meer geholpen met een juridische procedure tegen de Amerikaanse overheid. Sommige inlichtingenhistorici in de VS denken dat The Pond nauwelijks iets heeft betekend voor de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog, andere denken dat de rol van de organisatie in de Koude Oorlog wel ‘de moeite waard’ was. Voor Philips lijkt de samenwerking tijdens de oorlog inderdaad het beoogde effect te hebben gesorteerd. Het bedrijf genoot door zijn rol als dekmantel politieke bescherming voor zijn transatlantische communicatie, kon – met horten en stoten – als multinational blijven functioneren en wist een verbanning naar de Amerikaanse (en daarmee ook Britse en Nederlandse) zwarte lijst te voorkomen. Dat was al met al knap werk.


De Pond-documenten over Philips in de Amerikaanse National Archives zijn opgespoord door de researchers John en Nicholas Elliott. De auteur dankt Gerard Leenders van het radio­programma Argos en Jan Paulussen van ­Philips Company Archives voor hun medewerking aan dit artikel. Voor het eerste verhaal over Philips in de Tweede Wereldoorlog zie groene.nl