Valkuilen, valkuilen en misleidingen

De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Xandra Schutte en Marc Reugebrink - koos dit keer Georges Perecs Het leven een gebruiksaanwijzing als Boek van de Maand. De overige mededingers waren: Elias Canetti, Het pantheon van vergeten dingen (vertaling W. Hansen, Arbeiderspers, 173 blz., f36.90): ‘Je hebt een leger termieten nodig, die al je betrekkingen en gewoonten van binnenuit ondermijnen’, schrijft Canetti in dit laatste boek van zijn hand, waarin via anekdoten, herinneringen en aforismen zo'n leger op de eigen persoonlijkheid wordt losgelaten. Jocelyn Brooke, Het teken van een getrokken zwaard (vertaling Martha Heese, Coppens & Frenks 185 blz., f47,90): Surrealistische en paranoide roman vol ruimtelijke en temporele verrassingen die doen denken aan Hermans’ De donkere kamer van Damokles. Albert Camus, De eerste man (vertaling Jan Piet van der Sterre, Bezige Bij, 370 blz., f42,50): De onvoltooide laatste roman van Albert Camus die een autobiografie en een epos over Frans-Algerije had moeten worden, werd een zoektocht naar de vader, een hommage aan zijn moeder en onderwijzer en een loflied op zijn geboortegrond.
Georges Perec, Het leven een gebruiksaanwijzing. Vertaald door Edu Borger, Arbeiderspers, 547 blz., f89,-
ONS GEHEUGEN is zo ingericht dat treinen pas bestaansrecht hebben als ze ontsporen, vliegtuigen als ze gekaapt worden, auto’s als ze tegen bomen botsen, rivieren als ze overstromen en politici als ze frauderen. We slaan gebeurtenissen in ons geheugen op als ze buitengewoon zijn, als er een schandaal achter schuil gaat, een gevaar, een ontsporing, een ongeluk. Daardoor lijkt het of het leven zich pas openbaart in het spectaculaire: in revoluties, historische omwentelingen, natuurrampen of politieke schandalen.

Het is een gang van zaken waar de Franse schrijver Georges Perec (1936-1982) geen genoegen mee neemt. ‘Dagbladen spreken over alles, behalve over het dagelijkse’, schreef hij ooit. 'Dagbladen vervelen mij, ze leren mij niets: wat zij vertellen raakt me niet, ze stellen me geen vragen en nog minder beantwoorden ze de vragen die ik stel of zou willen stellen.’ In zijn boeken gaat hij dan ook van het alledaagse uit, van het banale, het voor de handliggende. Perec stelt vragen aan het gewone, juist omdat dat nooit ondervraagd wordt - omdat het zo gewoon is. Hij formuleerde het als opdracht aan zichzelf: 'Datgene onderzoeken dat zo vanzelf lijkt te spreken dat wij er de oorsprong van zijn vergeten.’
Perec muntte daar zelfs een term voor: l'infra-ordinaire. Het infraordinaire is, dat moge duidelijk zijn, het tegenovergestelde van het extraordinaire. Het is, zou je kunnen zeggen, het 'ondergewone’, zoals Kousbroek het noemde. Het omvat de kleine voorvallen waar ons dagelijks leven uit bestaat, voorvallen die allicht meer over ons zeggen dan die ene exceptionele gebeurtenis die wij als zo betekenisvol zien. De dingen waar onze blik talloze keren per dag overheen glijdt zonder dat we ze werkelijk zien, de achtergrondgeluiden die we nauwelijks registreren, de straten waar we gedachteloos doorheen lopen op weg naar ons werk, de huizen van onze vrienden die we zo goed kennen dat we ze niet meer bekijken. NIET VOOR NIETS debuteerde Perec met de roman Les choses, waarin hij het leven van de hoofdpersonen schetst aan de hand van hun verhouding tot de dingen. Hij beschrijft de meubels en gebruiksvoorwerpen die ze kopen, de meubels en gebruiksvoorwerpen die ze vervangen, de meubels en gebruiksvoorwerpen waar ze van dromen en geeft daarmee een genadeloos portret van de eerste naoorlogse 'luxegeneratie’. Natuurlijk, het boek bevat ook een analyse, en die luidt: bezit is in de welvaartsmaatschappij een begerenswaardige levensvervulling geworden, het voornaamste ideaal dat ons rest; het mondt zelfs uit in een citaat van Karl Marx. Maar tegelijk schildert Perec met grote precisie de versleten zwartleren divan, de blankhouten boekenkasten, de etageres met prullaria, de Engelse gravures, de porseleinen schalen, de gedempte kleuren van de muren - al die zaken kortom die het leven aangenaam en simpel maken.
In zijn belangrijkste roman, La vie mode d'emploi, de vuistdikke roman waar hij tien jaar aan werkte en die na 17 jaar in het Nederlands is vertaald, probeert Georges Perec eveneens het alledaagse leven vast te leggen. Het basisidee ervoor is even eenvoudig als ingenieus: een Parijs appartementengebouw aan de denkbeeldige Rue Simon Crubellier in het zeventiende arrondissement, waarvan de facade is weggehaald en waarvan alle vertrekken, van kelder tot zolder. in een oogopslag te zien zijn. Zoals in de precieuze achttiende-eeuwse poppenhuizen die alle overdadig ingerichte kamers en bedrijvige poppen gelijktijdig tonen. De doorsnede van het huis is tegelijk een doorsnede van het leven, ook al zien we de poppenhuisfiguren in een versteende pose. PEREC BEVRIEST in Het leven een gebruiksaanwijzing een willekeurig moment. Het boek speelt op 23 juni 1975, iets voor acht uur ’s avonds. Een vrouw van een jaar of veertig in een lange regenjas van skai beklimt de trap, mevrouw en meneer Altamont verkleden zich voor hun jaarlijkse receptie terwijl de butlers schalen met verfijnde lekkernijen uitstallen, Kleber speelt een spelletje patience, dokter Dinteville is bijna klaar met het onderzoeken van een oude vrouw, er zitten nog twee mannen in zijn wachtkamer, de concierge vervangt de zekeringen van het licht in de vestibule, de kleinzoon van de blinde pianostemmer zit op de trap te wachten, de schilder Hutting werkt aan het portret van een Japanse zakenman, meneer en mevrouw Plassaert werken hun boekhouding bij, Cinoc trekt in zijn keuken een blik gekruide sardientjes open, Bartlebooth is bezig met het leggen van een puzzel.
Behalve deze onbetekenende handelingen legt Perec de miniemste details vast. Sterker nog dan in Les choses geeft hij minutieuze beschrijvingen van de dingen in de appartementen: het meubilair, de prenten aan de wanden, de opengeslagen boeken op tafel, de afgedankte spullen in de kelders, de snuisterijen op de dressoirs. Het spreekt voor zich dat de vertrekken niet alleen zijn gestoffeerd met sofa’s, fauteuils, schilderijen en gebruiksvoorwerpen - hoe wonderlijk al die dingen vaak ook zijn - maar evenzeer met verhalen. Al is de tijd in de roman bevroren, de bewoners van de appartementen hebben hun geschiedenissen, de appartementen hun vorige bewoners met hun levensverhaal, de dingen hun eigen opmerkelijke historie.
Aldus omvat Het leven een gebruiksaanwijzing honderden door elkaar gevlochten verhalen, bevat het boek een veelheid aan romans, brengt het alle mogelijke literaire genres samen in een bouwwerk. Avonturenromans, detectives, reisverhalen, biografieen, historische romans, streekromans, schelmenromans, psychologische thrillers - alles en nog veel meer is in uiterst beknopte vorm in het boek opgenomen. Vandaar dat Het leven een gebruiksaanwijzing als ondertitel 'romans’ heeft. En vandaar dat het boek vaak een totale roman is genoemd, een romanlabyrint, een toren van Babel, een ark van Noach. GEORGES PEREC is veel meer dan de liefhebber en schatbewaarder van het alledaagse dat ons zo makkelijk ontglipt. Samen met onder meer Raymond Queneau, Italo Calvino en Jacques Roubaud maakte hij deel uit van de in 1960 opgerichte 'werkplaats’ voor schrijvers Oulipo, afkorting voor Ouvroir de litterature potentielle. Dit speelse en pretentieloos ironische gezelschap gaf zich uitbundig over aan de meest uiteenlopende tekstexperimenten.
Een van de centrale begrippen van Oulipo is de zogenaamde contrainte, de zelfopgelegde dwang, de vrijwillig aanvaarde vormbeperking. Literaire vormvoorschriften zijn, alle motiveringen en psychologiseringen ten spijt, in hun ogen over het algemeen willekeurig. Vandaar dat ze er een spel mee spelen: ze ontwerpen ingenieuze en complexe maar volstrekt arbitraire vormen en leven die strikt na.
Het bekendste voorbeeld daarvan is het lipogram: het verbod bepaalde letters te gebruiken. Perec verrichtte de krachttoer om een hele roman te schrijven waarin de letter e, ook in het Frans de meest voorkomende klinker, ontbrak. Hij noemde het boek La disparition en ontwierp een intrige rond de verdwenen letter.
Ook aan Het leven een gebruiksaanwijzing liggen contraintes ten grondslag, vormbeperkingen die, ook dat is kenmerkend voor de Oulipo-schrijvers, worden gecamoufleerd. Uiteraard hebben inmiddels horden literatuurwetenschappers nijver naar Perecs zelfopgelegde dwang gezocht. Zo blijkt dat het Parijse pand tien etages telt met op elk daarvan tien kamers aan de voorkant waardoor honderd vertrekken ontstaan. Perec koppelde de beschrijving van de kamers aan een bekend schaakprobleem: hoe een paard zo over de 64 velden van het schaakbord te laten springen dat elk vlak slechts een keer wordt aangedaan. Hij stelde zich daarbij een hersenkrakend wiskundig probleem door te eisen dat in elk hoofdstuk, kort of lang, twee series van tien elementen - drank of eten, kleine meubels, citaten, referenties aan boeken of schilderijen et cetera - voorkomen, waarbij een serie niet meer dan een keer mag worden toegepast.
Het leven een gebruiksaanwijzing is een uitermate ingewikkelde legpuzzel. Behalve de contraintes kent het boek talloze valkuilen en valluiken, listen en misleidingen, verborgen en vervormde citaten, trompe l'oeils en Droste-effecten. Daarnaast presenteert Perec een volkomen eigenzinnige reisroute door de encyclopedie. Met duizelingwekkende eruditie beschrijft hij historische perioden, geeft hij kunsthistorische details, laat hij zijn personages - met formules en al - chemische of wiskundige ontdekkingen doen, plegen zijn figuren antroplogisch onderzoek in de diepste oerwouden, zoeken ze onontdekte archeologische schatten. Het boek heeft een uitgebreide index en verstrekt regelmatig bibliografische informatie. Het frustrerende is echter dat nergens duidelijk wordt wat feit en fictie is, wie werkelijk historische figuren zijn geweest en wie aan de fantasie van de schrijver zijn ontsproten. Georges Perec is kortom de sardonische puzzelmaker die de lezer een puzzel verstrekt die niet valt op te lossen.
TUSSEN DE honderden geschiedenissen is er ook zoiets als een centraal verhaal te ontdekken en vanzelfsprekend gaat dat over puzzelen. Een van de bewoners van het pand aan de Rue Crubellier is de gefortuneerde Bartlebooth - zijn naam verwijst zowel naar de reizende miljardair Barnabooth van Valery Larbaud als naar de onbeweeglijke schriftgeleerde Bartleby van Melville - die een hoogst merkwaardig levensplan ontwerpt. Het is een levensplan 'waarvan de willekeurige noodzaak geen ander doel zou hebben dan de verwezenlijking van dat doel’. Bartlebooths wil iets doen dat hoe dan ook geen nut heeft, een project uitvoeren dat cirkelvormig is en zichzelf vernietigt. 'Met niets beginnen om met niets te eindigen’ is zijn devies.
Zijn programma gaat als volgt: gedurende tien jaar zal hij zich de grondbeginselen van het aquarelleren eigen maken. Vervolgens zal hij twintig jaar over de wereld reizen en met een gemiddelde van een aquarel per twee weken vijfhonderd zeegezichten schilderen die hij naar een ambachtsman stuurt. Deze plakt de schildering op een houten plank en zaagt er een puzzel van zevenhonderdvijftig stukjes van. De volgende twintig jaar zal hij de puzzels in elkaar voegen waarna de aquarellen van hun ondergrond worden losgeweekt, worden overgebracht naar de plaats waar ze zijn geschilderd om daar te worden ondergedompeld in een reinigende oplossing. Het resultaat: een ongerept en maagdelijk blad Whatman-papier.
Bartlebooth weet zijn zinloze plan niet te volbrengen. Het leven een gebruiksaanwijzing is namelijk ook een roman over wraak. De puzzelmaker Gaspard Winckler - voor lezers van Perecs W of de jeugdherinnering is dat een bekende naam - wreekt zich op zijn meester door steeds meer dwaalsporen in zijn puzzeluitsneden te verwerken. Het puzzelen lijkt daardoor nog het meest op een sadomasochistisch ritueel.
Je zou zelfs kunnen zeggen dat Winckler Bartlebooth vermoordt: aan het eind van de roman blijkt dat de vrijwel blind geworden Bartlebooth is gestorven met het laatste stukje van de 439ste puzzel in zijn hand. In de puzzel is nog een zwart gat in de vorm van een X, maar het stukje dat Bartlebooth vasthoudt, is een W. Het is de perfecte misdaad, want de moord vindt plaats als Winckler al lang en breed in zijn graf ligt.
Nu klinkt al dat gepuzzel alsof Het leven een gebruiksaanwijzing een door en door cerebraal boek is, een en al denksport voor de lezer. Dat is waar. En tegelijk ook niet. De fervente puzzelaar kan eindeloos oplossingen zoeken - met het gevaar dat hij net als Bartlebooth met een gat blijft zitten - de meer onbevangen lezer kan zich laten verleiden door de sublieme, geestige, bizarre, speelse en, ik zou haast zeggen, levensechte onderneming van Perec. Want de roman is meer dan verbluffend intelligent spel, de bizarre levensontwerpen van veel van de personages zijn meer dan amusant: Perec laat zien hoe het leven zich voltrekt.
Natuurlijk bestaat er niet een gebruiksaanwijzing voor het leven, er bestaan er zoveel als er personages, of beter, als er mensen zijn. Maar in al die levensontwerpen speelt de zoektocht naar het geluk en het bezweren van de dood een rol. Want het project van Bartlebooth is toch niets anders dan dat, een bescherming tegen de dood. Bij het volbrengen van zijn programma heeft hij het risico van de dood in ieder geval uitgesloten.