Economie

Vadertje Wilders

Onderzoek van KPMG naar het antwoord van bedrijven op de crisis biedt een fascinerend beeld van nationale verschillen in zelfvoldaanheid, gevoel voor urgentie en zelfredzaamheid. Aziatische bedrijven zien de crisis als opmaat voor structurele veranderingen en bezinnen zich op hun strategie. Volgens hen heeft de staat genoeg gedaan en ligt de verantwoordelijkheid voor toekomstig marktsucces bij henzelf.
Hoe anders is dat in Europa. Hoewel het merendeel van de Europese ondernemingen meent dat de crisis om onorthodoxe maatregelen vraagt, grijpt minder dan de helft deze aan voor radicale koerswijzigingen. In plaats daarvan legt men zijn lot in handen van de staat; men meent weinig te kunnen doen aan de crisis en beveelt hervorming van de financiële markten en belastingverlagingen aan om de economie weer aan de praat te krijgen. Nederlandse bedrijven vertonen dit syndroom het zuiverst, aldus KPMG. Volgens Nederlandse ondernemingen is dit een crisis als alle andere die niet noopt tot koerswijzigingen; een vacaturestop hier, wat scherper inkopen daar volstaat. Verantwoordelijk voor het oplossen van de crisis is primair de staat; minder belasting en meer infrastructurele bestedingen wenst de Nederlandse ondernemer.
In het licht van de verkiezingsuitslag van vorige week zegt dit veel. Hoewel het lastig is om uit verkiezingsuitslagen electorale voorkeuren af te lezen, schrijven commentatoren het succes van de PVV toe aan de combinatie van electorale onvrede over het functioneren van publieke instellingen en een gerichte aanval op de elites die daarvoor verantwoordelijk zijn. Slim heeft de PVV het electorale gevoel dat de verzorgingsstaat er niet is voor de hardwerkende kleine man en wel voor de subsidieverslaafde allochtoon weten te kanaliseren in een aanval op een verzorgingselite van sociaal-liberale, sociaal-christelijke en sociaal-democratische bestuurders. De kloof tussen ideaal en werkelijkheid die deze bestuurders met hun machteloze retoriek over emancipatie en hun schaamteloze zelfverrijking belichamen, ontslaat Wilders van de noodzaak om een visie op de toekomst van de verzorgingsstaat te ontwikkelen. Hij kan volstaan met een frontale aanval op de ‘doctorandussen met designerbrilletjes’, daarmee suggererend dat de oplossing een andere elite (lees: hijzelf) is.
Het is een publiek geheim dat er iets schort aan de wijze waarop in Nederland bestuursposten worden vervuld. Inderdaad is de kwaliteit van de Polderlandse elite matig, het zelfreinigend vermogen gering en de zelfvoldaanheid groot. Nergens is de concentratie van blazers groter, het percentage vrouwen lager, de wederzijdse bewondering onwelriekender dan in de ‘square mile’ van politiek Den Haag. Het rapport van KPMG leert echter dat er meer aan de hand is. Gemakzucht, zelfoverschatting en zelfvoldaanheid kenmerken namelijk niet alleen Haagse bestuurders, maar ook het Nederlandse ondernemersdom. Ook daar een geringe bereidheid om de hand in eigen boezem te steken, risico te nemen en de toekomst met open blik tegemoet te treden.
Ik kan alleen maar gissen naar de wortels van deze mix van zelfgenoegzaamheid en angst. Ten eerste de wijze waarop Nederland zijn elite selecteert. De afwezigheid van meritocratische selectie aan universiteiten, de bereidheid genoegen te nemen met middelmaat in plaats van excellentie en de geringe stijgingskansen voor nieuwkomers resulteren in een elite die weinig concurrentie heeft te duchten. Dat blijkt tijdens crises, wanneer zij vlucht in regels en het vergezicht node wordt gemist.
Ten tweede vergrijzing. Naarmate het aantal gepensioneerden stijgt, wordt Nederland steeds meer een Avondland dat teert op de zak van jonge economieën. Zoals de bereidheid risico’s te nemen niet gelijkelijk over de levensduur is verdeeld, zo wordt het verlangen naar comfort en de afkeer van onzekerheid bepaald door de leeftijd van een samenleving. Hoe hoger deze is, hoe groter de afkeer van verandering.
Ten derde de omvang van de staat. Hoe voller de vleespotten van de verzorgingsstaat, hoe geringer de bereidheid om het bestaan in eigen hand te nemen. Hoe groter het beslag van de staat op het nationaal product, hoe meer het electoraat verwacht tegen het leven te worden beschermd. Dat zelfs Nederlandse ondernemers de verantwoordelijkheid voor hun toekomst bij de staat leggen, geeft aan hoezeer de staatsafhankelijkheid om zich heen heeft gegrepen.
De onvrede die Wilders verwoordt, is onderdeel van hetzelfde syndroom. Wilders belooft zijn kiezers niet een toekomst van volwassenheid, autonomie en zelfbeschikking, maar van voortdurende adolescentie, zij het aan de hand van een andere vader. Het antwoord op Wilders is dan ook niet een andere elite, maar een volwassen en zelfbewust electoraat. De belofte van een universele verzekering tegen het leven draagt het zaad van de eigen teleurstelling in zich. Niet alleen is ze een leugen, ze ontkent individuele autonomie, remt ambities, schildert het bestaan in te fletse kleuren en voedt uiteindelijk het ressentiment. Een zelfbewust electoraat wenst een kleinere staat, niet een andere vader.