Profiel: Piet Bloemink

Vader van het volkskapitalisme

Ga voor de spiegel zitten, knoop je boordje los en zeg met dwingende stem tegen jezelf: «Er zijn twee soorten mensen: beleggers en slaapmutsen. Jij bent geen slaapmuts. Jij gaat op een makkelijke manier heel veel geld verdienen.» Herhaal die woorden tot je ze kunt uitspreken zonder te stotteren, met je ogen te knipperen of in de lach te schieten. Je bent nu een beëdigd verkoper van aandelen-leasecontracten zoals er in de tweede helft van de jaren negentig duizenden in ons land rondliepen, mannen (en een enkele vrouw) zonder noemenswaardige beurskennis of juridische opleiding maar vervuld van een heilig geloof in de «Winstverdriedubbelaars» en «Vermogensvliegwielen» die ze verkochten.

Honderdduizenden Nederlanders trapten erin en sloten contracten af met looptijden variërend van drie tot tien jaar. In het begin werden ze vaak afgesloten zonder tussenkomst van belastingadviseurs of bankmedewerkers. Al gauw gingen ook die beroepsgroepen «om» en begonnen leasecontracten te slijten. Het gevolg was dat veel contractanten in blind vertrouwen tekenden. De verkoopmethoden werden almaar agressiever. «Ready to kill!!!» luidde de aanmoediging in het handboek dat Legio lease, de firma die het leasen van aandelen introduceerde, aan zijn telefonische verkopers meegaf. Huisvrouwen werden op Hoog Catharijne staande gehouden, bouwvakkers van hun stellingen getrokken en studentenhuizen bestormd door teams van opgefokte verkopers die volgens ingewijden niet alleen grof verdienden aan hun handel, maar ook zelf op grote schaal aandelen leasten.

Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar er zijn nog geen twee jaar verstreken sinds het «volkskapitalisme» Nederland in zijn greep had. De campingbelegger kon vanaf zijn roeibootje op het Ketelmeer via zijn gratis Postbank-mobieltje de slotkoersen van Tokio opvragen, zijn KPN-opties verzilveren of intekenen op de introductie van een Britse hoogovenmaatschappij. De beurskoersen groeiden de hemel in en het aandelen-leasecontract leek het middel bij uitstek voor de kleine man om snel en makkelijk veel geld te maken. Pieter Lakeman leende zijn naam aan een van de brochures waarmee ze werden gepusht. De Geldgids van de Consumentenbond vermeldde dat aan sommige contracten in het geheel geen risico verbonden was. Niemand stelde vragen, althans niet in het openbaar. «We waren dronken door de stijgende beurskoersen», bekent een voormalige adviseur en verkoper van Conceptvermogen, Aegons meest omstreden leaseproduct, in de Volkskrant: «Allemaal. Klanten, adviseurs en Aegon zelf.»

De afloop is bekend. Tegelijk met de Twin Towers werden op 11 september 2001 de overspannen winstverwachtingen van de kleine beursganger op dramatische wijze de bodem in geslagen. Honderdduizenden huishoudens met één of meer aandelen-leasecontracten verkeren nu in financiële problemen. Dexia Bank Nederland, beheerder van de meeste contracten, heeft onlangs de eerste honderdvijftig contracthouders met een «restschuld» voor de kantonrechter gedaagd. De sociale advocatuur weigert hen bij te staan, hoewel de meeste gedaagden in het geheel geen yuppen zijn maar doorsnee Nederlanders, waaronder AOW’ers, uitkeringsgerechtigden en gastarbeiders. Minister Zalm wil nu een «commissie van wijzen» instellen die banken en gedupeerden bij elkaar moet brengen.

Zoals zo vaak in dergelijke affaires gaat de geestelijke vader van de gewraakte constructie vrijuit. Piet Bloemink, de oprichter van Legiolease, heeft zich allang teruggetrokken uit de branche. In 1995 verkocht hij zijn firma in drie etappes aan Bank Labouchere, toen nog onderdeel van verzekeraar Aegon, die de bank inmiddels weer heeft verkocht aan de Frans-Belgische Dexia Bank. Vanuit zijn «denkkantoor» in het Amsterdamse World Trade Center ontwikkelt Bloemink alweer nieuwe «revolutionaire» beleggingsinstrumenten met klinkende namen als Cash-Clicken, Bonus-Beleggen, Giga-Garant en Kwakkel-Koers. En uiteraard beschouwt hij zichzelf als een onbegrepen weldoener des volks. In De Telegraaf spreekt hij periodiek schande van zijn opvolgers en navolgers, die misbruik hebben gemaakt van zijn fantastische idee om aandelen via huurkoop «onder de mensen» te brengen.

Piet Bloemink (Bergen, 1944) is het prototype van de handige verkoper, goedgebekt en schijnbaar volledig overtuigd van de waarde van zijn eigen handel. Direct na de lagere school begon hij de kost te verdienen met het inzamelen van oude kranten, melkdoppen (ten bate van de missie) en alles wat verder «los en vast zat». Van zijn eerste geld kocht hij een drukkerijtje dat kerkblaadjes verzorgde. Hij handelde in advertenties en videobanden en sloeg ten slotte een grote slag met zijn tv- verhuurbedrijf Favoriet, dat hij in 1988 voor een aanzienlijk bedrag verkocht. Hij kocht een kapitale villa aan de Noordwijkse Zeereep, het hoogst denkbare statussymbool voor een roomse straatjongen uit Bergen, en hield nog zo veel geld over dat hij het zich kon veroorloven te gaan beleggen.

Die stap had op Bloemink een opmerkelijk effect, dat misschien wel verklaart waarom driekwart van Nederland binnen enkele jaren zijn voorbeeld volgde. Het was niet zozeer de winst, maar vooral de gang naar de beurs zelf die hem de opkikker bezorgde: «Ik voelde me een man van de wereld. Het gaf me zo’n lekker gevoel dat ik me afvroeg waarom niet veel meer particulieren aandelen bezaten.» Tegelijk ontdekte hij dat de banken en andere gevestigde effectenhandelaren op hem neerkeken. Hun hoge commissie- en transactiekosten belemmerden zijn gevoel van vrijheid. Hij voelde zich gepasseerd door bankmedewerkers, die hun onkunde maskeerden met ingewikkelde verhalen en ondoorgrondelijke vaktermen. «Ik voelde me klein bij die banken. En als ik dat zo ervaar, hebben andere mensen dat ook.»

Bloemink besloot wraak te nemen op de elitaire beurswereld en ontketende een vorm van klassenstrijd die hij tot in zijn vingertoppen beheerste: «Ik rook handel. Als ik alles in het leven kan leasen, dacht ik, waarom dan geen aandelen?» Om de huurkoop van aandelen mogelijk te maken, had hij echter een flink startkapitaal nodig. Na een vruchteloze rondgang langs banken en verzekeraars, die zijn idee veel te wild vonden, belandde Bloemink in 1989 ten slotte bij de «jonge-hondenbank» Labouchere, die er eveneens een sport van maakte om in te breken in het circuit van commissionairs en institutionele beleggers. De eerste opzet mislukte echter door een golf van negatieve publiciteit, aangejaagd door de verontruste concurrentie, die Bloeminks leaseproduct te riskant en de rente te hoog noemde.

Bloemink verkocht zijn Noordwijkse villa en stichtte met de opbrengst een soort aandelenloterij, waarvoor zelfs de bankiers van Labouchere hun neus ophaalden. Hij besloot dan maar zelf zijn prospectussen te schrijven. «Ik wilde een casino-uitstraling met een flinke stapel poen op de voorkant en een schreeuwende tekst. Ik wist dat de bank ervan zou gruwen», zei hij later in Quote, «maar de miljoenen stroomden binnen.» Vervolgens introduceerde hij het spaarleasen, een «avontuurlijke» spaarvorm waarvoor hij nota bene een goedkeuringsbrief van Pieter Lakeman ontving die hij zonder omhaal in zijn brochure afdrukte, vergezeld van een pasfoto van Lakemans «zure bekkie», dat ook de meest behoudende klanten moest kunnen overtuigen.

De aandelen-leaseconstructie waarmee Bloemink zijn fortuin maakte, was even eenvoudig als geniaal. En even verraderlijk als eenvoudig, zodat je je afvraagt waarom zo veel mensen er met open ogen ingetuind zijn. Het principe verschilt niet van de huurkoop van een auto of gebouw. De belegger leent geld bij een bank of verzekeraar en koopt daarvoor een pakket aandelen dat door de betreffende instelling voor hem wordt beheerd. Hij betaalt elke maand een vast bedrag aan (fiscaal aftrekbare) rente, waarin de beheerskosten van zijn portefeuille (dus de aan- en verkoopkosten) en het eventuele dividend verrekend zijn. Het aandelenpakket is het onderpand van de lening en wordt aan het eind van de looptijd van het contract verzilverd, waarna het verschil ten bate of ten laste van de koper komt.

Het risico van koersverlies is evident. Als de aandelen na afloop minder waard zijn dan de oorspronkelijke lening moet de koper de restschuld uit eigen zak bijpassen. Veel kopers zeggen achteraf dat ze niet beseften dat ze geld leenden. Anderen beweren dat ze de maandelijkse rentebedragen aanzagen voor aflossingen en in de veronderstelling leefden dat de inlegsom aan het eind van de rit van hen zou zijn. De folders voor de talloze leaseproducten die sinds 1989 op de markt zijn gekomen, vermelden braaf (vaak in grote letters) dat het ging om een beleggingsproduct en dat in het verleden behaalde rendementen geen garantie voor de toekomst waren. Verkopers lieten de brochures echter vaak thuis en strikten in hun drang te scoren volgens sommige bronnen zelfs asielzoekers, analfabeten en verstandelijk gehandicapten voor een handtekening.

De laatste jaren is veel gespeculeerd over de oorzaken van de beleggingsgekte die het land sinds 1995 overspoelde. De Volkskrant zette ze in 1997 in een hoofdartikel op een rij: «De privatisering van de sociale zekerheid, het afschaffen van de VUT, de onzekerheid over de AOW, het algemene gevoelen minder afhankelijk te willen zijn van de overheid, de grotere geneigdheid tot het nemen van risico’s, de leeftijdssamenstelling van de bevolking.» Het zijn stuk voor stuk invloedrijke factoren, maar er ontbreekt er één die juist in de biografie van Piet Bloemink een grote rol speelt: rancune. Een recent onderzoek van het Centrum voor Marketing Analyses wijst uit dat de «nieuwe» beleggers van de jaren negentig overwegend jongemannen met een hoog Pietje Bell-gehalte waren. De lease-affaire had iets van een symbiose van wild geworden verkopers en naïeve klanten die samen met een mobieltje en een laptop «het systeem» wilden verslaan.

Het taalgebruik in de brochures was ongekend populistisch. De paginagrote, schreeuwerige advertenties waarmee de leaseverkopers eind jaren negentig uitpakten, waren opzettelijk anti-elitair, alsof ze de massa opriepen de megawinsten terug te halen die door jarenlange reorganisaties en no nonsense-bezuinigingen aan de samenleving waren onttrokken. Dezelfde toon overheerst nu weer op de websites van Pay-Back, de Stichting Legiolease en andere organisaties van gedupeerden die met veel stemverheffing hun geld van de «hoge heren» terugeisen en dreigen de ruiten in te gooien bij alle bankiers, tussenpersonen en advocaten die hun compensatie in de weg staan.

De maatschappelijke schade is dan ook aanzienlijk. Volgens een onderzoek van de beurs toezichthouder, de Autoriteit Financiële Markten (destijds STE geheten), waren er begin 2001 maar liefst zevenhonderdduizend contracten in de markt met een totale waarde van ongeveer 6,5 miljard euro, hetgeen neerkomt op een gemiddelde contractwaarde van bijna tienduizend euro. Volgens gegevens van Dexia stonden begin dit jaar bij Legiolease 436.000 contracten geregistreerd met een gezamenlijke netto restschuld van 2,2 miljard euro. Het belooft dus ongekend druk te worden bij de Nederlandse kantongerechten. Ronduit tragisch zijn de gevallen van mensen op leeftijd die in de veronderstelling verkeerden dat ze via Legiolease spaarden voor hun kinderen, hun kleinkinderen of hun eigen oude dag.

De enige die zonder kleerscheuren uit de affaire te voorschijn is gekomen is Piet Bloemink. De verkoop van Legiolease leverde hem een winst van ten minste honderd miljoen gulden op. Hij kocht zijn villa weer terug. «Maakt niet uit hoeveel het kost», zei hij tegen de makelaar. Hij beperkte zich aanvankelijk tot het geven van adviezen aan Labouchere, maar naar eigen zeggen bevredigde dat hem niet: «Ik ben niet het type om met een schone blonde ergens te gaan potverteren.» In 2001 investeerde hij een fors deel van zijn kapitaal in twee bv’s die toebehoren aan zijn zoons Matthijs en Bas.

Onder de noemer «Koers-Kompas» slijten de Bloeminkjes nu gezamenlijk leaseplannen waarbij de deelnemers wél in de vorm van maandelijkse termijnen de hoofdsom aflossen. De toon is echter nog precies dezelfde: «Rijke mensen worden steeds rijker. Dat komt omdat zij alle hulp krijgen om hun ‹grote geld› optimaal te kunnen laten profiteren van de ingewikkelde mogelijkheden uit de internationale wereld van de haute-finance. Maar voor wat de banken zo onaardig ‹kleine beleggers› noemen, is nauwelijks persoonlijke aandacht meer. Jammer. Daarom werd het hoog tijd voor een nieuwe koers. Met Koers-Kompas!»