Het pension, dat strikt genomen geen pension was maar een hotel, was al een jaar of tweehonderd nagenoeg onveranderd gebleven. Het bloemetjesbehang liep naadloos over in de bloemetjesgordijnen, de chaises longues belichaamden de freudiaanse aanname dat praten de enige heilzame optie is, de smetteloze ontbijtzaal met gesteven tafellakens en kaarsrechte houten stoelen vertegenwoordigde een idee van gezondheid dat met de 21ste eeuw niets van doen had.

Mijn reisgenoot bleef me corrigeren. Bij een pension zit het eten bij de prijs inbegrepen, zei hij, vandaar de termen volpension en halfpension. In ons hotel moest je apart betalen voor het avondeten. Maar kijk dan naar het menu! Elke avond drie gangen bestaande uit heldere groentebouillon, iets vlezigs met aardappelpuree, een dessert met ingelegde perziken. Elke avond dezelfde tafel, dezelfde gasten aan de overige tafels, de receptionist die voor de gelegenheid transformeerde tot ober. Deze plek mocht dan formeel gesproken een hotel zijn, ze had de ziel van een pension.

Door de dunne muren van onze kamer – de enige zonder uitzicht over het meer, zonder overdekt balkon en zonder daglicht – luisterden we naar het gerommel van de gasten in de naastgelegen kamer. Iedere avond leken ze bezig aan een herinrichting, misschien als vorm van therapie. Wat heerlijk, zei ik tegen mijn reisgenoot, het is tien uur en we hebben nu al niets beters te doen dan luisteren naar de buren. De minuten die erop volgden staarden we naar het bloemetjesbehang. Misschien kunnen we even lezen, zei mijn reisgenoot, waarop niemand van ons een boek pakte.

O, vakantie! Het ene moment stel je je voor hoe je met een glas wijn in de zon zit, uitkijkend over een meer en een paar besneeuwde bergtoppen, het volgende moment zit je met een glas wijn in de zon naar dat meer te staren, terwijl je op de een of andere manier nog altijd denkt: wat zou het fijn zijn om met een glas wijn in mijn hand… et cetera.

In deze contreien, zei ik, ís iedereen al gestorven

Vakantie is een luchtspiegeling, hetzelfde geldt voor uitzicht. Er is verlangen naar uitzicht en er is deel uitmaken van uitzicht (hetgeen het uitzicht welbeschouwd opheft), maar uitzicht is, anders dan de term doet vermoeden, niet iets wat je kunt zíen. In ons pension, hotel, boven het meer maakte het meer in al zijn schoonheid geen enkele indruk. Het was niet zozeer teleurstellend als wel onzichtbaar, een landschap waarvan ik net zomin deel uitmaakte als van elk willekeurig landschap afgebeeld op de doos van een legpuzzel.

Mijn reisgenoot had hier geen last van. In deze contreien, liet hij niet na meermaals te benoemen, wilde hij (liefst op zijn 97ste) sterven. In deze contreien, zei ik, ís iedereen al gestorven. We waren afgedaald naar het meer en kuierden langs de oever. Overal passeerden we bejaarden. Bejaarden met kleine hondjes, bejaarden achter een looprek, bejaarden met geld en Gucci-zonnebrillen. Een groot standbeeld van Freddie Mercury, die in dit stadje had gewoond en er zijn laatste nummers had opgenomen, domineerde de boulevard. Het was bezaaid met bloemen en twee ballonnen in de vorm van een ‘7’ en een ‘5’. Het bleek zijn geboortedag. Kijk, zei ik tegen mijn reisgenoot, zelfs de doden zijn bejaard.

In de tuin van het hotelpension herlas ik, uitgestrekt op een houten ligbed uit de belle époque, Geoff Dyers Out of Sheer Rage, een uitstekend boek voor iedereen die zich in de luchtspiegeling van een vakantie bevindt. Het gaat over een schrijver, Dyer, die pogingen onderneemt een boek te schrijven over een andere schrijver, D.H. Lawrence. Of beter gezegd: over zijn pogingen zichzelf te saboteren bij het schrijven van zijn boek over D.H. Lawrence. De zelfsabotage neemt zulke groteske vormen aan dat je, liggend op een houten stoel uit de belle époque, terwijl je reisgenoot god weet wat aan het doen is achter zijn laptop in de schaduw, je eigenlijk nog best goed voelt over je eigen arbeidsethos.

Dyer heeft een lawrenciaans rusteloze ziel en staat altijd op het punt de plek waar hij zich bevindt te verlaten. Niet per se omdat hij ergens naartoe wil, meer omdat het niet-hier altijd beter is dan het hier. En dus zwerft hij van Parijs naar Rome, van Rome naar Alonissos, naar Taormina, naar Oaxaca, naar Taos. Lawrence achterna, zichzelf achterna – sort of. Op het paradijselijke Alonissos wil hij zich na een week haast van kant maken omdat het er zo paradijselijk is. In Taormina slentert hij wat rond, volkomen verveeld door de schoonheid van het stadje. ‘For those’, constateert hij, ‘who set off every day to an office or factory or shop, holiday might be a nice relief but for us, who passed our time as we pleased, a holiday was an unthinkable burden.’