Besnijdenis van Nederlandse meisjes in het buitenland

‘Vakantie’ in Kenia

Het vermoeden bestaat al langer dat uit Somalië afkomstige gezinnen hun in Nederland geboren dochters in het buitenland laten besnijden, maar harde cijfers ontbraken. In Nairobi vertellen een bemiddelaar en een ‘snijdster’ echter openlijk over de praktijk.

Het is eind augustus als een Nederlands-Somalische moeder aankomt op Jomo Kenyatta International Airport in Nairobi, Kenia. Ze is gekleed in een donkerblauwe jurk en een zwarte jilbaab, een doek die meer van het hoofd en schouders bedekt dan de bekendere hijab, als zij Terminal 1A verlaat. Ze sleept twee karretjes met koffers en enkele tassen met zich mee. Drie kleine meisjes van vijf, zeven en tien jaar klampen zich aan haar vast. De oudste draagt een felpaarse hijab, de twee jongere meisjes zijn gekleed in het bruin.

Ze zien er vermoeid uit na de lange vlucht vanuit Amsterdam via Qatar. Ze kijken om zich heen terwijl de moeder wordt begroet door Isaac Hassan. Hij is een taxichauffeur die bijklust als bemiddelaar voor Somalische gezinnen die in het buitenland wonen en die hun dochters willen laten ‘snijden’.

Op het vliegveld van Nairobi praten de moeder en bemiddelaar kort met elkaar en dan leidt Hassan het gezin snel naar zijn wachtende auto. Hij zal hen naar Eastleigh brengen, een dichtbevolkte buitenwijk in het oosten van Nairobi, ook wel Klein Mogadishu genoemd vanwege de vele etnische Somaliërs die er wonen. De nauwe straten zijn volgebouwd met dicht tegen elkaar aan staande flatgebouwen, met daartussen winkelcentra vol Somalische winkels. Zover het oog reikt zijn er kledingwinkels, eettentjes en specerijenverkopers, en in de straten vol gaten en kuilen drommen druk pratende vrouwen, hun hoofden en gezichten grotendeels bedekt. De buurt is berucht om zijn hoge misdaadcijfers – zelfs de Keniaanse politie gaat er liever niet naar toe.

Hassan heeft alles geregeld voor het gezin van vier: een safehouse, het appartement waar ze ‘veilig’ zijn, de afspraken met de vrouwen die de besnijdenis uitvoeren en het vervoer van de gezinnen tussen afspraken, appartement en vliegveld, voor de volle drie weken dat het in Kenia blijft.

Er doen in de Somalische gemeenschap in Nederland al jaren geruchten de ronde over meisjes die naar het buitenland worden gebracht om besneden te worden. Het is echter bijna onmogelijk om erachter te komen of dit echt gebeurt, omdat de betrokkenen weten dat vrouwenbesnijdenis verboden is in Nederland. Bij de Nederlandse organisaties en instanties die strijden tegen genitale verminking is er niemand die openlijk wil bevestigen dat hier geboren kinderen in het buitenland worden verminkt.

Ook als wij erachter willen komen wat waar is van alle verhalen over besnijdenissen in het buitenland, stuiten we op een muur van zwijgen in de Somalische gemeenschap in Nederland. Dat merkt ook de Keniaans-Somalische H., die Somalisch en Swahili spreekt en voor dit verhaal undercover gaat in de Somalische gemeenschap. Na vier maanden gezellig theedrinken en winkelen met haar Somalische nieuwe ‘vriendinnen’, is duidelijk dat genitale verminking niet iets is waarover vrouwen bij een kopje thee en een koekje onthullingen willen doen. In de Somalische gemeenschap wordt het niet op prijs gesteld als je de vuile was buitenhangt. Leidraad is het Somalische spreekwoord ceebtaada oo ay kow ogtahay, kun looma sheego: jouw schande is slechts aan één persoon bekend, en moet niet met duizend worden gedeeld.

We geven daarom de ervaren Keniase journalist George Kaigwa, die ons is aanbevolen door een Nederlandse documentairemaker, de opdracht uit te zoeken of Somalisch-Nederlandse gezinnen naar Kenia reizen om hun dochters te laten besnijden. Hij stuit al snel op taxichauffeur-annex-bemiddelaar Hassan, die bereid is hem mee te nemen als hij het Nederlands-Somalische gezin van het vliegveld ophaalt. Op het vliegveld bekijkt Kaigwa de ontmoeting van een afstand. Hij heeft Hassan verteld dat hij student is aan de Universiteit van Nairobi en dat hij geïnteresseerd is in de culturele gewoonten van de verschillende etnische groepen in Kenia. Hassan trapt er in. Maar zo gauw de net gearriveerde moeder Kaigwa ziet, wordt ze nerveus en achterdochtig. Ze wil weten wie hij is en waarom hij erbij is. De situatie wordt zo gespannen dat Hassan Kaigwa uiteindelijk vraagt een Uber naar de stad te nemen, omdat de vrouw anders niet meegaat. Hassan suggereert dat hij het gezin later misschien kan opzoeken in hun safehouse.

Omdat Hassan een soort reisagent is voor gezinnen die deze reisjes maken, heeft hij er geen moeite mee gedetailleerd te vertellen over zijn zakelijke relatie met het gezin. Zo had hij Kaigwa verteld over zijn plan het gezin naar Eastleigh te brengen, waar hij in de 11de Straat tijdelijk een huis had gehuurd om een vooraf gereserveerde ‘snijdster’ te ontvangen.

Nu Kaigwa’s aanwezigheid de moeder van de drie kinderen angstig heeft gemaakt, worden er nieuwe afspraken gemaakt. Het gezin verhuist naar een andere locatie voordat Kaigwa de vrouw te spreken kan krijgen. Hij komt er later achter dat het nieuwe safehouse in Lavington ligt, een dure woonwijk in het noordwesten van Nairobi, waar veel internationale scholen zijn. Anders dan Eastleigh met zijn drukke en lawaaiige straten, is Lavington rustig en sereen. Het is een buurt waar je niet gauw nieuwsgierige buren zult tegenkomen, en daardoor een perfecte plek voor illegale activiteiten, aldus Kaigwa. Ook in Kenia is genitale verminking verboden, maar de autoriteiten doen er nauwelijks aan opsporing en vervolging. Bovendien zijn de straffen ervoor erg laag.

Kaigwa stuurt ons opnamen van de gesprekken die hij voerde, waarbij Somalisch en Swahili door elkaar worden gesproken, en H. beluistert en vertaalt ze. Kaigwa heeft indrukwekkend materiaal verzameld, maar toch willen we zeker weten dat alles zo gegaan is als hij rapporteert. Daarom belt H. bemiddelaar Hassan op, en doet zich voor als een jonge, onzekere moeder die haar twee dochters wil laten besnijden. Hij klinkt alsof hij net wakker is, maar wordt al gauw enthousiast als hij begrijpt een nieuwe cliënt aan de lijn te hebben. Hassan verzekert haar dat ze aan het juiste adres is. ‘Ja, mijn zuster’, zegt hij, ‘het moet om religieuze (redenen), dus eigenlijk is het heilzaam voor jouw meisjes.’

Hij schept op over zijn laatste cliënt, het gezin dat Kaigwa op het vliegveld zag, om het vertrouwen van zijn nieuwe ‘cliënt’ te winnen. ‘Ik heb het huis voor hen gereserveerd, en het was 5000 (dollar). Ongeveer een week nadat ik hen daar in Lavington had ondergebracht, bracht ik hen naar die andere plek. Daar werden ze “geholpen”, en na een week vlogen ze terug naar Holland. Dus er is niets om je zorgen over te maken.’

Hassan vertelt aan de telefoon dat H. hem slechts ‘een klein bedrag’ hoeft over te maken, ‘ongeveer een derde, dat je van te voren betaalt’, zodat hij alvast een huis kan reserveren. De andere ‘diensten’ hoeft ze pas te betalen als ze in Nairobi is. ‘Mijn zuster’, zegt hij, ‘in de eerste plaats: moge God je in vrede hier brengen. Er zijn geen strenge voorwaarden voor jou, er zullen jou niet veel vragen worden gesteld: wie je bent, of je papieren hebt, hoe je heet, et cetera. Niets van dat alles. Alles wordt in orde gemaakt voor je.’

De afgelopen tien maanden heeft Hassan met succes negen Nederlands-Somalische gezinnen geholpen hun dochters te laten besnijden

Los van het vliegticket, dat de cliënt zelf koopt, zijn er Hassans speciale taxidiensten van vijftig dollar per dag. Voor het onderdak betaalt de cliënt tussen de 700 en 800 dollar per maand in Eastleigh en 1000 tot 1300 dollar in South C, een buurt waar ook vooral Somaliërs wonen. Als de cliënt in een wat duurdere buurt wil verblijven, zoals Lavington, stijgen de verblijfskosten tot 5000 dollar, zeker als het op het laatste moment moet worden geregeld, zoals bij het gezin dat Hassan net van het vliegveld heeft gehaald. De snijdster zelf rekent tussen 150 en 200 dollar voor de soenna en 300 tot 800 dollar voor de firaun (zie kader).

H. laat Hassan weten bezorgd te zijn over de manier waarop de ‘besnijdenis’ wordt uitgevoerd. Het moet niet op de ‘klassieke’ manier gebeuren, de firaun-manier. ‘Het is alsof je gewoon op bezoek komt en we gaan het op een manier doen dat de kinderen geen pijn hebben’, zegt Hassan geruststellend. ‘Ik breng je naar de beste en die zal je helpen.’ Hoe H. er zeker van kan zijn dat het veilig gebeurt? ‘Het is zo, mijn zuster, en ik zal niets voor je verborgen houden’, sust Hassan. ‘Er is een plek waar je heengebracht kunt worden en waar de meerderheid van de Somaliërs het laat doen, en die doen het zoals het hoort. Het kan op de soenna-manier en het kan op de firaun-manier, zoals het bij onze moeders werd gedaan. Alle soorten zijn beschikbaar.’

Hij spreekt erover alsof hij verse groenten op de markt aanprijst. En hij verzekert H. dat de procedure hygiënisch wordt uitgevoerd: ‘De plek is schoon. Er waren verscheidene meisjes uit Holland die ik naar deze plekken heb gebracht en er zijn nooit klachten geweest. Er zijn geen problemen geweest.’ Hassan maakt duidelijk hoe groot zijn netwerk is. Hij zegt twee à drie gezinnen per maand te ‘helpen’ en dat hij in de afgelopen tien maanden met succes negen Nederlands-Somalische gezinnen heeft geholpen hun dochters te laten ‘besnijden’. Hij krijgt zijn cliënten via mond-tot-mondreclame. ‘Als iemand mij kent omdat ze dit hebben gedaan, geeft die persoon mijn contactinformatie en dan bellen ze mij. Contact tot contact, vriend tot vriend, of via familie.’

Het telefoongesprek met Hassan bevestigt wat Kaigwa heeft verteld. Maar we vragen Kaigwa ook met de ‘snijdsters’ te spreken. Het lukt hem uiteindelijk een van Hassans vaste ‘snijdsters’ te ontmoeten, weer onder het voorwendsel onderzoek te doen voor zijn studie.

In de buurt California Estate in Eastleigh leidt een smalle steeg vanaf First Avenue langs honderden straatverkopers en over een open riool, om bij een kleine blauwe poort te eindigen, weggestopt tussen een bouwplaats en een grote hoeveelheid kleren die te koop hangen aan een hek. Een bordje vermeldt in piepkleine letters de naam van de ‘kliniek’: Moeder en Kind. Hier ontmoet Kaigwa ‘snijdster’ Sagal, die zich voorstelt als ‘de Engels des Doods van de clitoris’. Er zijn nog twee vrouwen: haar assistente en een vrouw die zich ‘directeur van de kliniek’ noemt.

Kaigwa praat lang met Sagal over haar werk, via een tolk omdat hij geen Somalisch spreekt. Sagals assistente vertelt Kaigwa dat de moeder op het vliegveld vanwege de aanwezigheid van Kaigwa een ander adres en een andere ‘snijdster’ verkoos. ‘Ja, ze was heel bang en besloot het in een huis hier ver vandaan te laten doen, bij hun familie en haar moeder. Ik denk niet dat je haar nog zult zien’, zegt de assistente.

De tolk onderbreekt haar een paar keer, om het gesprek breder te maken. ‘De taxichauffeur zei dat deze meisjes iemands kinderen zijn’, zegt hij, ‘en dat het dus niet netjes is verslag te doen van hun “operatie”. Wij willen dus alleen dat jij ons vertelt hoe het proces van besnijdenis verloopt en over de problemen die ermee gemoeid zijn.’ Maar Sagal gaat door over dit ene gezin: ‘Die meisjes over wie jij het had, er was er één ouder dan drie, klopt dat? Het Hollandse meisje ouder dan drie, en één is ongeveer tien? Ze belden mij, maar ik heb ervoor gezorgd dat ze naar een andere besnijdster konden gaan.’

Zij deed dit wegens een nieuw verschijnsel onder Nederlands-Somalische gezinnen die de reis naar Kenia maken: omdat genitale verminking verboden is in Nederland, willen ze het risico verkleinen dat kinderen hen per ongeluk verraden. Daarom komen ze steeds vaker met hele jonge kinderen. ‘Nu brengen ze meisjes die pas één of twee jaar oud zijn. Die kunnen niet praten, snap je?’ zegt ze. ‘Eentje van vijf kan erover praten, dat is wat ouders ons verteld hebben. Dus als ze thuiskomen, kunnen ze zeggen: “Mijn moeder heeft dit gedaan”, snap je?’

Ze voegt daar op zelfverzekerde toon aan toe: ‘Als het een te riskant geval is, stuur ik het gezin door.’ Daarmee doelt ze op de gevangenisstraf van drie jaar die een gearresteerde ‘snijdster’ kan krijgen: uit voorzorg verwijst ze riskante gevallen door naar een van de vele andere ‘snijdsters’ in Eastleigh. Sagal kan selectief zijn omdat ze veel cliënten krijgt doorverwezen vanuit het buitenland. Ze noemt Nederland, België, Duitsland, Denemarken, Zweden en de Verenigde Staten. ‘Ik neem geen meisjes van vijf jaar of ouder. Die gaan praten en verpesten alles en ik wil niet dat de moeder wordt gearresteerd.’

Bemiddelaar Hassan vertelt Kaigwa ook over een ander gezin uit Nederland. De moeder vastte omdat het ramadan was. Ze had twee kinderen, een jongen en een meisje van negen. Het meisje was ‘geholpen’, maar de moeder was overstuur omdat het meisje erg verdrietig werd toen het gezin na drie maanden terugkeerde in Nederland. ‘Het meisje weigerde weer naar school te gaan. Zij had een gebroken geest en sloot zich op in huis. Inmiddels praat het meisje niet meer met haar eigen moeder en broer, heb ik gehoord.’ Het is niet mogelijk erachter te komen wie dit kind is: we weten niet waar het gezin woont.

De Nederlandse overheid financiert projecten die gericht zijn op preventie van en voorlichting over genitale verminking, maar doordat cijfers ontbreken, is het onmogelijk te weten in hoeverre de subsidies zin hebben. Er is vrijwel geen registratie van (verdenking van) genitale verminking. Professionals in de zorg zijn zeer huiverig om ‘verdachte gevallen’ te melden. Veilig Thuis Amsterdam, meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling, zegt desgevraagd dat vorig jaar maar één keer melding is gemaakt van (verdenking van) genitale verminking, het laatste jaar waarover het gegevens heeft.

‘Nadat de meisjes zijn besneden, worden ze mager. Ze hebben veel bloed verloren en raken gedemoraliseerd. Zo worden ze mee teruggenomen’

Zahra Naleie, programma-manager van de Federatie van Somalische Associaties in Nederland, zet zich al 25 jaar in voor preventie van genitale verminking. Volgens haar gaat het goed in Nederland met de preventie, maar niet met het melden van verdenkingen bij politie of Veilig Thuis. ‘Ik heb veel gevallen van verminking gezien, maar de ouders zijn nooit voor de rechter gekomen in Nederland. Ik heb geen onderzoek gedaan, maar in mijn ervaring komt de weerzin (om aangifte te doen) van de professionals’, zegt ze, zonder daar verder op in te willen gaan.

Pharos, het kenniscentrum voor gezondheidszorg, kreeg dit jaar bijna 330.000 euro subsidie van het ministerie van vws voor preventie van genitale verminking. In juni publiceerde het een rapport over de stand van zaken in Nederland.

Omdat harde cijfers ontbreken, heeft Pharos een statistische methode gehanteerd om het aantal meisjes te kunnen schatten met een verhoogd risico op genitale verminking. Deze is gebaseerd op het aantal geregistreerde migranten uit zogenaamde risicolanden en berichten van vroedvrouwen over hoeveel genitaal verminkte vrouwen zij hebben gezien – vrouwen die zijn verminkt voordat ze naar Nederland kwamen. Volgens Pharos wonen er in Nederland bijna 41000 vrouwen die zijn besneden en lopen naar schatting 4200 meisjes de komende twintig jaar risico op besnijdenis.

Genitale verminking van vrouwen

Er zijn drie soort genitale verminking (VGV) van vrouwen: de kleine soenna, waarbij het zichtbare deel van de clitoris of alleen de top ervan wordt verwijderd. De Wereldgezondheidsorganisatie WHO noemt dit type 1. Daarnaast is er de grote soenna, waarbij naast de clitoris ook de kleine schaamlippen (labia minora) worden verwijderd (type 2). Tot slot is er de firaun, type 3, waarbij de clitoris, de kleine en de grote schaamlippen (labia majora) worden verwijderd, de wond wordt dichtgenaaid en slechts een kleine opening wordt opengelaten voor urine en menstruatiebloed. De naam – ‘faraonische’ – verwijst naar de oorsprong van deze verminking, die in het oude Egypte ligt.

Meer dan 200 miljoen nu levende meisjes en vrouwen zijn op een van deze manieren verminkt in dertig landen in Afrika, het Midden-Oosten en Azië. De besnijdenis wordt vooral gedaan bij meisjes tussen de 0 en 15 jaar oud, en alleen in sommige moslimgemeenschappen, om religieuze redenen.

Bemiddelaar Hassan noemde 22 gevallen van meisjes die waren meegenomen naar Kenia om besneden te worden, tussen januari en oktober dit jaar. En dat gaat om één bemiddelaar en één ‘snijdster’. Het werkelijke aantal meisjes uit Nederland dat in het buitenland wordt besneden, zal veel hoger liggen. Zo komt besnijdenis ook voor bij migranten uit Soedan, Eritrea, Ethiopië en Egypte en bij Koerden. De Soedanese vluchteling Nusiba Abdalla, die al lang in een asielzoekerscentrum verblijft in afwachting van een besluit over haar asielaanvraag, vertelt dat Soedanezen in Nederland hun dochters ook vaak tijdens de schoolvakanties meenemen naar hun geboorteland voor een besnijdenis. Een andere, anonieme Soedanese bron die al ruim twintig jaar in Nederland woont, bevestigt dit.

Bovendien hoef je niet naar Afrika om je dochter te laten ‘helpen’. Er zijn sterke vermoedens dat Somalische ouders hun dochters laten besnijden in het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder in Birmingham, dat een zeer grote Somalische gemeenschap heeft. De ‘s nijdsters’ worden er speciaal voor ingevlogen, meldde de Britse krant The Independent. De Somalische gemeenschap in Birmingham is groot genoeg om deze ook in het VK verboden activiteiten onopgemerkt te kunnen laten uitvoeren.

En dan zijn er nog verdenkingen die we niet kunnen verifiëren. Half mei worden we benaderd door een Somalisch sprekende medewerker van de sociale dienst in een grote stad, die vreest dat een van zijn cliënten haar dochters heeft laten besnijden. De vrouw vertelde hem dat haar drie in Nederland geboren dochters in Kenia zijn ‘om de koran te leren’ en ‘terug te laten keren tot de cultuur’. De drie meisjes blijken uitgeschreven te zijn uit de Basisregistratie Personen in hun woonplaats en verblijven vermoedelijk bij hun vader in Kenia. Volgens de medewerker, die anoniem wil blijven, kwam de moeder al snel niet meer opdagen bij de sociale dienst, hoewel zij hulp nodig heeft wegens schulden. Waarschijnlijk is ze geschrokken van zijn vragen over waarom zij de kinderen het land uitgebracht heeft en wat zij bedoelt met ‘terugkeren naar de cultuur’.

‘Terugkeren naar de cultuur’, of dhaqan-celis in het Somalisch, is een breed gebruikte term die onder andere wordt gebruikt voor lessen waardoor in het Westen geboren kinderen kennismaken met de cultuur van hun ouders. Maar, zegt de medewerker van de sociale dienst, ‘dhaqan-celis is in feite een code voor besnijden. Als ik zeg dat ik mijn kinderen heb meegenomen naar mijn geboorteland om hun mijn cultuur te leren… Dat is niet wat er gebeurt. Het gaat beslist om de besnijdenis. Als je een klein meisje bent, is de enige reden om naar huis te gaan besneden te worden, niet om meer over cultuur te leren.’

De drie meisjes in dit geval zijn zeven, negen en elf jaar oud. Zij zijn het grootste deel van dit jaar niet naar school geweest. Een telefoontje naar de afdeling Leerplicht in hun woonplaats levert niets op: men weigert uit te zoeken of er drie meisjes zijn die al zo lang absent zijn, met als reden de privacywetgeving.

Terug naar Nairobi, waar Hassan aan Kaigwa vertelt dat ‘het werk’ altijd ‘in het geheim’ wordt gedaan. ‘De regering weet niet dat dit in particuliere huizen wordt gedaan.’ Omdat er weinig arrestaties plaatsvonden, gaven veel gezinnen de voorkeur aan privéklinieken, maar de afgelopen jaren heeft de Medische Raad in Kenia illegale klinieken, apotheken en kwakzalvers hard aangepakt in verschillende delen van Nairobi, waaronder Eastleigh. Door de verminking thuis uit te voeren, voorkom je arrestatie, aldus de snijdster. ‘Bijna niemand gaat nog naar klinieken om de vagina te fixen’, zegt ze, waarop zij en haar assistente in de lach schieten vanwege dit woord. ‘Alleen misschien als het slecht “gecorrigeerd” is.’

Naast de feitelijke snijdster is er een assistente die een pijnstiller injecteert in de dijen van het meisje. Hassan weet niet wat voor middel het is. ‘Degene die de besnijdenis uitvoert, is een ander dan de vrouw die de injectie doet. Ik weet niet wat erin zit, misschien wel water.’

In zijn gesprekken met Kaigwa lijkt Hassan de gevolgen te begrijpen voor de gezondheid en het psychologisch welzijn van de besneden meisjes, vooral voor kinderen die geboren en opgegroeid zijn in Nederland. ‘Als de meisjes daar vandaan komen (uit Europa), zelfs als ze pas drie zijn, zien ze er gezond en sterk uit. Nadat ze zijn besneden, zijn het net kinderen van één of twee jaar oud, zo mager worden ze. Ze hebben veel bloed verloren, en raken ook gedemoraliseerd. Als ze na drie, vier of vijf maanden teruggaan, zijn hun ogen naar de grond gericht. Zo worden ze mee teruggenomen.’

Intussen gaat de praktijk gewoon door. Eind oktober landde een nieuw gezin in Kenia, waar Hassan eind augustus al over vertelde. Hij had een groot huis gereserveerd voor dit gezin met zeven kinderen, onder wie vier meisjes, vertelde hij Kaigwa destijds. ‘Ze (de moeder) vroeg mij een groot huis te zoeken waar ze een tijd konden blijven. Ik ken hun verhaal, en ze wil de meisjes hier laten besnijden. Hun is verteld dat ze op vakantie gaan. Een maand na hun aankomst worden de meisjes op de “slachttafel” gelegd – en alle drie tegelijk “geholpen”.’


H.S. Barre verhuisde recent naar Nederland vanuit Kenia, waar ze als journalist werkte voor tv en radio (Kenya Broadcasting Corporation, Nation Media Group en Radio Salaam). Manja Ressler is freelance journalist en redacteur. Ze schreef onder meer voor NRC, De Groene Amsterdammer, Trouw en The Jewish Week. Ze deed de redactie van het boek De oorlog in mij van de uit Bosnië afkomstige journalist en documentairemaker Mustafa Hadziibrahimovic. Dit artikel kwam tot stand met steun van de Regeling Onderzoeksjournalistiek van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl. Met dank aan Stichting ONfile