Vader en zoon

De moeder van Nicolien is voor Voskuil-lezers geen onbekende. Zij speelt een rol in ‘Het Bureau’ en aan haar is een heel boek gewijd. Maar hoe zit het met de vader van Maarten, Klaas Koning, alter ego van Klaas Voskuil, voormalig Vrije Volk-hoofdredacteur? Portret van een bevoogdende vader en een eeuwig puberale zoon.

DE EERSTE KEER dat zijn vader, Klaas Koning, in het boek voorkomt, is het al meteen mis. Zijn vader, nog drie jaar verwijderd van zijn pensioen, komt zijn hobby op hem, Maarten, uitproberen. Op diens werk, onaangekondigd. Hij heeft een alpinopet op - zijn favoriete dracht in vrije tijd - en draagt een fototoestel aan een riem om zijn nek. Terwijl hij tegen de directeur opschept over zijn twee andere zonen, gebiedt hij Maarten op een trapje te gaan staan, een boek te pakken en te doen alsof hij leest. Dat levert een levensecht plaatje op, vindt hij. Even later, als ze zitten te lunchen bij Schiller op het Rembrandtplein, wil vader weten waarom Maarten nog geen proefschrift heeft geschreven, zoals zijn broer zo voorbeeldig heeft gedaan. Omdat hij geen onderwerp heeft? Wat een onzin! Waar is hij nu mee bezig? ‘Met de kabouters’, zegt Maarten. 'Dan schrijf je een proefschrift over de kabouters!’ zegt vader. 'Je zult zien wat een succes je daarmee hebt.’ Maarten negeert die opmerking. Plagerig herhaalt hij wat een collega heeft gezegd. Dat hij 'een olifant van een vadercomplex’ heeft. Nonsens, vindt zijn vader. KLAAS VOSKUIL en Johan Jacob Voskuil (roepnaam Han), vader en zoon. De vader was ooit vermaard als hoofdredacteur van het sociaal-democratische dagblad Het Vrije Volk, dat alweer achttien jaar ter ziele is. De zoon is beroemd als schrijver van de veeldelige mega-sleutelroman Het Bureau. We kennen de zoon van televisie - bij Hanneke Groenteman - als een bedaarde, zuinig kijkende en af en toe glunderende pijproker, gestoken in simpele trui en broek, terzijde gestaan door zijn nog eenvoudiger vrouw Lousje. Beiden doen denken aan net uitgetreden religieuzen uit de jaren zestig: hij de pater in burger, die de drukte en menselijkheid om hem heen nog nauwelijks bevatten kan; zij de non, die nog altijd bozig en wantrouwend de wereld in kijkt. Hoe de vader is geweest, weten we vooral uit de boeken van de zoon. In de eerste drie ontvouwt zich een drama tussen de alter ego’s van vader en zoon, Klaas en Maarten Koning, dat bol staat van kleine botsingen, overbodige misverstanden en menselijke kortsluitingen. Telkens weer is de zoon op zoek naar erkenning en bevestiging, naar vrijheid van vaderlijke dwang en naar echte aandacht. Bijna altijd voelt hij zich ontkend, miskend en in zijn ware aard aangetast door zijn vader, die alles beter weet, vooral wanneer het zijn zoon aangaat. Wat die vader maar niet begrijpen wil, is dat zijn zoon niet om antwoorden verlegen zit maar om vragen. Niet zozeer van zijn vrienden, als wel van zijn vader. Niets zou hij liever willen dan dat zijn vader hem eens zou vragen: 'Jongen, wat verwacht jij nou van het leven?’ Tussen de twee voltrekt zich een reviaans drama, waarin de vader gespeend blijft van elk begrip voor de zoon. Zo althans wordt het door de zoon gepresen teerd en zo moeten we het kennelijk ook begrijpen. Als zijn vader voor de zoveelste keer over het proefschrift begint en Maarten/Han ten einde raad zegt dat hij uitsluitend plezier heeft in soep eten, roept zijn vader dat hij maar een dissertatie over soep moet schrijven. Als hij verzucht geen directeur te willen worden van een wetenschappelijk instituut, wuift zijn vader zijn bezwaren weg en wijst op zijn broer die dat wél kan. Als hij een huis betrekt aan de hoofdstedelijke grachtengordel en zich daar eigenlijk voor schaamt, roept zijn vader uit: 'Eindelijk een huis waarin je met goed fatsoen kunt wonen.’ En als Maarten/Han en vooral zijn vrouw Che Guevara een held vinden, haalt zijn vader zijn neus op voor diens Boliviaans dagboek. HET IS EEN vertrouwd beeld. Wie van de doorgaans veertig- en vijftigjarige Voskuil-lezers heeft immers niet zo'n vader gehad? Of kan zich op zijn minst iets voorstellen bij zo'n autoritaire vaderfiguur. Het Bureau is op dit gebied een feest der herkenning, en de verleiding om in dit als tragikomedie beschreven generatieconflict de kant van de zoon te kiezen is dan ook groot. Maar men zou ook met wat meer mededogen naar de vader kunnen kijken, ook al verpersoonlijkt hij die vermaledijde jaren vijftig. Uit de boeken van zijn zoon komt hij naar voren als een nu eens brommerige, dan weer net iets te luidruchtig commanderende oude baas. Als een man van een generatie die tegenspraak van 'minderen’ maar onzin vindt. Bovendien is hij socialist, vooraanstaand lid van de sociaal-democratie in de tijd dat daar de meest burgerlijke en brave variant op het socialisme overheerste, ook wel aangeduid als de periode-Drees: de periode dat de PvdA vóór het gezin is en vóór de koningin en als geen andere politieke partij tegen alcohol en 'opstandigheid’. In die partij paste Klaas Voskuil als geen ander. Geboren in 1895 in een klein middenstandsgezin, opgeleid tot onderwijzer en vanaf zijn tweeëntwintigste tot zijn pensioen nauw samenwerkend met Drees was hij een typische beschavingsoffensief-socialist: een opvoeder die de arbeidersklasse wilde verheffen in plaats van aanzetten tot klassenstrijd. Hij was tegen drank en voor een sobere en kuise levenswijze, dat ter wille van de karaktervorming van de arbeiders die aan allerlei verlokkingen blootstonden. De oude Voskuil, aldus journalist Igor Cornelissen, 'sprak, schreef en las abstinent’. Dat is: met vrijwillige onthouding van spijs, drank en seksueel verkeer. Cornelissen, hij begon ooit als jong verslaggever bij Het Vrije Volk, herinnert zich zijn oud-hoofdredacteur als een serieuze pijproker met een 'gepijnigde blik’ die vooral wilde weten of zijn leerling-verslaggevers 'uit een rood nest’ kwamen. De onkreukbare Voskuil maakte op Annie Romein de indruk 'nog geheel in de oude SDAP-sfeer te leven’. Voormalig Vrije Volk-journalist Hans van Straten wijst op de doodernstige, gezwollen toon die Klaas Voskuil eigen was, vooral in zijn wekelijkse radiopraatjes, officieel geheten: Socialistisch commentaar. Hij begon altijd, zegt Van Straten, met: mijn vader was bakker in een kleine stad in het oosten des lands. 'Als ze dat bij ons thuis hoorden, riepen ze in koor: zet dat ding af.’ En journalist Gerard Mulder, eveneens ooit werkzaam bij Het Vrije Volk, concludeert in zijn boek over deze krant dat Voskuil tot op het bot de PvdA van de jaren vijftig kenmerkte: 'Een partij van welwillende regenten en bezadigde pijprokers: bedaard, vaderlijk, betuttelend, steeds andermans bestwil scherper ziend dan de betrokkene zelf.’ Klaas Voskuil was een uit steen gehouwen karakter, te vergelijken met de zeer wilskrachtige Katadreuffe uit Bordewijks roman Karakter. Zij het dat Voskuil veel sympathieker was. Hij was serieus, maar hij had ook gevoel voor humor, al was hij zelf niet bepaald de grootste grappenmaker. Hij was meer het type dat stil zit te glunderen om grapjes van anderen. Dat Voskuil niet uitsluitend een stijve burgerman en vroom 'Dreesmannetje’, zoals men hem ter redactie wel noemde, moet zijn geweest, blijkt ook uit Het Bureau. Met name uit dat intrigerende zinnetje waar Maarten/Han schrijft dat zijn vader sinds hij hoofdredacteur is 'nooit meer een aap heeft nagedaan en toch was dat zijn beste creatie’. Overigens vergist de auteur zich hier. De aap-creatie is door de oude Voskuil op zijn minst nog één keer van stal gehaald: tijdens een interview met Vrije Volk-redacteur Klaas Graftdijk. Van het ene op het andere moment is de eerbiedwaardige hoofdredacteur toen achter zijn bureau vandaan gelopen om aan een deurpost te gaan hangen en zich enkele keren op te trekken. MAARTEN/HAN doet zijn uiterste best die andere vader, die levendige, olijke figuur te vinden, omdat hij die als zoon zo 2 nodig heeft. Indien hij met die vader in contact komt, krijgt hij misschien eindelijk eens iets anders dan een afwijzing of, erger nog, helemaal niets te horen. Alleen: zijn vader geeft zich niet zomaar bloot. Integendeel, die paar keer dat zoon Maarten/Han hem aanspreekt op zijn vroegere, romantische socialistische levensgevoel, reageert de vader korzelig. Nee, hij kan zich niet herinneren ooit met een cape om te hebben gelopen en lange haren te hebben gehad. En dat hij en op zijn beurt zijn vader idealist zijn geweest, het zal best, maar 'dat is wel heel lang geleden’ en geen onderwerp van gesprek. Al vroeg wordt Maarten/Han duidelijk dat met zijn vader geen contact te krijgen is. In Het Bureau schrijft hij: 'Mijn vader zegt nooit iets. Hij zwijgt. Als ik bijvoorbeeld met een goed rapport thuiskwam, dan zei hij niets. Hij legde het naast zich neer, alsof het vanzelfsprekend was. Daardoor had ik altijd het gevoel dat ik niet genoeg had gedaan. Ik schoot tekort, maar ik wist niet waarin. Er was een norm die ik niet kende en waaraan ik niet voldeed.’ En het tragische is dat de oude Voskuil zich daarbij van geen kwaad bewust is. Het is niet zoals bij Kafka, waar de vader geen enkele interesse heeft in zijn zoon en diens cadeau, het eerste exemplaar van zijn zelfgeschreven boek Ein Landartzt, demonstratief op het nachtkastje laat leggen. Schouderklopjes geven behoort niet tot de 3 stijl van de oude Voskuil. Het ontbreken van kritiek is het teken dat het goed is. Van complimenten, vreest hij, komt maar al te gauw verbeelding. Maar als iets niet deugt, mag je niet zwijgen, dat zou zwakheid zijn, een onzindelijke concessie omwille van de lieve vrede. Het gevolg: de vermoedelijk meest eigengereide zoon van de drie jongens Voskuil blijft zoeken naar wat de vader kan behagen, maar tegelijkertijd wordt hij steeds dwarser teneinde zijn vader uit de tent te lokken. Het ene moment wenst hij wat zijn vader wil, het andere werpt hij het ver van zich af. Meestal overwint uiteindelijk de afkeer. Kijkt de vader hoog op tegen de wetenschap, de zoon ziet erop neer en wenst daarom geen carrière te maken in de wetenschappelijke wereld waar hij zijn hele leven zal doorbrengen, gebonden aan één instituut. Is de vader als socialistisch courantier en als vertrouweling van Drees altijd bezig met de maatschappij, de zoon ontwikkelt 'een geweldige hekel’ aan de samenleving. Hij blijft echter nieuwsgierig naar de wereld van zijn vader, naar die veilige cocon waarvan hij het bestaan vermoedt, maar waarvan hij de bescherming nooit zelf heeft gevoeld. 'Maarten’, aldus de schrijver over zichzelf in een interview, 'meent niet te kunnen leven zonder de illusie van een groep mensen die het voor elkaar opneemt. Voor zijn vader was dat de hele wereld, of 4 in elk geval heel socialistisch Nederland. Voor Maarten is dat het kleine groepje waartoe hij behoort. Zocht zijn vader het gelijkheidsparadijs, Maarten zocht een emotioneel paradijs. Tussen studentvrienden, tussen collega’s.’ Maar hoe Maarten/Han ook zijn best doet, hij raakt steeds meer ontgoocheld. Noch in zijn studentenclub, noch op het kantoor vindt hij de eenheid, de kameraadschap die zijn vader ooit gekend moet hebben. Elke stap die hij zet, brengt hem verder van zijn vader en diens wereld af. Hij trouwt, zoals het volgens zijn vader hoort. Maar hij doet dat met een vrouw die in haar onverzoenlijke radicalisme in alles het tegendeel is van zijn bedachtzame vader. Bovendien is Maarten/Han zeer ontvankelijk voor de hartstochtelijk beleden meningen van zijn vrouw. Dus houden ze samen niet van kinderen, maar wel van poezen. Houden ze samen niet van werken, wel van thuiszitten. En zijn ze samen gecharmeerd van Provo, stemmen ze op Roel van Duijn en later op Bram van der Lek, de puntbaardige schrijver van het Groene Boekje (een soort Rode Boekje voor het milieu). Dat alles tot ontsteltenis van de oude Voskuil, die in de meningen van zijn zoon en schoondochter niets anders kan zien dan een knieval voor de aanstellerige opvattingen van een generatie jongeren die hun leven lang in de zandbak wil blijven spelen. Dat zijn zoon zegt 'de pest aan zijn werk’ te hebben brengt hem tot de uitroep: 'Niemand heeft de pest aan alle werk. Iemand die de pest aan werken heeft, daar is iets mee aan de hand! Die is niet in orde!’ En Van der Lek, volgens de zoon een 'fatsoenlijk man’, is naar de mening van de vader een 'idiote aanvoerder’ van een 'bezopen stelletje’. Aan Provo moet de oude Voskuil zich zelfs zo hebben geërgerd dat hij op gepensioneerde leeftijd zijn voormalige werknemer Hans van Straten nog is komen afraden over die oproerkraaiers te schrijven. Anders dan de vader heeft de zoon geen carrière gemaakt in het vak waar hij goed in is, geen gezin gesticht en geen politiek ideaal nagestreefd (hij stemt dan wel progressief, maar dat is dan ook alles). En dat moet Klaas Voskuil teleurgesteld hebben. Niet alleen omdat hij, zoals zijn zoon schrijft, 'het niet kan verdragen als zijn zoons niet opklimmen’. Maar ook omdat hij vindt dat je altijd het beste uit jezelf moet halen en iets moet afmaken als je er aan begint. Tevreden zijn met de functie van afdelingschef als je ook directeur van het hele instituut kunt worden, zoals in het geval van zijn zoon - hij heeft het nooit begrepen. Het past ook niet bij zijn opvatting van het socialisme, die samen te vatten is in één zin: emancipatie door prestatie Toch lijken vader en zoon meer op elkaar dan beiden wellicht lief is. Beiden hebben een maniakale behoefte aan herhaling en vastigheid. Hoe meer de dagen, uren en zelfs minuten op elkaar lijken, hoe beter. De geluksgevoelens van de zoon bij zijn eentonige kantoorleven kennen we uit de passages uit zijn autobiografie in romanvorm: Het Bureau. De stiptheid van de vader, die elke dag, op de minuut af, op dezelfde tijd ter redactie verschijnt, is legendarisch. Bij zijn krant, Het Vrije Volk, heeft een ambtenarenmentaliteit geheerst die de lezer van Het Bureau niet vreemd in de oren kan klinken. De redactie moet 'het schrikbewind van de chefs’ zijn geweest. 'Baas bóven baas. Balken, sterren en strepen’, aldus voormalig redacteur Meije Koetzier. Ook het ongemakkelijke gevoel over alles wat ook maar een beetje naar seks verwijst, delen vader en zoon. Komen in de boeken van de zoon geen vrouwen van vlees en bloed voor, in de krant van de vader wordt elke blote vrouwenknie bijgewerkt en op de foto van een stofje voorzien. Al heel gauw vindt de oude Voskuil, net als zijn zoon, iets te frivool. Ballet bijvoorbeeld, is door de oude Voskuil ooit omschreven als 'homoseksueel gehuppel’. NAARMATE DE ZOON ouder wordt, durft hij de gelijkenis tussen hemzelf en zijn vader steeds meer onder ogen te zien. En hij probeert zijn vader daarop te wijzen. Eenmaal overweegt Maarten/Han zijn vader zelfs rechtstreeks te vragen of 'hij zich in hem en zijn broers herkende’. Maar hij ziet daar vanaf omdat hij het ontwijkende antwoord wel kan raden. 'Jullie hebben allemaal iets van mij - of, met een lachje: Jullie slechte eigenschappen heb je van mij’, zou hij zeggen. En die paar keren dat hij zijn vader wijst op hun gemeenschappelijke mensenschuwheid, zegt deze zonder een spoor van twijfel: 'Daar heb ik nou nooit last van.’ De werkelijkheid is natuurlijk heel anders geweest, veel minder strelend voor de oude Voskuil. En dat moet zoon Han hebben geweten. Hij kwam immers in zijn studententijd elke middag zijn boterhammen bij vader op de krant opeten. Voskuils naaste medewerker bij Het Vrije Volk, redactiechef Age Scheffer, schrijft over die contactgestoordheid van zijn baas in zijn 'In Memoriam’ in 1976: 'Ik heb het altijd zo begrepen dat hij medemenselijkheid in volle consequentie fysiek en psychisch niet aankon - en zo midden tussen zijn mensen vereenzaamde.’ En Gerard Mulder noteert over dit onderwerp: zijn medewerkers 'kenden Voskuil als een grijze schim die zich van de lift naar zijn kamer haastte, waar hij de rest van de dag niet meer uit kwam, tenzij hij een afspraak buiten het gebouw had’. Voskuil kende op zijn beurt zijn personeel niet. Indien een ontmoeting 'met een lager geplaatste onvermijdelijk was, dan sprak Voskuil hem meestal aan met Polak. De kans dat die gok goed was, was relatief vrij groot, want er werkten drie redacteuren’ van die naam. Maar hoe groot de gebreken van de oude Voskuil ook zijn geweest in zijn omgang met mensen, hij heeft zijn handicap overwonnen, althans in zoverre dat die hem niet heeft verhinderd een openbare, maatschappelijk nuttige figuur te worden. Iemand die het beste uit zichzelf haalt. En daarin verschilt hij van zijn zoon, die heeft zoiets dertig jaar lang weten te vermijden. Zijn steile karakter is voor hem een excuus om te vegeteren. Inertie en daadloosheid kenmerken zijn openbare leven. Dat tot spijt van zijn vader. Toegeven aan zijn zoon dat hij zelf niet bepaald de meest vaardige is in de omgang met mensen heeft de vader nooit gewild. Voor zijn zoon wil hij allereerst de man van de wereld zijn, de vader die geen fouten maakt. Precies daar zit de angel van hun moeizame en hopeloze relatie. De vader vindt dat de zoon maar niet volwassen wil worden en daarom voortdurend bijsturing behoeft. En dat laatste doet iemand van zijn generatie nu eenmaal niet vanuit een positie van zwakte, maar van sterkte. En de zoon wil wel de goedkeuring van zijn vader, maar mag deze niet krijgen door slaafs zijn vader te volgen. Dus daagt hij hem uit. Steeds weer, vaak door zich onmaatschappelijk te gedragen of ronduit antimaatschappelijke meningen te verkondigen. Voor zijn vader is dat dan weer het bewijs dat het nog niet goed zit met Maarten/Han. En zo hebben ze elkaar in de tang. Bijna een leven lang. De vader blijft voor vader spelen en de zoon neemt tot op ongeveer middelbare leeftijd de rol van kind op zich. HUN VERHOUDING verandert niet eerder dan op het eind van het leven van de vader. Als de oude Voskuil toegeeft geen memoires te kunnen schrijven omdat hij, zoals Maarten/Han hem fijntjes voorhoudt, niet eerlijk en onomwonden durft te noteren wat hij over mensen denkt, ontstaat er beweging. Een andere keer moet de vader zijn meest geliefde pantser, zijn overtuiging, afwerpen. In een felle discussie zal de zoon hem uiteindelijk tegemoet komen. Maar eerst moet de vader hebben uitgeroepen: 'Ik wil niet dat er in mijn huis over politiek gepraat wordt.’ Pas wanneer de vader werkelijk oud, eenzaam en hulpeloos is, wordt hij voor zijn zoon bereikbaar, pas dan komt de doorbraak. Dat blijkt vooral tijdens het laatste samenzijn van vader en zoon. De oude Voskuil ligt op dat moment in het ziekenhuis, te wachten op zijn dood. En hij doet iets wat hij nog nooit gedaan heeft, hij legt zijn vaderlijke verantwoordelijkheid voor deze 'zwakke’ zoon af en vraagt om hulp. Gelegen op zijn zij, met de rug naar Maarten/Han en Nicolien/Lousje toe, steekt zijn vader zijn vrije hand onder de dekens uit. 'Vragend’, maar toch ook 'gebiedend’ beweegt zijn hand, tastend, zoekend naar de hand van zijn zoon. Hand in hand brengen ze hun laatste gezamenlijke ogenblikken door, eindelijk zonder strijd. Vlak voor zijn overlijden is het er toch van gekomen: de vader heeft zijn eeuwige, bevoogdende vaderschap afgeworpen en de zoon heeft eindelijk een andere rol aangenomen dan die van opstandig kind. Zelfs in de troosteloze boeken en wereld van de zoon is het soms 'eind goed, al goed’.