Ger Groot

Vakantielezen

Vakantielezen betekent voor de beroepslezer het doorwerken van de boeken die hij naar ieders overtuiging al lang gelezen hád. Heimelijk kreunt zijn geweten onder een halve wereldbibliotheek van meesterwerken die hij bij gelegenheid citeert, maar die hij alleen kent van horen zeggen. Helemaal gemakkelijk voelt hij zich daar niet onder. Een vergissing is snel gemaakt en de half-clandestiene erudiet weet als geen ander hoe genadeloos de schaamte toeslaat wanneer zijn ivoren toren plotseling gevestigd blijkt op drijfzand.

Het leven is nu eenmaal te kort voor alle meesterwerken. Vermoedelijk dobbert de mondiale intellectuele conversatie rond in een grote plas van verborgen verlegenheid, al dan niet verhuld achter branie of bluf. In het geestrijke gesprek weet de gemankeerde alleslezer dat zijn papieren plots ontoereikend kunnen blijken. Met madeleines kan hij nog wel uit de voeten, maar Charlus wordt licht zijn Waterloo. Kakanië doet hem verwilderd in de rondte staren. ‘In het midden van het leven’ of ‘Zing mij, muze, van de man’ weet hij feilloos te citeren, maar bij het vervolg ervan begint hij te stotteren. Soms wordt hij in zijn geschutter gered door een omgestoten glas, dat bijna opzettelijk leek klaargezet om hem, plotseling redderend in de weer, uit zijn verlegenheid te redden.

Er bestaat een bescheiden literatuur over dit schijnbestaan, voorzien van wenken voor gekwelde dummies en andere culturele sans-papiers. Het meest recente ervan is Pierre Bayards essay Comment parler des livres que l’on n’a pas lus? (Minuit), dat volgens de recensies een trotse ongeletterdheid bepleit. Af moeten de maskers die de gebrekkige kennis verbergen – als de literaire pendanten van de feestgasten uit Schnitzlers Droomnovelle, bij diezelfde sans-papiers bekend als Eyes Wide Shut. Beter zouden we de literaire onwetendheid aanvaarden die ons verenigt in een niet altijd flatteuze naaktheid, waarin van de weeromstuit een tot rust gekomen gemoed en misschien zelfs het geluk huist.

Het klinkt een beetje als de erudiete tegenhanger van de beloften van de echte seksuele revolutie, alweer bijna vier decennia geleden. Hair en Oh! Calcutta veinsden een onbekommerde (want op acteurslijven toegesneden) naaktheid die op de stranden zijn schuchtere navolging kreeg in topless en incidentele FKK. Die zijn – ook dát leert de vakantie – inmiddels allang weer uit de mode. De gedrochtelijke werkelijkheid die zij onthulden maakte snel duidelijk met welke goede reden. Daarom toon ook ík mijn lezersnaaktheid hier maar héél even, in een schichtige bescheidenheid: ook over Bayards essay spreek ik zonder het boek zelfs maar te hebben opgeslagen.

Veel toekomst zit er dus niet in diens aanbevelingen van-horen-zeggen. Oprechtheid in onze zwakheden is niet jedermanns Sache. Ieder begrijpt de schaamte van de filosofieprofessor die dacht dat Candide een toneelstuk was omdat hij alleen de musicalversie kende. En geen mens had in mijn schoenen willen staan toen ik – geschoold theoloog nog wel – moest bekennen de bijbel nooit helemaal van A tot Z gelezen te hebben.

Dat laatste is inmiddels verholpen – min of meer, want weinig boeken nodigen hier en daar zo aanstekelijk tot snel doorbladeren uit. Dat is helaas met meer klassieken het geval, vooral de dikke onder hen. Dan glijdt het geoefende oog snel over de regels heen, in typische vakantielanderigheid weigerend nog iets op te nemen. Het leesritme blijft hetzelfde, maar lezen is het eigenlijk niet. Het is het voldoen van het corvee dat het intellectueel geweten zich heeft opgelegd om in de weken van ledigheid toch nog iets nuttigs te doen.

Zo wordt de literatuur een klus die juist in de zomermaanden een sisyfusarbeid blijkt. Tegenover de bibliotheek van wereldboeken wijkt de opleveringstermijn van het geruste literaire geweten steeds verder terug en zwoegt de blik almaar moeizamer langs de woorden. Juist wanneer voor de beroepslezer de arbeidsplicht zou kunnen plaatsmaken voor het plezier, vergalt een nog hogere morele plicht hem het genoegen van de onbekommerde pageturner.

En plots wordt de diepere zin van de luchthavenliteratuur en stationskiosk hem duidelijk. Met hun wansmakelijkheid bedreigen zij de literaire schoonheid niet, maar beschermen die. Zij vormen een wal van wezenloze trash die in de al even wezenloze vakantietijd het betekenisvolle behoeden voor ontijdige consumptie.

Ook de klassiekers hebben hun tijd en plaats – dat is niet aan het strand of in de bergen. Voor hun tijdloosheid is de vermoeide vakantieblik paradoxaal genoeg altijd te gehaast. Hij wil iets anders, nieuws, fysiek opwindends – niet alwéér een boek. Onsterfelijkheid is niet de Sache van de vakantiegangers, ook niet van de lezers onder hen. Volgend jaar gaan opnieuw Ludlum, Houellebecq en Grunberg mee.