Vakkundige instructies

WILLEM VAN TOORN
DE HOFREIS
Querido, 64 blz., €16,95

Hier ligt een slordige kaart
waar geen maker aan heeft gedacht
onzichtbaar over de stad.
Niks groen voor parken en lanen
of blauw voor water. Hier lopen
stippellijnen en waaiers van geuren
die mijn leine hond ernstig volgt
met mij aan de lijn. Wat zij ontwaart
vermoed ik alleen – misschien die grote
zwarte met zijn fluwelen ballen,
de valse bek van neef pitbull, de warme
klittenvacht van die oudtante
op de markt: het album
dat de stad ook is onder
deze kleine aaibare schedel.

Er bestaat literatuur die als een handleiding werkt, die een gebied in kaart brengt, of die op een instructieve manier kennis overbrengt. Noodzakelijk houden die teksten zich aan feiten en zijn ze in eenvoudige taal gesteld. Meestal zijn dergelijke boeken nogal droog. De term ‘nuttig gedicht’ lijkt een paradox, maar is dat niet per definitie.
Willem van Toorn (1935) is auteur van een consistent oeuvre. Hij publiceert sinds 1960 romans, verhalen, essays en gedichten. Hij vertaalde werk van Kafka en poëzie van Pavese. Minder bekend is de in het Milanees dichtende Franco Loi, van wie hij met Sabrina Corbellini de vertaling Hemel zonder gezicht maakte. Het is poëzie met een bijzondere zwier, waarin de natuur even minvermogend wordt voorgesteld als de mens: ‘opgewektheid, lezer, leidt tot ellende;/ doof is de wind en leegte draagt hij mee’.
In zijn eigen, nieuwe dichtbundel De hofreis legt Van Toorn alles vakkundig uit, de seizoenen, de stad, muziek, de reis. En het sterke is dat dit nergens irriteert. De dichter heeft een kenmerkende lichte toon en hanteert een bijna chirurgische techniek. Zijn afbrekingen zijn zo scherp als de scalpel van Gerrit Kouwenaar. Omdat Willem van Toorn zich minder om abstracte woordbetekenissen lijkt te bekommeren, levert dat een totaal andere poëzie op: een compleet helder gestructureerde wereld. De bundel begint met een reis aan het eind van de zomer naar de stad via omwegen: ‘het loom bedrijf/ van blote voeten aan de vloedlijn’. Opvallend is zijn meesterschap over de vorm: als een graficus zet hij regels uit. De reeks ‘La città ideale’ begint met een lijn. Als horizon scheidt hij aarde en lucht, maar verticaal lijkt de lijn een ander onderscheid te geven: ‘links sinister/ het kwaad verbannen, rechts alles beter’. Van Toorn becommentarieert een website van een museum in Florence door uit te leggen waar die lijn voor staat: ‘na de grote/ pest van 1485 in Milaan’ gaat het Leonardo om hygiëne voor de rijken, dus boven is er de ‘harmonie/ van altaar en troon’ en beneden de ‘smeerlapperij/ van hoeren en honden’ en

het ratelen van de tank
die boven de keien van het plein
dat de naam van een heilige draagt
zijn kanonsloop traag naar je toe draait
terwijl je geen kant meer op kunt.

Stadsplanoloog die vanuit de toekomst wordt toegesproken: ‘zeker ben ik niet/ te vinden waar jij mij ziet’. Vanuit een stad die ooit door iemand getekend is terug naar de beginlijn ervan op papier: ‘tegen het verdwalen/ in te veel menselijkheid’. Van Toorn is op zijn best als hij schijnbaar moeiteloos dergelijke perspectiefwisselingen in elkaar over laat lopen. De planoloog leek ook de lichtval te voorzien en hoe een stad tijdens een zeker seizoen op een bepaald moment van de dag tot zijn recht zou komen: ‘de vermoeide/ zo hoerige doch volmaakte/ bocht van de gracht’. Zo is het waargenomen door de dichter die onder hem ‘de muts van vervilte haren’ ziet van een zwerver ‘die ondraaglijk lang/ als een waadvogel op één been staat’.
Willem van Toorns sensitiviteit voor de beeldende kunst zet hij om in haarscherpe taal. Zijn belangrijkste bijdragen aan het tijdschrift Raster, waarvan hij geruime tijd redacteur was, betroffen die nummers waarin tekeningen en sporen centraal stonden: tekst tegen beeld. Midden in De hofreis is het muziek, en wel Die Kunst der Fuge van Bach, die centraal staat. Van Toorn verwijst naar de Zweedse dichter Lars Gustafsson met zijn titel De stilte van de wereld voor Bach. Opnieuw is er een lijn, nu tussen wat het oor binnenkomt en raakt en ‘wat niet/ in dat domein behoort’. Opnieuw is er in deze serie ratelen van dezelfde tank als in de vorige, en ‘de schreeuw van de zwerver/ in de doodlopende steeg’. ‘Die Bach/ wat verbeeldt hij zich wel’, vraagt Van Toorn. ‘Deze plotsklapse stilte na Bach/ is eeuwen later bedacht/ een huilerig Duits draaiboek/ voor een film met in alle beelden/ hemelse blikken en pruiken’. De fuga leek de meest complexe vorm van muziek, maar dat heet een legende te zijn, het is in werkelijkheid ‘een van de meest ongedwongen/ vormen in de muziek’. De ‘dux’, de eerste inzet, en de ‘comes’, de tweede, glijden om elkaar heen.
Die vermenging van werkelijkheid en muziek, boektitel en film, komt mooi letterlijk tot zijn recht als Willem van Toorn woord en noot op het slot van de serie een ordinair potje laat bekvechten over wie er nou het belangrijkst is. ‘Aan jou is maar een ding mis/ te weten betekenis’, zegt de noot tegen het woord. ‘En zonder het woord noot/ was jij allang dood’, is het antwoord. De auteur geeft hiermee een al of niet bedoelde repliek op zijn critici: natuurlijk schrijft hij gedichten die ergens bij horen, bij foto’s, bij plattegronden, bij een fuga. Maar het blijft daarmee niet bij een ‘vozen in Florence’ of een praatje bij een plaatje: Willem van Toorn schrijft haarscherpe gedichten die op zichzelf staan.
Minder sterk dan de series zijn de losse gedichten die op de series volgen. Ontroerend is het als in het gedicht Geen zoon een jongen vertelt over zijn stiefvader: ‘Tussen zijn voeten/ zit zorgelijk/ zijn zwart-witte jonge hond/ en luistert of hij wel gelukkig is’. Als Van Toorn een spiegelbeeld beschrijft is hij precies: ‘Een schervengericht/ van springende vis verbrijzelt ons’. Spiegelbeeldig zijn ook de daarop volgende gedichten. Maar pas in de slotserie ‘De hofreis’ hervindt de dichter zijn monterheid en vaart. ‘Jezelf verwijderen/ van alles wat jou kent en talen spreekt/ waarin je niet verdwalen kunt’. Willem van Toorn is de meest consistente dichter die we kennen. De hofreis is een knap werk, dat feilloos in zijn oeuvre past. ‘Dit is/ geen reis. Dit is een val huiswaarts’.