Sport

Vader en zoon

Het leek wel een opa met zijn kleinzoon: Johan Cruijff en Wesley Sneijder die in het RTL Nieuws uitlegden wat er aan de hand was met de Johan Cruyff Foundation en de Belastingdienst.

Cruijff, wijs en waardig, vertelde dat zijn Foundation, die al jaren sportinitiatieven steunt ten behoeve van kinderen en gehandicapten, ineens door de belasting onder schot is genomen over de straatvoetbalveldjes die ze de afgelopen jaren in het land heeft aangelegd. Er moet acht procent belasting worden betaald over een gift.

Cruijff was teleurgesteld, maar je zag dat hij het wel begreep. Uiteindelijk besloot hij met: «Misschien moet de Belastingdienst maar voor acht procent sponsor worden van dit initiatief. We kunnen het wel plezieriger voor ze maken maar niet gemakkelijker.»

Wesley Sneijder vond het vreemd dat over zoiets geweldigs belasting moet worden betaald. «Daar moeten ze gewoon niet tussen komen», zei hij.

Typisch de jonge topvoetballer van tegenwoordig. De werkelijkheid, wat is dat ook alweer?

Tussen de oude meester en zijn kleinzoon miste de verbindende schakel. Die de arrogantie van Cruijff koppelt aan die van Sneijder. Want eigenlijk is het een logische lijn: van Cruijff via Marco van Basten naar Wesley Sneijder. Sneijder is lang niet zo’n goede voetballer, maar hij staat symbool voor het eigenwijze talent van vandaag.

Maar Van Basten is de zoon van Cruijff en de vader van Sneijder. Cruijff heeft Van Basten opgevoed, in voetbal-zin. Hij heeft hem bij Ajax getraind en hem, omdat zijn talent zo onmiskenbaar groot was, enkele goed gewaarde geheimen van de voetballerij verklapt. Marco werd ouder, en beter, en nog beter, en voetbalde heel Europa door. Cruijff wist: die jongen komt er wel, en hij komt wel weer terug.

En hij kwam terug. Toen Cruijff weer eens geen bondscoach werd, kreeg Van Basten de baan. Cruijff kreeg, heel keurig, een betrekking als «klankbord». Op de achtergrond, want Van Basten is de baas.

Van Basten is eigenwijs, eigenzinnig en onnavolgbaar. Net als Cruijff altijd was en nog steeds is. Dat Van Basten eigenzinnig is betekent dat hij zijn eigen zin doet, en zich laat leiden door persoonlijke voorkeuren en intuïtie.

Dat is goed, want in een dozijn interlands is een Nederlands elftal ontstaan vol jeugdige klasse en werklust en sfeer. Debutanten volop, van wie er velen zijn geslaagd.

En die eigenzinnigheid is slecht, want hoe vaak heeft een onverwacht geselecteerde debutant, soms een reserve, soms een junior, het net niet gehaald (Dennenboom, Bobson)?

En dan de kwestie-Van Bommel. Cruijff heeft nooit veel in hem gezien en Van Basten (dus) ook niet. De manier waarop hij Van Bommel afserveerde, een paar keer, was ietwat gênant.

Het onderstreept de eigenzinnigheid, en ook de arrogantie van de bondscoach. De hooghartigheid, of hoogmoed, die we van Cruijff kennen, en die we hem vergeven, altijd, steeds weer. De arrogantie van de macht, van de vedette. Waar ook Van Basten mee wegkomt, omdat het nu eenmaal zo goed gaat. Ook de bureaucraten van de voetbalbond, waar Van Basten zich weinig van aantrekt, durven hem geen strobreed in de weg te leggen. Dat heeft hij ongetwijfeld ook van Cruijff geleerd: als je duidelijk genoeg uitstraalt dat je de beste bent, dan ben je het ook.

Van Basten gaat ook al steeds meer praten als Cruijff.

Davids terug. Straks een Willem II-reserve in de basis. Marco’s wegen zijn ondoorgrondelijk, voor bijna iedereen. Alleen het klankbord op de achtergrond be grijpt alles. Als een vader zijn zoon.