Vals sentiment

Er moest alleen nog even een scriptje geschreven worden zodat die Mac elke ochtend de tijd zou zeggen en op hetzelfde moment tijd en datum zou afdrukken op kettingpapier.

Bij het uitruimen van de kelder stuitte ik op de supermarkttas waarin zich mijn oude Mac Plus schuilhield. Nee, laat ik eerlijk zijn: van schuilhouden is geen sprake. Ik heb dat ding er zelf neergezet, omdat van mijn plannen niets kwam.

De Mac Plus was een van de eerste personal computers met een grafisch scherm – zwart-wit, dat wel – en een nogal hoekige muis. Alles aan die computer was revolutionair en ik kon mijn geluk dan ook niet op toen ik er jaren geleden de hand op wist te leggen. Omdat de Mac Plus tegen die tijd al een soort museumstuk was en ik niet voor een verzamelaar wil doorgaan, bedacht ik een plan waardoor de Mac toch nog ‘functioneel’ zou zijn en niemand mij van vals sentiment kon beschuldigen. De Mac zou een wekker worden. Ik had er ook de bijbehorende printer bij gekregen, een loodzware kolos ter grootte van pakweg twee schoenendozen. Er was, met andere woorden, nogal wat ruimte nodig om mijn plan uit te voeren en daardoor belandde het Mac Plusje voorlopig in de kelder.

‘Maar nu kun je er wel iets mee doen’, zei mijn geliefde.

Dat was waar. Ik had nog geen week eerder een roodgelakt stalen kastje van Ikea in elkaar gezet, waardoor we nu aan beide zijden van het bed beschikten over een zee van ruimte. Mijn antieke Apple kon daar staan, met de printer. Ik moest alleen nog even een scriptje schrijven waardoor die Mac elke ochtend om pakweg acht uur de tijd zou zeggen en op hetzelfde moment tijd en datum op die ratelende negennaalds printer zou afdrukken op kettingpapier.

Ik werd al moe als ik eraan dacht. Wat was er ooit in mij gevaren dat ik dit een leuk idee vond?

Toen we later die dag de opbrengst van een paar uur kelder opschonen naar de milieustraat hadden gebracht, gingen we nog even langs bij een kringloopwinkel. Ik weet nu al niet meer waarom, maar misschien had het te maken met de plotseling ontstane ruimte in de kelder. Bij de kringloop, waar het indringend naar bejaardentehuis rook, stond ik een tijd naar oude elektronica te kijken, gereedschap dat veinsde dat het nog nuttig was en een paar computers uit het jaar nul.

‘Zo een had ik’, zei ik. Ik wees op een oude windowsbak met een 8086 processor, een beeldscherm dat niet veel groter leek dan mijn iPad en een toetsenbord dat de kleur had aangenomen van steunkousen.

Het kwam allemaal weer terug. De jaren tachtig. Ik schreef stukjes voor kranten, schaatsbladen, managementbladen, de automatiseringsgids. Ik had ook een enorme database gebouwd en verkocht adressencollecties aan ondernemers die bepaalde groepen klanten wilden benaderen voor hun marketing. Privacy bestond nog niet en na een tijdje had ik grote delen van Assen en omgeving digitaal ondergebracht in mijn computer.

‘Je had rijk kunnen worden’, zei mijn geliefde.

We liepen op de verdieping met oude kleren, bedden en kinderspeelgoed. Er walmde een enorme triestheid op uit de rekken. De bedden zagen eruit alsof ze uit bejaardentehuizen kwamen.

‘Ik vraag me af hoeveel mensen daarin dood zijn gegaan’, zei ik.

Mijn geliefde besloot dat het tijd was om te vertrekken.

Op weg naar huis wilden de herinneringen niet uit mijn hoofd. Bijvoorbeeld dat mijn vader me een keer vroeg hoeveel ik nou eigenlijk verdiende met al die klusjes, stukjes schrijven, adressenbestanden compileren, invallen bij een reclamebureau als hun copywriter overspannen was. Ik had wat bedragen genoemd en hoelang ik bezig was, en hij pakte er een papiertje bij, krabbelde wat, zei ‘Hm’ en ‘O’ en keek mij toen aan. ‘Vijftien gulden per uur’, zei hij. ‘Net zoveel als de werkster.’

‘Elke ochtend zal het ratelen van die printer mij herinneren aan hoe het was’

Het was geen opwekkende gedachte, maar ik troostte me ermee dat ik ondertussen veel leerde over computers en programmeren en dat dat op den duur toch iets moest opleveren.

Nog diezelfde week belde mijn grootste klant met de mededeling dat hij mijn rekening niet kon betalen en of ik in plaats van geld zijn oude Volvo wilde hebben.

‘Daar kan ik geen brood van kopen’, zei ik.

Dan moest ik maar een paar maanden wachten.

Ik zat achter mijn computer en dacht aan wat mijn vader had gezegd. Het kwam er eigenlijk op neer, dacht ik, dat ik dingen deed die ik wel aardig vond, maar daar nauwelijks iets mee verdiende en dat ik dan beter kon doen wat ik echt graag wilde, schrijven. Dan verdiende ik helemaal niets meer, maar had het in ieder geval zin wat ik deed.

‘Dus je bent eigenlijk schrijver geworden’, zei mijn geliefde, ‘omdat die klant niet kon betalen.’

‘Nee, ik schreef altijd al. Het was een kwestie van moed der wanhoop. Ik moest eerst wanhopig genoeg zijn.’

Die avond liep ik naar beneden, haalde de tas met de oude Mac Plus en de printer uit de kelder en sjouwde die naar de slaapkamer. Mijn vriendin trok een wenkbrauw op toen ze me zag.

‘Ga je…?’

Ik knikte.

‘Elke ochtend zal het ratelen van die printer mij herinneren aan hoe het was’, zei ik enigszins verbeten. ‘Ask not for whom the bell tolls. It tolls for thee.’

‘Als je er maar gelukkig van wordt, schat.’

Op de een of andere manier hoorde ik de toon in haar stem pas toen ik in de slaapkamer stond.