Vallend rood

Avery Preesman laat zijn stugge en soms bevende handschrift werken om langzaam een geschilderd oppervlak te construeren. Het rood komt tot een eigen leven.

Soms hingen deze twee schilderijen van Avery Preesman zo dicht in elkaars buurt dat je ze niet anders dan vergelijkend kon bekijken. Heen en weer: van het staande uit 1997, dat zonder titel is, naar een horizontaal formaat, Rood schilderij, van een jaar later. Nu kwamen ze me weer onder ogen, twee schilderijen die bedrieglijk op elkaar lijken. Maar omdat je direct ook merkt dat er verschillen zijn, wordt het kijken ernaar juist een intense opgave - omdat elk detail telt. Het begint bij waar we gewoonlijk niet zo op letten, bij hun formaat. Het schilderij zonder titel is hoger dan breed. Door die hoogte, 200 cm, werkt het, herinner ik me, nogal robuust.
Aan de wand (zoals wij ze zien) worden schilderijen doorgaans met hun midden op de doorsnee ooghoogte gehangen van ongeveer 160 cm. Als je voor het hoge schilderij staat te kijken (en niet te ver ervandaan) is er boven jouw kijklijn nog een stuk schilderij van een meter over zodat je om het werk goed te zien licht naar boven moet kijken. Het is dan alsof het straffe vlak voor je ogen opdoemt. Bij Rood schilderij, echter, met een hoogte van 120 cm, reikt het vlak maar 60 cm boven ooghoogte. Het schilderij is 160 cm breed maar in verhouding lijkt en voelt het breder. In feite is het hogere doek weliswaar breder (174 cm), maar in zijn verhoudingen werkt het toch vooral als een hoog, verticaal schilderij. Die werking is sterker als beide schilderijen in elkaars buurt worden tentoongesteld en ze vergeleken kunnen worden.
Overigens is dat hangen op ooghoogte ook maar een gewoonte. (Zo hang je naturalistische schilderijen: landschappen of interieurstukken die met de intentie gemaakt zijn er van dichtbij met de ogen in rond te dwalen en er situaties uit het eigen dagelijks leven in te herkennen. Dat is een andere voordracht dan wanneer je eerbiedig staat te kijken naar grote, hoge, statige doeken die voorbeeldige heldendaden uit de antieke wereld laten zien, of het adembenemende martyrium van een heilige.) Anders gezegd: je zou de twee schilderijen van Preesman ook eens, pal naast elkaar, met de onderkanten op gelijke hoogte moeten hangen. Het effect van hun relatieve breedte en hoogte wordt dan opmerkelijker en karakteristieker. In Rood schilderij, waarin fijnzinnige sluiers hangen van in de breedte uitgesponnen nuanceringen van rood, zou ik dan een atmosferisch landschap kunnen zien. Omdat het rood warm en licht is, tegen zalmkeurig aan, is het ook een zachter schilderij. Het hoge doek is strenger en stugger, wat ook komt doordat een sterker ogend rood met zwart alterneert. Het lijkt alsof de ondergrond zwart is en dat straffe strepen zwart zichtbaar werden doordat de kunstenaar in het natte rood is gaan schrapen - niet helemaal impulsief want op een enkele gebogen haal na gaat dat krassen van boven recht naar beneden, dus met overleg.
Het schrale, stugge zwart maakt dat het op zich heldere rood er toch donkerder ging uitzien en zwaarder leek - alsof het naar beneden zakte. Door dit neerwaartse effect van vallen werkt het schilderij nog verticaler dan het is. Dan ontstond in dat vallende rood (en zwart) ook nog een compacte schicht van wit, een incident vreemd als een dwaallicht. In Rood schilderij zijn intussen de verticale penseelstreken dunner. In hun voorzichtige lichtheid lijken het eerder sporen van streken. Ze lijken op een okergele ondergrond geplaatst waarmee de rode streken zich zo fijnzinnig verweven dat het doek, ook met enkele horizontale bewegingen, een sluier lijkt die als een nevel aan ons oog voorbijtrekt. Het hoge schilderij staat stevig omdat de penseelstreken zo resoluut zijn. Rood schilderij deint in de breedte.
Dat ik het als een soort landschap zie en het hogere werk voor mijn part als een streng soort portret komt door mijn romantische instelling. Nuchter beschouwd denk ik dat Preesman op twee verschillende manieren een monochroom rood vlak wilde schilderen. Meestal liggen de doeken waaraan gewerkt wordt plat op bokken, ter hoogte van een tafelblad. Het werken eraan is dus niet het zwierige schilderen, met zwaaiend penseel. Eigenlijk gaat het om het langzaam construeren van een geschilderd oppervlak. Doorgaans is het een monochroom vlak en vaak is er een hoekig staketsel als motief in aanwezig dat aan het geschilder houvast en richting geeft. Deze twee rode schilderijen zijn verticaal opgezet maar er is, onderhuids, tegelijk een discrete, verticale beweging. Penseelstreken kruisen elkaar dus ook. Dat is het raamwerk en de ruimte waarin Preesman zijn typische stugge en soms ook bevende handschrift laat werken - om het stevige rood in een zacht, trillend licht, of anders in zwaar donker licht tot een onweerstaanbaar eigen leven te brengen dat, als het lukt, alleen in een schilderij die geconcentreerde intensiteit kan bereiken.
Wat de kunstenaar steeds doet: kijken of het ook nog anders kan, nog ander rood.

PS. De twee schilderijen van Preesman bevinden zich in de collectie van het Stedelijk Museum. Ik hoop dat ze daar later dit jaar weer te zien zijn