Vallende ellipsen

René Daniëls zocht een uitweg uit de abstracte regelmaat die voor zijn speelse geest te strak was. Zo werd een ronde grammofoonplaat een ovaal.

Laten we zeggen dat het schilderij Zonder titel (1978) van René Daniëls in beginsel een abstract soort compositie was. Nogal wat van de stevige bruine en blauwe penseelstreken, vooral de horizontale, voegen zich in een geometrische ordening die discreet door het smalle, hoge formaat van het doek werd aangegeven. Maar dan wordt dat regelmatige ritme verstoord door een aantal elliptische vormen die er zomaar doorheen vallen. Aan de drukte van het geschilder (strakke streken over elkaar, revisies dus) kun je zien dat het een bewerkelijk schilderij was om te maken. Kennelijk duurde het wat voordat duidelijk werd welke richting het uit kon gaan. Op de grote inkttekeningen die Daniëls een jaar eerder gemaakt had, waren bijvoorbeeld patronen te zien van groepen korte, rechte parallelle lijnen die, schots en scheef tegen elkaar aan, het hele blad vulden. Of anders: op het papier stonden rechthoekige vormen, zoiets als bakstenen, waar omheen van die korte lijnen geplaatst waren. Zo werd het blad volgemaakt, waarna het leek alsof de blokvormen in een web van lijnen dreven. In weer andere tekeningen werd het vlak in een losse regelmaat gevuld met summiere figuren die op iets leken maar ook weer niet - meestal hoekig of ovaal, in een nonchalant abstract schema. Tussen die twee klassieke uitgangspunten, figuratief en abstract, ging het. Omdat ik in die tijd vaak bij hem in zijn atelier in Eindhoven op bezoek ging, heb ik zijn scharrelende zoeken van nabij kunnen waarnemen. Ook toen ineens, als bij toverslag, methode en motief samenvielen. Hij had rijen rechte streepjes naast elkaar gezet, in rijen die schuin door het vlak liepen en eruitzagen als boeken gerangschikt in een boekenkast. Of dit nu een tekening was van boeken op planken of een abstract begonnen ritmische ordening van lijnen die ging lijken op een boekenkast, zal wel voor altijd een raadsel blijven.
Maar een stap verder was, nog in 1977, een droog korzelig geschilderd schilderij van rijen boeken op planken met daarvoor, schuin boven elkaar, drie rechthoekige vormen: boeken dus, die uit de kast vielen. Met het vinden van dat intrigerend abstracte voorval had Daniëls zoiets als de uitweg gevonden die hij probeerde te vinden uit de abstracte regelmaat die voor zijn speelse geest te strak was. Zo ontdekte hij ook dat een ronde grammofoonplaat, als je die in perspectief zag, een ovaal werd - niet de abstracte vorm maar gewoon een scheve grammofoonplaat. Dat lijkt niets, maar met zulke absurd kleine dingen begint kunst vaak. Ik moet erbij zeggen dat kunstenaars van een generatie ouder (Jan Dibbets, Daan van Golden of Jeroen Henneman bijvoorbeeld) toen ook maar anders in de weer waren met wonderlijke schijngestalten die kunnen optreden bij gecontroleerde manipulaties van figuren. Uiteindelijk echter is René Daniëls steeds wat vreemder omdat hij iets van het bizarre instinct van een surrealist in zich heeft.
Zo ontstond dus, in een schema dat ooit de abstractie van een kast was, in 1978 het schilderij Zonder titel met die vallende ellipsen die ooit in plaats van boeken grammofoonplaten waren. In de bovenste ovaal zien we, in plaats van het label, een oog dat, wat René veel deed, listig lijkt te knipogen. Belangrijker is om te zien hoe het beeld door stevig penseelwerk bij elkaar gehouden wordt. Het is alsof er eerst een ondergrond geschilderd is. Vervolgens werd die verstoord - en voor die abrupte verstoring werd in het oppervlak plaatsgemaakt met een tweede laag van even abrupte hoekige en gebogen verfstrepen. Het schilderij is om zo te zeggen een constructie (of misschien collage) van interventies die elkaar schilderkunstig bezighouden maar die ook, zoals in De revue passeren uit 1982, op grillige manieren van elkaar los kunnen raken.
Dat werk laat een ensemble zien van figuren en voorwerpen waarvan de genre-achtige samenstelling vervolgens ontbonden is geraakt en op drift - zodanig dat tekening en passages geschilderde kleur onafhankelijk van elkaar in beeld verschijnen. Daniëls kennende kan het geheimzinnige verhaal van het schilderij van een persoonlijk voorval komen, maar ik kan de titel van het werk ook letterlijk nemen: in het voorbijgaan worden inventieve, luchtige trucages getoond van kleurrijke schilderkunst. Kleuren worden eerst vastgehouden door figuren en dan weer losgelaten, zo vrij zijn ze en zo ongebonden zijn ook de figuren.
Overal in deze sprookjesachtige revue is te bespeuren hoezeer de beeldvorming zich op het labiele snijpunt bevindt tussen figuratie en abstractie - daar waar Daniëls’ werk ooit begonnen is. Dat energieke evenwicht was wezenlijk nieuw - wat blijkt in de kunst van veel latere kunstenaars in binnen- en buitenland (van Dumas tot Tuymans) die door hem geraakt zijn. Dat zijn baanbrekende rol een beetje in de vergetelheid dreigt te raken komt doordat hij, tengevolge van een beroerte in 1986, helaas niet meer kan schilderen. Ongelukkigerwijs is er ook te weinig werk in belangrijke buitenlandse musea terechtgekomen. Ik hoor wel dat hij soms weer wat tekent.

PS De meeste van de grotere musea in Nederland hebben werk van Daniëls in hun collectie maar niet altijd tentoongesteld. Wel is hij nu te zien in het Bonnefantenmuseum in Maastricht