Vader is een reus op gympen

Toon Tellegen en Rotraut Susanne Berner, Mijn vader. Uitgeverij Querido, 88 blz., f24,90
TIEN JAAR GELEDEN publiceerde de dichter Toon Tellegen zijn eerste dierenverhaaltjes. Inmiddels zijn dat er zo'n tweehonderd, verdeeld over vijf bundels, en hebben lezers van alle leeftijden de weg naar Tellegens merkwaardige dierenbos gevonden. Daar is het goed toeven voor taalliefhebbers die graag eens een vreemde gedachte denken. Tellegen is een eigenzinnig schrijver die slecht past in de beschikbare literaire hokjes.

Zijn dierenverhalen worden weliswaar uitgegeven in Querido’s kinderboekenfonds, maar of je er van houdt, wordt eerder bepaald door instelling en gevoeligheid dan door leeftijd. De wijsgerige tobberigheid uit de poezie krijgt hier een aandoenlijk en komisch tegenwicht, zonder dat de sombere grondtoon onhoorbaar wordt.Toch lijkt het gescharrel van eekhoorn, mier en bosgenoten de ruimte te scheppen voor een onbezorgder kant van Tellegens schrijverschap. Eerst was er nog de gruwelijkste schooljuf aller tijden, genaamd Kachel, maar daarna kwam de kleuterolifant Jannes, die grappige avonturen beleefde in een totaal verslurfde samenleving, en nu vertelt een kleine jongen over de allerbijzonderste vader van de hele wereld.
Mijn vader is een voorbeeldig vormgegeven boek, waarin de absurdistische tekeningen van Rotraut Susanne Berner de verhoudingen direct onontkoombaar neerzetten. Vader is een reus - maar een zichtbaar vriendelijke - een uit zijn krachten gegroeide kwajongen op enorme gymschoenen, met een ziekenfondsbrilletje en een wonderlijk pruikje haar. Zoon Jozef is een minimensje met een te groot hoofd, die in alle opzichten tegen zijn vader opkijkt. Hij schetst ons het portret van dit ontzagwekkende wezen, dat alles weet en alles kan: boeven vangen, onzichtbaar worden, branden blussen, bulldozers en de oorlog tegenhouden. Vader zegt voor op school, weet het beter dan de dokter, brengt een uit de dierentuin ontsnapte olifant terug naar Afrika en smijt de vreselijke badmeester in diens eigen vreselijke zwembad.
Belangrijkste is wel vaders onsterfelijkheid: ‘Mijn vader gaat niet dood. Nooit. Hij heeft dat besloten. Mijn vader kan alles besluiten wat hij maar wil. Als mijn vader bijna dood zou gaan, zou hij opstaan en met zijn armen zwaaien en roepen: “Geen sprake van!” of “Verboden toegang!” zoals bij een wegversperring.’ Is de man verdrietig dan zijn ook de dingen in huis verdrietig : 'Dan verleppen de stoelen’ en 'als je de kraan opendraait stroomt er treurig water in de gootsteen’. Toppunt van geborgenheid is wanneer Jozef, vermoeid van het wandelen, in vaders koffertje verder mee mag en zijn ouders half onverstaanbaar door de kofferwand heen hoort zeggen dat ze van elkaar houden. Wat kan zo'n jongen in het leven nog gebeuren!
De vorm van Mijn vader is als die van al Tellegens proza: een schijnbaar willekeurig aantal korte stukjes - zonder dwingende ordening of opbouw - waarin steeds dezelfde figuren optreden. Steeds meer ook ontpopt de auteur zich als een soort Baron von Munchhausen, een sterke-verhalenverteller. Zoals in de dierenverhalen de olifant gaat vliegen en op een boomtak zit, en zoals juffrouw Kachel het toppunt van pedagogische verschrikking is, gaat het hier om de vader aller vaders. Juist het kinderlijke perspectief van waaruit de tijd van onvoorwaardelijk geloof en vertrouwen in de vaderlijke almacht wordt neergezet, maakt dat dit sterke verhaal door veel lezers zal worden herkend als een waar verhaal.