Vacuüm

In de nieuwe roman van Peter Terrin, een eerbetoon aan Patricia Highsmith, veroorzaakt niet de vlucht uit het eigen leven een existentiële crisis. Dat doet het besef dat de afwezigheid in wezen niet uitmaakt.

Peter Terrin heeft de lezer in zijn greep © Károly Effenberger / HH

Voorzover je Patricia Highsmith (1921-1995) al kon vangen, kon dat alleen in uitersten. Alles was paradoxaal en ambivalent. Vanaf haar twaalfde voelde ze zich een jongen in het lichaam van een meisje, maar als een ober haar op het herentoilet wees, ontstak ze in woede. In een week tijd kon ze van communist naar fascist naar liberaal naar libertijns gaan, en weer terug. Ze had een afkeer van kinderen, maar werkte een tijd op de speelgoedafdeling van Bloomingdale’s. Ze was hoofdzakelijk lesbisch, maar ook misogyn. Ze benaderde haar vele geliefden – mooie, intelligente vrouwen, maar ook enkele interessante mannen – met in de ene hand een trouwboeket, schreef haar biografe Joan Schenkar, en in haar andere de bijl van een beul.

Haar biologische ouders scheidden tien dagen voor haar geboorte, ze groeide op met een stiefvader, toen ze twaalf was stuurde haar moeder haar weg om een tijdje met haar grootmoeder te gaan wonen. Het was een ongelukkige jeugd, de start van een ongelukkig leven, waarin elk idee van familiegeluk vreemd aanvoelde: ‘One situation – one alone, could drive me to murder’, schreef ze later in haar dagboek: family life, togetherness.

Des te paradoxaler, dus, dat ze een oeuvre bij elkaar schreef over outsiders die zich niet konden inhouden zich andermans families in te wurmen. Haar bekendste is haar getalenteerde meneer Ripley, meesteroplichter die cynisch gebruikmaakt van de levens van anderen, voor zijn eigen gewin, maar ook vanuit een zekere hunkering.

De levens van anderen staan centraal in die nieuwe roman van Peter Terrin, die Patricia heet, duidelijk een eerbetoon aan Highsmith. Het persbericht vanuit de uitgeverij sprak al over een roman met een ‘highsmithiaanse spanningsboog’. Dat heeft Patricia zeker, maar dan op een omgekeerde manier, zoals de hele roman highsmithiaans is, maar dan binnenstebuiten.

Dat begint met de hoofdpersoon, Astrid. Al als studente rende Highsmith van obsessie naar obsessie. Ze noteerde in haar dagboek: ‘Obsessions are the only things that matter. Perversion interests me most and is my guiding darkness.’

Voor iemand die in een existentiële crisis verkeert is de crisis wel heel kalm

Niets lijkt Astrid te obsederen. Ze heeft geen donkere kant. Daar heeft ze geen tijd voor bovendien: ze is een vrouw vergroeid met haar smartphone. Ze heeft een jonge zoon, een huwelijk, is de onmisbare schakel in een bedrijf als eventmanager. Haar collega’s noemen haar ‘de diplomaat’, omdat ze een buitengewoon geduld heeft. Haar man heet David, hij is het soort echtgenoot dat af en toe een juweel voor haar koopt. Hij spreekt over haar, zegt ze, op een manier die haar het gevoel geeft alsof ‘ze bij hem in dienst was’. Hij is succesvol, opgeruimd, wil geen personeel in huis want dat vertrouwt hij niet. Wanneer ze zich afvraagt of hij niet ergens een maîtresse heeft, bedenkt ze dat David precies dat woord ervoor zou gebruiken: maîtresse. ‘Het was een woord dat paste bij de lambrisering in zijn kantoor, bij zijn bureau-ministre, zijn Montblanc.’

Dit alles bedenkt ze in terugblik, want op het moment dat de roman opent is ze gevlucht. Van zichzelf. Als ze haar zoontje uit bad haalt, valt haar telefoon in het water en opeens beseft ze dat ze is afgesneden, van haar werk en van haar wereld. En ze loopt het huis uit en rijdt weg, geen idee waar naartoe.

Toch levert dit vluchtgedrag niet de ‘highsmithiaanse spanningsboog’ waar de uitgeverij van spreekt. Die legt Terrin erin als Astrid op de snelweg bij zinnen komt, de auto omdraait en weer naar huis rijdt. Daar treft ze de auto van haar man – die op dat moment anders nooit thuis is – en durft ze niet meer terug naar binnen, omdat hij weet dat ze hun zoontje zomaar alleen heeft gelaten.

Astrid blijft op de vlucht. Ze bezoekt haar zieke vader, verblijft bij een vriendin, knoopt een affaire aan met een jongen die in het soort buurt woont waar ze altijd zo snel mogelijk doorheen rijdt, ze bezoekt haar zoontje als hij ligt te slapen – klinkt dat paniekerig? Niet echt, en zo schrijft Terrin het ook niet op. Voor iemand die in een existentiële crisis verkeert is de crisis wel heel overzichtelijk, wel heel kalm, Terrins Astrid is opvallend coherent, op het matte af.

Misschien, denk ik nu, was dat een trucje van Terrin, een manier om je als lezer wat te laten indutten. Want opeens staat de roman onder hoogspanning, opeens zijn er twee plottwisten die alles veranderen en je met een what-the-fuck-gevoel opzadelen dat de rest van de roman geen kans krijgt weg te ebben. Terrin heeft je dan toch in zijn greep. Hoeveel kun je er hier over zeggen zonder teveel clou weg te geven? Twee dingen dan. Als ze haar man weer aankijkt, kijkt ze naar zijn neus en denkt meteen: ‘Dit was David niet. Hij zag eruit als David maar zijn gezicht was anders, zijn neus was spits en stond een beetje scheef.’ Over die neus kan ze maar niet uit. En ze kan er niet over uit dat hij, het tweede ding, haar consequent met ‘Patricia’ aanspreekt.

Laat ik het anders zeggen, om niks te verraden. Jaren geleden hadden onze buren het idee dat er bij hen werd ingebroken, kleine dingen ontbraken, spullen werden verplaatst. Het bleek een postbode te zijn, die via de schuur naar binnen kon en daar dan op de bank ging zitten niksen. Heel raar. Maar daar kwamen ze pas achter nadat ze een cameraatje ergens in een boekenkast hadden verstopt die de hele dag opnam. Wanneer ze terug uit hun werk kwamen keken ze – doorgespoeld – acht uur naar hun eigen woonkamer. Ze werden er gek van, zeiden ze. Zo’n woning zonder mensen is gewoon maar een eenzame plek. En het gevolg was dat als ze er dan weer waren, ze die beelden van die eenzame woning niet uit hun hoofd konden krijgen. Ze gingen hun huis zien zonder henzelf erin.

Dit is zo’n beetje wat Terrin bewerkstelligt. Na het sterk parabel-achtige De bewaker, het metafictionele Post mortem, het serene Monte Carlo, het onrustige Yucca, pleegt hij met Patricia een omgekeerd highsmithje: in haar romans kijken dromers, wanhopigen en oplichters naar de levens van anderen, en proberen zichzelf daarin te plaatsen. In Terrins roman kijkt een vrouw naar het leven van haarzelf en naar het vacuüm dat ze heeft achtergelaten. Ze ziet hoe het wordt gevuld, of eigenlijk: hoezeer haar aanwezigheid niet lijkt uit te maken. Dat is pas een existentiële crisis.