Ex-topman IMF versus ex-topman Wereldbank

Vadermoord bij het IMF

Kenneth Rogoff, net vertrokken bij het IMF, is volgens Joseph Stiglitz, ex-topman van de Wereldbank, een «markfundamentalist». Reconstructie van een herenruzie.

«Heb jij je ooit afgevraagd, al was het maar heel even, of het soms mogelijk is dat jij zelf, Joe Stiglitz, de boel in het honderd liet lopen? Dat je misschien deel bent van het probleem en niet van de oplossing?»
Het is 28 juni 2002. De chef-econoom van het Internationaal Monetair Fonds Kenneth Rogoff richt zich rechtstreeks tot collega-econoom Joseph Stiglitz, voormalig topman van de Wereldbank, Nobelprijswinnaar in de economie en auteur van de bestseller Globalization and Its Discontents, in Nederland verschenen onder de omineuze titel Perverse globalisering.
Chef-econoom van het IMF Rogoff wil Stiglitz een lesje leren in nederigheid en zegt dat ook met zoveel woorden. «Ik heb niet één enkel geval gevonden waarin jij, Joe Stiglitz, toegeeft dat je het ook zelfs maar een heel klein beetje verkeerd hebt gezien, in welk groot wereldprobleem ook. Toen de Amerikaanse economie in de jaren negentig opbloeide, liet jij je daarop voorstaan. Maar toen alles misging, kwam dat omdat stervelingen van minder allooi niet luisterden naar jouw advies, zoals de directeur van de Federale Bank Greenspan, of de toenmalige minister van Financiën Rubin.» En: «Net als jij kwam ik naar Washington omdat ik geef om de wereld. Maar anders dan jij ben ik, na mijn vertrek aan de universiteit, nederiger gestemd geraakt door de dagelijkse ontmoetingen met stafleden van de Wereldbank en het IMF.»
Rogoffs aanval kwam onverwacht, maar was begrijpelijk. Stiglitz had in zijn boek forse kritiek geuit op het IMF, de broodheer van Rogoff. Het fonds verwacht volgens hem te veel heil van de vrije markt en eist een onredelijk strakke fiscale discipline van landen die financieel aan de afgrond staan. Dat is niet alleen «onmenselijk», het is ook «domme economie».
Gemeten naar de normen van de monetaire wereld haalde Rogoff ongemeen fel uit. Hij vergeleek Stiglitz zelfs met de wiskundige en mede-Nobelprijswinnaar Nash die — zoals in die dagen te zien was in de kaskraker A Beautiful Mind — behalve briljant ook schizofreen was. Aanwezigen, vooral die van de Wereldbank, vroegen zich daarom af of er meer aan de hand was. Had Stiglitz een punt met zijn bewering dat het IMF het eigen gelijk koestert als een religie? Voelde opperpriester Rogoff zich in zijn eer aangetast? Of was er sprake van een persoonlijk geschil?
Afgelopen week nam Rogoff plotseling afscheid, terwijl hij pas in augustus 2001 was aangesteld. Door de ongekend felle ruzie brachten IMF- en Wereldbank-watchers onvermijdelijk het een met het ander in verband. Daar kwam nog Rogoffs afscheidspraatje bij: in de beslotenheid van louter directe medewerkers verklaarde hij nadrukkelijk dat zijn afscheid «niets te maken heeft met familieomstandigheden».
Toch is hij niet onder interne druk verdwenen: binnen het IMF blijkt zijn prestige niet geschaad door de kritiek van de afgelopen jaren en zijn wellicht onbezonnen reactie op Stiglitz’ boek. Ook off the record prijzen medewerkers hem slechts. «Iedereen was hier trots op hem», zegt een medewerker in Washington. «Wij zijn de kop van jut, altijd. Oké, daar leer je mee leven. Maar je kunt niet altijd, dag in dag uit, je andere wang blijven toedraaien. Soms moet je even van je afbijten. Dat deed hij heel goed.» IMF-baas Horst Kohler prees hem bij zijn afscheid de hemel in.

Voor zijn tijd bij het IMF werkte Rogoff als wetenschapper aan topuniversiteiten als Princeton en Harvard aan een indrukwekkende lijst publicaties over monetair en internationaal economisch beleid. Daarnaast verkreeg hij als schaker al op 25-jarige leeftijd de titel grootmeester, om daarna nooit meer een schaakstuk te verzetten in een officiële wedstrijd. In de korte tijd dat hij bij het IMF werkte, ontpopte hij zich tot een van de meest hartstochtelijke protagonisten van het fonds. Daarmee bevestigt hij in kritische ogen de klacht dat het IMF een verlengstuk is van de economische en buitenlandse politiek van zijn grootste aandeelhouder, de VS. Want Rogoff toonde zich een zendeling van het «Amerikaanse model» in elke economie, waar ook ter wereld (alhoewel hij zich als Republikein uiterst kritisch uitliet over de belastingplannen van Bush jr).
Nog maar een paar weken geleden verklaarde Rogoff namens het IMF dat flexibilisering van de Europese arbeidsmarkt naar Amerikaans voorbeeld de economie een structurele impuls zou geven van 5,5 procent en de werkloosheid met 3,5 procent naar beneden zou halen. Als ook de rest van de Europese economie zou veramerikaniseren, is de macro-economische winst tien procent en zal de Europese werkloosheid onder de twee procent duiken, zo had het IMF «doorgerekend» met een door Rogoff gekoesterd rekenmodel. Europa dient dan wel een trits noodzakelijke aanpassingen te plegen. De belangrijkste daarvan: een lagere drempel voor het ontslag van werknemers en een aanzienlijke verlaging van de werkloosheidsuitkeringen.
Typisch IMF, zo stellen critici. Toch volgde deze Amerikaanse heilsboodschap op een rapport, wederom opgesteld onder leiding van Rogoff, waarin het IMF schoorvoetend toegeeft dat zijn beleid voor de armste landen nadelig kan uitpakken. Het fonds raadt aan — en dat was vooralsnog ongekend — noodzakelijke liberalisering gepaard te laten gaan met de totstandkoming van binnenlandse financiële en macro-economische instituties. Daarmee geeft Rogoff zijn kwelgeest Stiglitz indirect gelijk. Want de voormalige Wereldbank-econoom wijst er in zijn kritiek juist op dat ze bij het IMF, verblind door een geloof in de vrije markt, geen oog hebben voor op het eerste gezicht niet-economische kosten en neveneffecten van hun leningsvoorwaarden. Zo hield niemand er bij het IMF rekening mee dat de grote druk op de Indonesische regering om de subsidies op voedsel en brandstof af te schaffen, de bevolking in het geweer bracht tegen de Chinezen uit de middenklasse, wier huizen en winkels werden geplunderd en eigendommen vernietigd en gestolen. Ook zag niemand bij het IMF dat het in Rusland, bij gebrek aan een goed functionerend rechtssysteem, meehielp aan de uitverkoop van productiemiddelen aan de georganiseerde misdaad.
Maar het zelfkritische rapport toont ook, zo zeggen verdedigers van het IMF, dat Stiglitz overdrijft. Hij noemt Rogoff en kornuiten «marktfundamentalisten», gelovigen die door hun ideologische luchtfietserij geen praktische of efficiënte oplossingen voor armoede in de wereld kunnen vinden. Ze doen niets anders dan andermans nood gebruiken om hun eigen doctrines en preoccupaties op te leggen en ze dwingen leningvragende landen roomser te zijn dan de paus. (Amerika beschermt zelf wel degelijk de eigen zwakke bedrijfstakken tegen buitenlandse concurrentie.) Maar gelovigen zijn niet in staat tot de zelfkritiek of introspectie die het IMF bij tijd en wijle, vooral recentelijk, heeft opgebracht. (Opvallend is dat Stiglitz’ ergernis over een allesoverheersende ideologie doet denken aan de klacht onder vrije-markteconomen in de jaren zeventig, die zich destijds ergerden aan de ideologische verblinding van de keynesianen ter linkerzijde van het politieke spectrum.)

Voor Stiglitz valt weer te zeggen dat Rogoff buiten de officiële rapporten om zich inderdaad een typische gelovige toont. Zoals bleek in zijn felle reactie op het boek van Stiglitz. Zijn meest inhoudelijke aanklacht tegen Stiglitz luidt dat deze met zijn kritiek zelf de economische crisis mede veroorzaakte. «Jij ziet jezelf als heroïsche klokkenluider», maar «jij hebt midden in wat je zelf een ‹vertrouwenscrisis› noemt, het vertrouwen ondermijnd in de instellingen waar je zelf voor werkte.» Een verrader dus. Bovendien: de boodschap maakt de crisis. Dus — in de overtuiging van een gelovige — wordt de boodschapper schuldige, in heel directe zin.
Maar de ruzie tussen beide heren reflecteert een dieper gelegen spanning tussen bank en fonds. Voormalig minister van Onderwijs Jo Ritzen, die samen met Stiglitz werkte voor de Wereldbank: «Al twintig jaar bestaat er frictie tussen fonds en bank. Soms slaat die om in regelrechte animositeit. Daarbij is het altijd hetzelfde: de Wereldbank is de progressieve partij, het IMF volgt een meer conservatieve lijn. Stiglitz heeft olie op het vuur gegooid, waarbij hij in mijn ogen overigens de grens heeft opgezocht en er misschien zelfs iets overheen ging. Je moet je realiseren: het IMF doet het nooit goed. In de ogen van de kritiek zullen ze altijd of te groot zijn, of te klein. Kritisch-globalisten vinden dat ze te veel inmenging eisen in de beslissingen van armlastige regeringen, terwijl anderen menen — vaak terecht — dat het bij IMF-leningen om te weinig geld gaat om een land in nood daadwerkelijk te kunnen helpen. Tegelijk vond ik de reactie van Rogoff ook niet erg verstandig. Waarom hij de ruimte heeft gekregen of genomen om Stiglitz zo hard aan te pakken, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Wel dat hij oprecht boos was. Woedend zelfs.»

Maar wellicht is de oorzaak van die woede veel platter. Misschien kon Rogoff zich niet inhouden omdat de kritiek van Stiglitz kwam. Misschien was er sprake van jaloezie over de aandacht die Stiglitz met zijn boek kreeg of vanwege het winnen van de Nobelprijs. Rogoff geeft zelf een aanwijzing dat het hier — ten minste ten dele — ging om een jongere wetenschapper die afrekent met de generatie ouder dan hij die bestond uit economen met veel minder respect voor beleidsmakers.
Rogoff opende zijn aanval met een herinnering aan Stiglitz. «Joe, misschien weet je dit niet meer, maar aan het einde van de jaren tachtig heb ik eens het voorrecht gehad een semester lang in een kantoor naast het jouwe te verkeren. Wij jonge economen keken allemaal naar jou op in groot ontzag. Een van mijn favoriete herinneringen uit die periode is een lunch met jou en onze voormalige collega Carl Shapiro. Jullie twee begonnen een discussie over de vraag of Paul Volcker jouw stem verdiende voor een vaste aanstelling aan Princeton. Op een gegeven moment richtte jij je tot mij en vroeg: ‹Ken, jij hebt met Volcker gewerkt bij de Centrale Bank. Zeg eens, is hij werkelijk zo slim?› Ik antwoordde iets als: ‹Wel, hij was aantoonbaar de grootste Centrale Bank-directeur van de twintigste eeuw.› Waarop jij vroeg: ‹Ja oké, maar is hij slim zoals wij?› Ik wist niet hoe ik dit moest opvatten, aangezien jij naar Carl keek toen je dit zei, niet naar mij.»