Dans

Vallende engelen

DANS NDT 1

In Falling Angels zet het Nederlands Danstheater 1 (ndt 1) twee reprises en een nieuw stuk op het programma. Hiermee blikt het voor een deel terug naar zijn hoogtijdagen, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, toen onder Jiri Kyliáns leiding het ndt uitgroeide tot een internationaal topgezelschap waar alle grote choreografen stukken kwamen maken. De dansers van het ndt zijn sindsdien synoniem voor zuiverheid, muzikaliteit en artisticiteit. Maar wat is er nu, vijftien jaar later, aan de hand?

Kyliáns Falling Angels, waarmee de avond opent, mist in de nieuwe uitvoering de hoogspanning die het in 1989 bij de première had. De choreografie is natuurlijk dezelfde, maar de uitvoering door de huidige club is schools en naar ndt-standaard saai. De krachtige korte solo’s van Shirley Esseboom en Valentina Scaglia, die lieten zien hoe het wél kan, konden dat niet verbloemen.

William Forsythe choreografeerde Quintett in 1993, kort voor het overlijden van zijn eerste vrouw, en hij introduceerde een diepe emotionaliteit in zijn tot dan toe vooral abstract architectonische en deconstructivistische balletten. Met Quintett oversteeg hij zijn eerdere werk; het stuk markeerde een keerpunt in zijn choreografiestijl. Dit soort bewegingsmateriaal heeft sindsdien veel choreografen geïnspireerd, maar vrijwel nooit met vergelijkbaar resultaat. Het ndt is het enige gezelschap ter wereld naast Forsythe’s eigen gezelschap dat dit werk uit mag voeren. Het was daarom jammer dat deze uitvoering, die op zich goed werd gedanst, de schrijnende melancholie van het meesterwerk niet kon oproepen.

Veel verrassender is The Second Person van Crystal Pite. Zij danste in Forsythe’s Ballett Frankfurt, en in haar choreografie is zijn invloed merkbaar aanwezig. Niet alleen in het intrigerende gebruik van tekst en de bewegingstaal, maar ook in de kracht waarmee het werk de kijker in zich zuigt. The Second Person voelt nooit als een mislukte Forsythe-choreografie; Pite blijft zichzelf. The Second Person gaat over herinnering en blijft, heel toepasselijk, even ongrijpbaar. Toch betekent deze ongrijpbaarheid niet dat je als publiek buiten de boot valt. Het stuk zit vol subtiele verrassingen en alle elementen (het dramatische decor, de impact van de grote groep dansers, het prachtige bewegingsmateriaal en niet in de laatste plaats de muziek) trekken na verloop van tijd als magneten naar elkaar toe. Vooral de mannelijke dansers komen tot hun recht, Miguel Oliveira en Luká Timulak in het bijzonder. Met grote souplesse, kracht en overgave storten zij zich in het stuk en het resultaat is verbluffend.

Conclusie: het ndt moet zich aan de nieuwe tijd aanpassen en de koers van de vernieuwing opzoeken, in plaats van terug te grijpen naar repertoire uit het glorieuze verleden en langzaam te veranderen in een fossiel van het eigen succes. Dat betekent dat er artistieke risico’s genomen moeten worden. Met een programma als dit lijkt het erop dat het gezelschap bang is zijn gezicht te verliezen, terwijl deze angst juist het grootste gezichtsverlies zou kunnen betekenen.

Falling Angels (Kylián – Pite – Forsythe), Nederlands Danstheater 1, tournee tot en met 15 maart; www.ndt.nl