Val

Ik droomde laatst van een man die een gedicht van mij aanbracht op een hoge muur. Hij was juist aan de laatste regel begonnen toen hij wankelde en van de steiger viel. Ik werd wakker van de klap. Mijn hart bonsde, mijn handen hadden het laken vastgegrepen. Had ik nog maar een therapeut.

Het leek me zo’n veelzeggende droom, hoewel misschien te helder om voor langdradige analyse in aanmerking te komen. De rest van de dag bleef er hoe dan ook een restje schuldgevoel in me achter. Tenslotte was ik verantwoordelijk voor die val – als ik dat gedicht nooit had geschreven was er vast niets gebeurd. En wat weet ik van de schade die ik in werkelijkheid aanricht? Hoe moet ik mijn plaats kennen in de grote kettingreactie der dingen? Het gaat me niet eens om de bewuste handelingen. Het gaat me om ergens toevallig aanwezig of afwezig zijn. Om een woord, een manier van kijken, om wel of niet groeten. Ik herinner me het verhaal van een man die op een winteravond in de richting van het spoor liep om zelfmoord te plegen. Hij had een briefje voor zijn vriendin achtergelaten op de keukentafel. Maar onderweg werd hij aangeklampt door een vrouw die haar hondje kwijt was. Of hij alsjeblieft even mee kon helpen zoeken. Het had zijn laatste gesprek, zijn laatste daad kunnen worden. Maar toen het hondje gevonden was, zag hij af van zijn plan en ging terug naar huis. Zijn vriendin had het briefje nog niet gevonden. Toen hij me dit verhaal jaren later zelf vertelde dacht ik: één vrouw op het juiste moment, één weggelopen hondje. De verbanden tussen de ene daad en de andere, tussen het kopen van een pak koffie en een kettingbotsing drie straten verderop, zijn onnaspeurbaar. Maar ze zijn er wel. Wat zouden we eigenlijk nog kunnen als we de reikwijdte van onze handelingen doorgronden? Bevriezen? Helden worden? De schouders ophalen? Ik zou er, denk ik, vooral erg moe van worden.

De impact van één glimlach. Van één vloek. Van één droom. Het is duizelingwekkend hoeveel we op ons geweten hebben.