Sport

Vadertje

Het scheelde een haartje, en dat haartje zat, met een heleboel broertjes en zusjes, op het gezicht van Erben Wennemars. Bij de wonderschone opening van het schaatsseizoen dit weekend reed Wennemars op de 1500 meter, de koningsafstand, tegen Shani Davis. Het was het weekend van de wereldrecords. Jeremy Wotherspoon verbeterde ‘de mondiale toptijd’, zoals het altijd wordt genoemd bij gebrek aan synoniemen, op de 500 meter tot 34.03 seconde. Magistraal.

Shani Davis bezat het wereldrecord op de 1500 meter. 1.42.32. Wennemars viel die tijd aan. Hij reed verschrikkelijk goed en leek onder de tijd van Davis te gaan schaatsen. Niet dus. Hij kwam uit op 1.42.32. Een evenaring. Het werd gevierd als een wereldrecord. Terecht, maar ook niet terecht. Een gedeeld record is een half record, maar dat kon Wennemars niets schelen, die huilde gewoon van blijdschap alsof hij helemaal van hem alleen was, die mondiale toptijd.

Het scheelde een haartje. Wennemars verscheen aan de start met een ongeschoren kop. Hij was die week een beetje ziek geweest en had zich al een paar dagen niet geschoren, vandaar. Of misschien was het nieuw bijgeloof. Of vond hij het gewoon stoer staan, we weten het niet. We weten wél dat hij met een gladgeschoren gezicht harder had gereden dan 1.42.32. Dan was het zeker 1.42.31 geworden, of zelfs 1.42.30. Kwestie van aërodynamica.

In dit tijdsgewricht dragen schaatsers supersonische pakken, die in de loop van jaren zijn geperfectioneerd om de luchtweerstand zo gering mogelijk te maken. Ze hebben rare strippen op hun badmuts-strakke capuchon voor hetzelfde doel. Ze zoeken de ideale lichaamshouding om zo weinig mogelijk weerstand te hebben. Want alles draagt bij aan een hogere snelheid, en dus een snellere tijd.

Maar Wennemars schaatst gewoon met een baard van vijf dagen in de rondte. Hij moet het verschil hebben gemerkt. Het moet zoiets zijn als een zwemmer die geen haaienpak maar zijn knielange strandshort aantrekt. Maanden training down the drain. Volgens de wetten van de aërodynamica zou een geschoren hoofd minder luchtweerstand hebben betekend, en dus tijdwinst.

Zo’n kans krijgt hij nooit meer. En het idee dat hij nooit een wereldrecord van zichzelf heeft gehad, blijft hem tot zijn dood achtervolgen.

Behalve op het belang van regelmatig scheren wijst de gebeurtenis ons ook op de diepste, allerdiepste kern van de sport. Het gaat om tijd. De tijd. Elke sport gaat om tijd. Ook sporten die dat niet doen. Schaken, bijvoorbeeld. Als je maar lang genoeg de tijd hebt om te denken, kun je misschien winnen. Als een voetbalwedstrijd langer zou duren, had je langer de kans om te scoren. Zelfs gewichtheffen gaat om tijd. Maar de mooiste sporten zijn die waarin expliciet wordt gestreden tussen mens en tijd. Schaatsen bijvoorbeeld.

In die gedenkwaardige rit werd Davis de ‘directe tegenstander’ van Wennemars genoemd. Dat was Davis niet. Hij was de indirecte tegenstander. De directe tegenstander van Erben Wennemars was de tijd. Zoals ook in het gewone leven, voor gewone mensen, de tegenstander de tijd is. Hij is onze ultieme opponent. En hij wint altijd.

Time is on my side, zingen de Stones, maar dat is een leugen. Hij is onze vijand. Als we hem nodig hebben, is hij er niet. Als we willen dat hij sneller gaat, zodat het een of ander gauw voorbij is, dan wordt-ie expres traag en stroperig. En uiteindelijk gaan we dood. Dan is onze tijd op. Onze geboorte is het startschot, dan volgt de race, en de finish is de dood. Ondertussen zijn we zwakker geworden, brozer, lelijker, banger, schever, kaler, vervelender, moedelozer, somberder. Op weg naar het einde takelen we af en kunnen ons hoogstens nog herinneren hoe jong en mooi en sterk en dapper we waren.

De tijd heeft geen begin en dus geen einde, en houdt dus niet ergens op. Wij gaan dood, de tijd lacht een scheve lach en gaat vrolijk verder.

Helène Swarth schreef al, in het gedicht Klokgetik: ‘’k Wil niet meer luistren naar het klokgetik;/ ’t Klinkt me als gelek van dropplen bloed zo bang./ Hoor hoe zij klettren, één voor één, zo lang/ Als ik bewust ben van mijn Ik!/ (…)/ O Stalen voetjes van de renner Tijd!’

We willen een wereldrecord schaatsen om even, heel even het idee te hebben dat wij de baas zijn. Dat we sneller kunnen. Dat we de klok verslaan. De tijd. Die alle wonden heelt. Die in het gezelschap van raad komt. Die het zal leren. Die een Vadertje is. Die een tand heeft. En een geest. En een perk. Een schrift. Een grens. Een pad. Een rit. En een bestek. En een gewricht. En een slot. En een stip.

Het enige wat we kunnen doen is ons op tijd scheren.