Vals en naïef

Net als in de tijd van de verzuiling spelen tegenwoordig culturele conflicten opnieuw een hoofdrol. De PvdA begrijpt dat niet, of weet er niet mee om te gaan.

HOE VALS KUN JE ALS PARTIJLEIDER ZIJN? Zo vals dat je partijgenoten spontaan beginnen te zeggen dat de titel ‘partijleider’ bij de Partij van de Arbeid formeel niet bestaat en dat Wouter Bos het wat hen betreft in ieder geval niet is.
Aanvankelijk richtte de ergernis binnen de PVDA zich vorige week op minister Ronald Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Volgens Plasterk had de PVDA de Europese verkiezingen verloren omdat de partij te elitair is en niet meer weet wat er in de wijken leeft. Behalve dat die opmerkingen leidden tot diepe zuchten en wedstrijdjes over de vraag sinds wanneer dit al wordt gezegd – de jaren tachtig of was het toch al eerder? – werden ze ook als een dolksteek ervaren, alsof Plasterk zelf niet elitair is.
Maar dit gegrom verstomde toen zaterdagochtend de Volkskrant op de mat viel. Zo kenden de partijgenoten Wouter Bos weer: als de man die slecht tegen verlies kan. In keurige bewoordingen, maar daardoor des te valser, vertelt Bos eerst dat de PVDA-lijsttrekker bij de recente verkiezingen, Thijs Berman, niet de eerste keus was, maar zelfs pas de zesde. Vervolgens voegt hij daar aan toe ook niet op Berman te hebben gestemd, maar op de nummer vijf. Welkom bij de Partij van de Arbeid.
Bij de VVD zijn ze ervan overtuigd dat het landelijk reeds bekende Tweede-Kamerlid Hans van Baalen voor hen het verlies bij de Europese verkiezingen heeft weten te beperken. Omgekeerd is het inderdaad een probleem dat de Partij van de Arbeid geen politicus van statuur heeft weten te vinden die na het nee tegen de Europese grondwet de kar uit de modder wilde trekken.
Heeft de partij nog wel politici van statuur? Wie gaan bijvoorbeeld in Rotterdam en Den Haag de lijst aanvoeren en het opnemen tegen mogelijke collega’s van de Partij voor de Vrijheid? Waarom was de angst beschadigd te worden in de strijd om het lijsttrekkerschap bij een van de gepolste kandidaten zo groot? Wat zegt dat over de partij?
Dat zijn de vragen die de partij zichzelf moet stellen, want daarin schuilt het veel diepere probleem. Om dan als partijleider het onvermogen van de partij als geheel en het partijbestuur in het bijzonder zo te botvieren op degene die dan wel de nummer één is geworden, dat kan niet meer vallen onder het hoofdstukje eerlijkheid en openheid.
Een deel van het probleem van de PVDA ligt verscholen in een andere passage in het Volkskrant-interview, waarin Bos vooruitkijkt naar de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar. Bos had gedacht dat de PVDA in Europa goed zou scoren vanwege de crisis ‘en de opstelling van de PVDA en mijzelf daarin’. Dat bleek een ‘strategische fout’, dat wilde hij wel toegeven. Maar als straks de sociale crisis toeslaat, mensen hun banen kwijtraken en ‘het in Nederland nog knap ellendig wordt’, dan… Ja, wat dan? Het wordt niet rechtstreeks aan hem gevraagd, maar Bos suggereert dat de PVDA daar dan garen bij gaat spinnen.
Dat zou wel eens een nieuwe misrekening kunnen zijn. In de eerste plaats kan een minister wel een bank redden, maar niet een bedrijf. Een overheid schept daarnaast ook geen banen, hoogstens voorwaarden voor een goed ondernemersklimaat, of dat nou privaat of publiek is. Daadkrachtig optreden om de werkloosheid terug te dringen zal Bos dus niet kunnen laten zien. Te meer niet omdat coalitiegenoot CDA niet op dezelfde koers zit.
Bovendien heeft de PVDA op economisch terrein inmiddels niet alleen directe concurrentie van de SP, maar krijgt die ook van de PVV van Geert Wilders. Vorige week tijdens een Kamerdebat zei het PVV-Kamerlid Tony van Dijck dat zijn partij niet wil tornen aan het minimumloon, de uitkeringen en het ontslagrecht.
Maar de belangrijkste fout die Bos maakt, is het veronachtzamen van de culturele component in het stemgedrag van de kiezer. In het vorig jaar verschenen boek De grote kloof: Verhitte politiek in tijden van verwarring laten de hoogleraren Dick Houtman en Jan Willem Duyvendak samen met de socioloog Peter Achterberg zien hoe in Nederland na de ontzuiling de culturele polarisatie toch weer een grote invloed heeft op het stemgedrag. Bij veel kiezers is die groter dan de sociaal-economische polarisatie.
Samengevat komt hun betoog op het volgende neer: stemden vroeger katholieke arbeiders tegen hun sociaal-economisch belang in op de KVP in plaats van op de PVDA, ook nu stemmen ze niet automatisch op de PVDA, maar in grote aantallen op de PVV, omdat die tegen criminele moslims is en orde en veiligheid wil, precies wat zijzelf ook belangrijk vinden.
Culturele conflicten mogen dan net zoals in de tijd van de verzuiling opnieuw een hoofdrol spelen, zo schrijven Houtman, Duyvendak en Achterberg, het bij die tijd horende polderen is er niet mee teruggekeerd. Integendeel. Dat typische op consensus gerichte gedrag van politici wordt door de groep die orde en veiligheid het belangrijkste vindt juist gezien als soft. Over tolerantie ten aanzien van andere culturen of de Koran valt bovendien ook niet te polderen, je kunt niet een beetje tolerant zijn.
De PVV is op cultureel vlak als rechts te bestempelen, maar op economisch vlak wordt de beweging linkser. De voormalige liberale politicus Wilders is op deze terreinen duidelijk van mening veranderd. Om pragmatische redenen, zei zijn partijgenoot Van Dijck. Hij liet in het midden wat hierbij de doorslag heeft gegeven. Het is niet uit te sluiten dat dit de laagopgeleide kiezer is. Die wil linkse economische politiek, vertolkt door cultureel rechtse, autoritaire politici. Als Wilders hem dat geeft, is de PVDA ook bij een verdieping van de economische crisis niet zijn partij, de SP overigens ook niet. Het is naïef om dat te denken.