Wie brengt het Stedelijk écht verder?

Vacature: museumdirecteur

Het Stedelijk Museum Amsterdam – middelgroot museum in een middelgrote Europese stad – is op zoek naar een nieuwe directeur. Wat ging er mis met Ann Goldstein? Wat krijgt haar opvolger op zijn bord? Een paar suggesties voor de profielschets.

Medium 10324692week36

Bon, Ann Goldstein heeft dus haar congé genomen, of gekregen, en dat is een zeperd, hoe je het ook bekijkt. Goldstein was een voortreffelijke directeur. Ze was zeer hoog gekwalificeerd, ze kende de kunstwereld op haar duimpje en wat ze niet kende maakte ze zich in razend tempo eigen. Ze had een netwerk waar je U tegen zegt. Ze reisde de wereld af en herstelde de zichtbaarheid van het Stedelijk in hoog tempo. Ze wist van aanpakken: een van de eerste goede daden was het wegbonjouren van die malle huisstijl die Gijs van Tuyl nog had uitgekozen.

Waarom ging dat dan mis? In Het Parool van vorige week werd de verantwoordelijke wethouder, Caroline Gehrels, naar haar ervaringen met Goldstein gevraagd. Ze zei: ‘Een bijzonder en interessant mens. Ze heeft ook echt veel humor. We hebben veel leuke, goede gesprekken gehad, maar natuurlijk ook heel moeilijke. Haar vertrek komt voor mij niet onverwacht. Het museum gaat een nieuwe fase in.’

Dat lijkt op een wellevend en eerlijk vaarwel, maar wat er eigenlijk gezegd werd is dit: ‘Een bijzonder en interessant mens, maar volkomen humorloos. Ze was niet a-sociaal, maar als het menens werd was er geen land mee te bezeilen. Ik heb haar in december 2012 al openlijk gedegradeerd, door haar op te schepen met een zakelijk directeur, zodat ze de eer aan zichzelf kon houden. Daar hebben we nog een half jaar over moeten steggelen, maar nu zijn we eruit. Haar vertrek komt voor mij niet onverwacht.’

Het is ook de toon van de beoordelingen achteraf. In de pers, ook de verstandige, wordt over allerlei persoonlijke gebreken van de vertrokken directeur getut-tut.

Ten eerste: zij paste zich niet aan aan onze cultuur. Zij moest geprest worden om Nederlands te leren en zij wilde niet fietsen – een fout van de eerste orde. Had dan niemand haar de foto’s laten zien van onze cycling monarchy, Wilhelmina op haar Fongers, Juliana peddelend langs de Helomavaart? Heeft dan niemand haar uitgelegd dat in ons land het aanvaarden van autoriteit gepaard moet gaan met rituele zelfvernedering? Dat van buitenlandse gasten verwacht wordt dat zij zichzelf voor paal zetten met enkele woorden kreupel Nederlands (‘Bedaaank vorr dè bloemeh’)?

Ten tweede: zij was schuw. Dat klopt: je kreeg haar niet aan de telefoon en ze was met geen stok voor de camera te krijgen. Naar verluidt wilde zij bij de feestelijke opening pas geïnterviewd worden door de Avro – die zo aardig was het hele festijn uit te zenden – toen de Avro haar vertelde dat koningin Beatrix dat nota bene wél had toegestaan. Haar vergissing daar was dat zij als directeur van het belangrijkste museum voor hedendaagse kunst van het land een grotere verantwoordelijkheid had dan alleen te staan voor haar eigen instelling: zij had ook een verantwoordelijkheid voor de positie van die kunst in brede zin, zoals directeur Wim Pijbes van het Rijksmuseum die heeft voor de oude. Maar het was Ann Demeester die in Buitenhof de strijd aanging met de bezuinigingsadepten, niet Ann Goldstein. Gemiste kans, en een belangrijke vergissing, want het is van acuut belang dat musea van hedendaagse kunst hun legitimiteit bevechten. Als je je, zoals Goldstein in dit blad zei, zorgen maakt over de collectieve verantwoordelijkheid van burgers voor hun museum en hun kunst, dan moet je ze daarop aanspreken. In het openbaar. Hoeft niet in het Nederlands, maar je moet het wel doen.

Drie: zij kon niet omgaan met de bureaucratie die de gemeente Amsterdam te berde bracht. Hier namen sommige critici het voor haar op, verwijzend naar de film Het nieuwe Rijks­museum van Oeke Hoogendijk. Daarin gaat de vorige directeur, Ronald de Leeuw, zachtjes­aan kapot aan de vaderlandse vergader- en overlegdwang. Hij had met vijf, zes instanties tegelijk te maken en dan kwam daar óók nog de fietsersbond bij. De cruciale scène in de film is die in de onderdoorgang, waar een van de architecten tot zijn verbijstering in debat moet over de breedte van het fietspad met een dame die zegt de fietsers van Amsterdam te vertegenwoordigen. Later zegt deze architect, beleefd maar geschokt: ‘Ik had de indruk dat wij het nationale museum van het Koninkrijk der Nederlanden aan het bouwen waren. Niet dat ik een fietspad in een woonwijk aan het aanleggen was.’

De vergelijking is verleidelijk maar lijkt me niet juist: de complexiteit van de verbouwing van het Rijksmuseum verhoudt zich niet tot die van het Stedelijk. Natuurlijk, daar ging van alles mis, en de omgang met je patroon is lastig als die politiek getraumatiseerd is door een bouwproject waarvan de kosten volledig uit de hand zijn gelopen. De gemeente Amsterdam is ook zeker niet vrij van ambtelijke kluwens. Maar: in Amsterdam heeft de cultuur beduidend meer steun dan in Rotterdam of Den Haag. Er zit in Amsterdam geen Leefbaar in de raad en geen pvv. Goldstein had te maken met een wethouder die zich openlijk sterk maakt voor de cultuur in de stad – en dat is in andere steden wel anders. Bovendien: Goldstein kwam uit Los Angeles, niet uit Uppsala of Deventer. Zij had ingetekend op een directeurschap van een gemeentelijk museum in een middelgrote Europese stad. Dat vraagt hoe dan ook olifantengeduld en vergadertijgergenen. Goldstein was misschien van nature een conservator, niet een manager, maar haar positie in Amsterdam was niet per se lastiger dan die van een directeur in België, Frankrijk, Spanje of Engeland. Natuurlijk was het onvermijdelijk dat de financiële kaders na haar aanstelling nog werden bijgesteld. Dat is lullig, maar dat is altijd zo. Er is altijd een lege beurs, altijd.

Sinds juni van dit jaar is de raad van ­toezicht op zoek naar een nieuwe kandidaat. De vraag is of daarbij dezelfde profielschets wordt gehanteerd als de vorige keer. Dat zou misschien onverstandig zijn. Juist in de formulering van de internationale ambitie van het Stedelijk schuilt, denk ik, een belangrijke misvatting, en het is die misvatting die Goldstein misschien het allermeest is opgebroken.

In de jubelzang over de heropening werd steevast gezegd dat het Stedelijk ‘weer helemaal terug was’, en met ‘terug’ werd bedoeld dat het museum weer de positie zou gaan innemen die het ooit had: een museum dat internatio­naal voorop liep in zijn keuze voor kunstenaars en in zijn tentoonstellingspraktijk, die (met die witte muren) alle mogelijke experimenten toeliet, krakeel, vechtpartijen, drinkgelagen, bezettingen, alles. Het was díe vrijmoedige geest die de burgers van Amsterdam in groten getale aan dat museum had gebonden. Dat was zo, maar dat was wel vijftig jaar geleden. De Amsterdammers houden zichzelf daar al decennialang mee voor de gek. Het Stedelijk begon als exponent van een ooit-moderne visie op kunst en beeldcultuur zijn echte relevantie twintig jaar geleden al te verliezen. Het was een Museum van de Twintigste Eeuw geworden en het is als Museum van de Twintigste Eeuw heropend. Mike Kelley paste daar prachtig in: poep, plas, pedoporno – prima. Nostalgie, geen avant-garde.

Wees eerlijk: het Stedelijk Museum is een middelgroot museum in een middelgrote Europese stad. De concurrentie is enorm. Alleen al in Europa zijn er honderd Stedelijken bij gekomen, van Tallinn tot Belem, van Istanbul tot Metz, om maar te zwijgen van China, Rusland, de golfstaten, de VS. De collectie van het museum is zeer goed, met een paar unieke ensembles – Malevich, bijvoorbeeld – maar dat zijn er maar een páár. Niet een boel, zoals in Musee d’Orsay, Tate Britain, het Van Gogh Museum of het Rijks.

Het zou verstandig zijn om eindelijk eens die verlammende pedante nostalgie af te werpen. Zie het museum als wat het is: een middelgroot museum met een goede naam, een goede staf, een goed gebouw, een goede, maar niet werkelijk uitzonderlijke collectie. Kijk eens naar enigszins vergelijkbare musea in Nederland – Boijmans in Rotterdam, het Gemeente­museum Den Haag. Andere gebouwen, andere collecties, maar zo heel anders nou ook weer niet. Stevig geworteld in de lokale traditie, met een goed oog voor wat Hagenaars en Rotterdammers mooi vinden, musea die vanuit die positie tentoonstellingen van onbekende hedendaagse kunstenaars brengen. Matthew Day Jackson in Den Haag was op z’n minst net zo goed als Mike Kelley in Amsterdam. Zie de zaken in die verhouding, en zoek daar een directeur bij.

Maak van het Stedelijk dan hét centrale en meest belangrijke forum voor de hedendaagse kunst in de Nederlanden. Wapen je tegen de conservatieve reflex in de samenleving door begrijpelijk, hartelijk en toegankelijk te zijn – wat iets anders is dan tegen heug en meug blockbusters in huis te halen of voor de camera op de fiets te stappen. Maak hier elk jaar een expositie van de alumni van de Rijksakademie en De Ateliers, de mannen en vrouwen die in Nederland tot bloei zijn gekomen en het internationaal ver zullen brengen. Kweek trots op die diversiteit, maar dan ook écht: Amsterdam laat zich graag voorstaan op de talloze nationaliteiten die er wonen, maar in de kunstwereld doe je alleen mee als je Engels spreekt, en dan liever nog dat Engelse hocuspocus dat in de kunstwereld gangbaar is. Denk eens wat meer aan Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Vraag je eens af of het echt nodig is dat alle tentoonstellingen per se een Engelse titel hebben – alsof dat de énige taal is waar de kunst zich van bedient. En nee, daar hoef je geen Nederlands voor te leren.