Sport

Val

In vrijwel alle sporten gaat het erom dat je niet valt, want een val is meestal het einde van je wedstrijd. Bijvoorbeeld bij het schaatsen. En het skiën. Het turnen. Atletiek. Schakers en zwemmers hebben er minder last van.
De val boezemt angst in. De turnster op de evenwichtsbalk. Epke Zonderland aan het rek. Brrr. We houden ons hart vast en denken met samengeknepen tenen: als hij maar niet valt, en zij ook niet. Het zal in de natuur van de mens zitten, die angst en dat ontzag voor de val. We houden niet van vallen, niet in de sport, niet in het gewone leven. Op het trottoir glijden we liever niet uit over een geniepige bananenschil om met onze rok omhoog onflatteus en gestrekt op de tegels te landen.
We springen liever dan dat we vallen. En het allerliefst vliegen we. We willen ons verheffen van de aarde, een vogel zijn. ‘Net alsof ik vloog!’ roept de peuter die door papa jolig in de lucht werd geworpen. ‘Nog een keer!’ We willen in de achtbaan en de zweefmolen, want hebben we een gevoel van vliegen, even, hoog in de lucht zonder hulpmotortje. Niemand denkt erover om eens gezellig voor de lol een paar meter te gaan vallen.
Terwijl vallen eigenlijk zo gewoon is. Het is overal in het leven.
Sterker nog, vallen kan mooi zijn. Je kunt er iets van maken. Dan moet je wel je best doen en een beetje dapper zijn, anders gaat het niet. dan wordt het een soort halfhartig tuimelen, waar geen mens iets in ziet.
Nee, van vallen moet je een kunst maken. Met als hoogtepunt de vrije val. Dat kunnen we lezen in het sympathieke boek Vrije val van Feije Wieringa (Aspekt), over ‘meer dan dertig jaar skydiven boven Texel’. Voor de niet-vallende mens, zoals wij allen graag zijn, een ogenopener. Het is een boek dat een frisse wind door het hoofd blaast, een valwind.
Lees het, en je wilt skydiven, hemelduiken, en vooral ook vrij vallen, dat daar een onderdeel van kan zijn. De vrije val moet geweldig zijn, zo intensief, een autonoom vallen. Een langdurig vallen, niet van dat benauwde twee-seconden-vallen van de trap of het klimrek, nee echt volwassen vallen, diep en groots vallen, met zweven en suizende oren.
De lucht is een afgrond en de bodem heel ver weg. En als je in een afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook in jou.
‘Skydivers kunnen iets wat gewone mensen niet kunnen: de wereld rustig van boven bekijken, zwevend en relativerend. En dat maakt het leven op de grond een stuk makkelijker. Als er meer mensen zouden springen, zouden er vermoedelijk minder psychiaters nodig zijn.’
Jammer genoeg hebben skydiven en andere luchtsporten nog niet het aanzien dat ze verdienen. Alleen het woord al is fantastisch: ‘luchtsport’. Als er één sport gezond klinkt, dan is het wel luchtsport. Anders dan denksport, waarbij je al snel aan ongewassen sokken en stoffig haar moet denken, suist bij luchtsport de wind al om je hoofd en wapperen de wolken minzaam achter je aan.
‘Maar ik denk niet dat skydiving ooit op massale populariteit kan rekenen. Het publiek kan zich niet identificeren met skydivers. Met darten ligt dat heel anders.’
. Dat zegt wel iets over ons. Zonder moeite identificeren we ons met een dikbuikige Brit die met een meter bier in zijn knuist pijltjes gooit in een bord aan de muur, tegen het decor van een ladderzat café met ‘180’ brullende homunculi, maar als we ons de luchtsporter moeten voorstellen, hapert de fantasie. Omdat we nu bang zijn voor vallen. Terwijl vallen niet eng is. We doen het de hele tijd. Laurie Anderson zong: ‘You’re walking. And you don’t always realize it,/ but you’re always falling./ With each step you fall forward slightly./ And then catch yourself from falling.’
We moeten gaan hemelduiken. Dan verliezen we onze angst voor het vallen. Dit is de vrije val, met nadruk op vrij: ‘De tijd lijkt buiten werking, er is geen vliegtuig meer en ik lijk alleen te zijn in een wereld die blauw van boven en groen van onderen is. Prachtig horizontaal liggen we in de lucht en alle angst is opeens verdwenen. Het lijkt alsof ik relax op een kussen van aangenaam koele lucht, in plaats van met een snelheid van 200 km per uur naar beneden te suizen. (…) Het vallen lijkt een eeuwigheid te duren, a timeless moment, dat is de matrix waarin ik me nu bevind. Seconden? Minuten? Uren? Bestaan niet meer.’
Mama, nog een keer!