KUNST

Vadsige farao

Jan Steen

De reputatie van de schilder Jan Steen (1626-1679) wordt gekleurd door de hardnekkige anekdotes over zijn levensstijl. Dat is voor een groot deel te danken, dan wel te wijten, aan de achttiende-eeuwse biograaf Arnold Houbraken, die schreef dat Steens schilderijen zijn leven waren; sindsdien worden die zuipende gezelschappen en die kotsende boeren in de kroeg één op één gelijkgesteld met Steens eigen huishouden. In de titel die het eerbiedwaardige Mauritshuis aan de Steen-tentoonstelling geeft, Leven in de brouwerij, klinkt die anekdotiek door; men beroept zich op een ander verhaal van Houbraken, waarin verteld wordt dat Steen zijn slecht lopende brouwerij ‘verlevendigde’ door eenden in de brouwketel te laten zwemmen.

Het overzicht in Den Haag is bescheiden van omvang, maar inhoudelijk heel goed; het is opgebouwd uit de topstukken van het Mauritshuis zelf (dat maar liefst vijftien Steens bezit), aangevuld met bekende stukken uit Boijmans en het Rijksmuseum en een paar onbekende stukken uit privé-bezit en weinig bezochte collecties, zoals een opmerkelijke variatie op Soo voer gesongen, soo na gepepen uit Montpellier, of all places.

Een opvallend schilderij is het nieuwverworven historiestuk Mozes en de kroon van de farao, een curieus apocrief verhaal, over de jonge Mozes die op de kroon van de farao trapt en aan de doodstraf ontkomt door een gloeiend kooltje in de mond te nemen. Dat historiestuk is een mooie casus, voor de kijker, om zich af te vragen wat voor schilder Steen eigenlijk was, dan wel wilde zijn. Het is bekend dat Steen zich in een groot netwerk van kunstbroeders bevond. Hij woonde in Leiden, Den Haag, Delft, Warmond en Haarlem. Jan van Goyen was zijn leermeester en latere schoonvader; toen Steen bij Van Goyen in Den Haag werkte was Paulus Potter de buurman. Hij kende het werk van Breughel en de andere Vlaamse schilders van het gewone leven; hij werkte bij Van Ostade in Haarlem en Knüpfer in Utrecht, in Haarlem kende hij Jan Miense Molenaar en Judith Leyster, en waarschijnlijk ook Hals. Jacob Campo Weyerman memoreert in De levensbeschryvingen der konstschilders (1729-1769) dat schilders als Quirijn van Brekelenkam, Arie de Vois, Jan Lievens en Frans van Mieris tot de vaste klanten van zijn café behoorden. Dezelfde Houbraken beschreef Steen echter tussen de anekdotes door als een belangrijke kunstenaar, en ook Weyerman zag hem zo: ‘(…) hoe los die Jan Steen ook was in zijn gedrag, echter was hij zo min los in de beschouwelijke kennis, als in de praktijk van de schilderkunst, dewijl hij (…) zoo wezenlijk redeneerde over alle eigenschappen van die kunst, dat het een lust was zijn vertogen bij te wonen.’ Een kroegbaas én een ‘beschouwelijke’ kunstenaar, en nog katholiek ook. U zegt het maar.

Mozes is vooral een rommelig en vermakelijk stuk, waaruit een grijnzend sarcasme opdoemt over de vadsige farao die zich door onbetrouwbaar volk laat adviseren, of dat domme kind, dat zich de bek verbrand heeft. Het is alsof iets in Steen zich verzet tegen het ‘verheffen’ van de scène tot de waardigheid of de gravitas die het historiestuk in het algemeen aankleeft; je zou ook kunnen zeggen dat hij tegen wil en dank de kant kiest van het alledaagse in het verhaal, het voor de hand liggend moralisme dat zelfs de grootste bijbelse grootheden neerzet op een zeventiende-eeuwse tegelvloer. Het is misschien toch die democratische dimensie, en niet het grote kunstenaarsschap dat eronder schuilgaat, die het werk van Steen zo aantrekkelijk maakt.


Leven in de brouwerij: Jan Steen in het Mauritshuis, t/m 13 juni 2011; www.mauritshuis.nl