Vaart

Er was een receptie op een schip, een grote catamaran, die door het havengebied rond zou varen. Het bedrijf dat de receptie gaf had een heleboel mensen uitgenodigd. Mensen die met een onzichtbaar lijntje aan andere mensen verbonden waren en die daarom nuttig konden zijn. Een receptie is eigenlijk een kluwen van zulke lijntjes. Visdraad waarover je struikelt als je niet kunt ‘netwerken’. Ik kende eigenlijk niemand, alleen de eigenaar, die ik nergens zag. Er liep een mevrouw rond met heel lekkere wijn en steeds als een glas enigszins leeg zou kunnen zijn kwam ze het bijschenken. Ik kan nu toch nergens heen, dacht ik. Ik had spijt dat ik gegaan was toen de trossen los gingen, al ben ik graag op het water. De zon stond hoog in de lucht en het dek glansde alsof het net geverfd was. We voeren langs de haventerreinen en zagen de achterkanten van gebouwen en loodsen, de aanlegplaatsen en platformen. Hier en daar een oude olieton, een stuk van een machine, een door zijn as gezakte auto. Ik hou van plekken die niet echt bestemd lijken om gezien te worden; van wat niet glad achter gevels past, van wat normaal gesproken weggemoffeld wordt. En van mensen die niet graag gezien worden – mensen die nooit ergens bij zijn maar altijd elders. Het schip deinde, een glas ging aan scherven, er werd gelachen en nu en dan hoorde je meeuwen roepen. Er kwamen schalen met bitterballen langs. Uiteindelijk glipte ik weg naar een hoekje op het achterdek, waar verder niemand was. Het schip draaide een zijtak van de haven in, waar nog oude kranen stonden. Achter een pakhuis zat een man in kleermakerszit boven op een betonnen buis. Hij stak net een sigaret op en lachte even naar me, toen we elkaar passeerden. Waar zouden we over gepraat hebben, dacht ik, als ik naast hem had gezeten? Over het verlangen naar afwezigheid, natuurlijk. Over laf zijn en liefhebben. Nee, dacht ik. We hadden vast alleen maar naar deze voorbij glijdende boot gekeken. En daar hadden we dan langdurig over gezwegen.